Civiel recht overig

Tussentijds hoger beroep ECLI:NL:RBGEL:2024:7606. Toerekening bouwtijdoverschrijding; korting op aanneemsom…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
29 september 2026
Zaaknummer
200.348.843
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.A.M. Smeekens, mr. B.M.H.C. Le Haen-de Croon
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6250
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussentijds hoger beroep ECLI:NL:RBGEL:2024:7606. Toerekening bouwtijdoverschrijding; korting op aanneemsom en schadevergoeding, verlenging bouwtijd en schadevergoeding? Terugverwijzing na slagende grieven.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 3 juli 2024

    ECLI:NL:RBGEL:2024:4075
  2. Rechtbank Gelderland · 23 oktober 2024

    ECLI:NL:RBGEL:2024:7606
  3. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 29 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:6250

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.348.843

zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 410329

arrest van 29 september 2026

in de zaak van

BAM Bouw en Techniek B.V.

die is gevestigd in Bunnik

(hierna: BAM)

advocaat: mr. J.A.M. Smeekens

en

Stichting Paleis Het Loo, Nationaal Museum

die is gevestigd in Apeldoorn

(hierna: Het Loo)

advocaat: mr. B.M.H.C. Le Haen-de Croon

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

BAM heeft tussentijds hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het tussenvonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 3 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis) en waartegen de rechtbank op verzoek van BAM bij tussenvonnis van 23 oktober 2024 tussentijds hoger beroep heeft toegelaten. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep;

  • de memorie van grieven, met producties;

  • de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep;

  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;

  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juni 2026 is gehouden.

1.2.

Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1.

Partijen hebben een geschil over de vraag aan wie van hen de bouwtijdoverschrijding in het werk kan worden toegerekend en of als gevolg daarvan aanspraak kan worden gemaakt op verlenging van de bouwtijd en schadevergoeding (BAM) of een korting op de aanneemsom en schadevergoeding (Het Loo). BAM en Het Loo hebben bij de rechtbank ermee ingestemd dat eerst een oordeel zal worden gegeven over de drie belangrijkste geschilpunten, te weten:

  • a) of Het Loo per deeloplevering of alleen bij de eindoplevering kortingen mag berekenen als gevolg van de vertraging in het werk;

  • b) of de stellingen van BAM met betrekking tot de vertraging als gevolg van (het moment van) de aanlevering van de Uitvoeringsontwerpen (hierna ook: UO’s) voldoende zijn onderbouwd, en;

  • c) aan wie het gebrek aan de lateien en de scheurvorming/lekkages in de vloer en de wanden van de Ondergrondse Uitbreiding moeten worden toegerekend.

2.2.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank met betrekking tot het geschilpunt (a) geoordeeld dat Het Loo alleen recht heeft op een korting op de aanneemsom bij vertraging in de eindoplevering (rov. 4.1-4.4). De aanspraak van Het Loo op kortingen wegens overschrijding van de bouwtijd is afhankelijk van de vorderingen van BAM betreffende bouwtijdverlenging, in die zin dat Het Loo geen aanspraak kan maken op een korting op de aanneemsom als BAM aanspraak kan maken op een bouwtijdverlenging (rov. 4.5). De rechtbank is vervolgens ingegaan op de vordering tot bouwtijdverlenging in verband met de beide andere geschilpunten. Met betrekking tot geschilpunt (b) heeft de rechtbank overwogen dat het aannemelijk is dat de aanpassingen door Het Loo in het UO Afbouw Oostvleugel voor vertragingen hebben gezorgd in de (voorbereidende) werkzaamheden van BAM en dat zij niet kan vaststellen of deze vertragingen hebben geleid tot een vertraging op het kritieke pad van het gehele werk, en zo ja, voor welke duur. Daarom heeft de rechtbank behoefte aan deskundige voorlichting daarover (rov. 4.6-4.14). Wat betreft geschilpunt (c) heeft de rechtbank geoordeeld dat het gebrek aan de lateien (rov. 4.15-4.29) en de scheurvorming/lekkages in de vloer en de wanden van de Ondergrondse Uitbreiding (rov. 4.30-4.41) aan BAM moeten worden toegerekend. De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwezen voor uitlating over het aangekondigde deskundigenbericht en iedere verdere beslissing aangehouden.

2.3.

BAM heeft principaal hoger beroep ingesteld. Zij kan zich verenigen met de beslissing over geschilpunt (a), maar niet met het oordeel over geschilpunt (b) en (c). Zij concludeert - kort gezegd - tot vernietiging van het tussenvonnis, voor zover door haar bestreden, en toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg. Het Loo voert verweer en heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Het Loo toegelicht dat dit incidenteel hoger beroep in het opschrift van haar memorie bij vergissing als deels voorwaardelijk is aangeduid. Het Loo kan zich niet verenigen met het oordeel over geschilpunt (a). Waar het geschilpunt (b) betreft komt Het Loo op tegen de (stilzwijgende) beslissing dat BAM heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van de stelling dat de aanpassingen op het UO afbouw Oostvleugel hebben geleid tot vertraging op het kritieke pad. Het Loo concludeert in het incidenteel hoger beroep tot vernietiging van het vonnis, voor zover door haar bestreden, en veroordeling van BAM tot betaling aan Het Loo van € 4.068.577,- aan kortingen. BAM voert verweer. Partijen hebben over en weer gevraagd dat het hof de andere partij in het principaal en het incidenteel hoger beroep in de kosten zal veroordelen.

2.4.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat Het Loo alleen recht heeft op een korting op de aanneemsom bij vertraging in de eindoplevering. Het Loo komt in hoger beroep tevergeefs tegen die beslissing op. Ook volgt het hof Het Loo niet in haar standpunt dat BAM onvoldoende heeft gesteld omtrent de vertragingsoorzaken. Het komt tot de slotsom dat het incidenteel hoger beroep zonder succes wordt voorgesteld.

2.5.

BAM klaagt op haar beurt in hoger beroep op goede gronden dat de rechtbank niet heeft beslist op haar primaire stelling dat partijen zijn overeengekomen dat zij de voorbereiding van de realisatiefase zou starten nadat de UO’s, met inbegrip van alle tussen partijen afgehandelde planwijzigingen, definitief waren verstrekt en dat de realisatie niet eerder mocht worden gestart dan na de definitieve en schriftelijke opdracht door Het Loo aan BAM om de UO’s inclusief planwijzigingen uit te voeren tegen de door BAM vooraf verstrekte prijsopgave. Het hof volgt BAM in dat primaire standpunt en is verder van oordeel dat de voorgestelde vraagstelling aan de deskundige te beperkt is. Het hof zal verder beslissen dat het gebrek aan de lateien - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - aan Het Loo moet worden toegerekend, zoals BAM stelt. Dat geldt - anders dan BAM stelt - niet voor de scheurvorming/lekkages in de vloer en wanden van de Ondergrondse Uitbreiding. Dat gebrek moet aan BAM worden toegerekend. Het principaal hoger beroep slaagt daarmee deels. Het hof laat het vonnis van de rechtbank niet in stand en zal de zaak terugverwijzen voor verdere beslissing door de rechtbank met inachtneming van wat het hof hierna overweegt. Het hof licht dat alles hierna verder toe.

3 De vorderingen

3.1.

BAM vraagt de rechtbank in conventie bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. voor recht te verklaren dat:

1. BAM recht heeft op een verlenging van de bouwtijd met 93 weken en 3 dagen, althans 44 weken en 2 dagen, althans 33 weken, in verband met de vertragingsoorzaak “te late verstrekking definitieve, complete en uitvoeringsgerede Uitvoeringsontwerpen inclusief wijzigingen ten opzichte van TO’s en vertraging in het geven van de opdracht tot uitvoering daarvan”, althans een in goede justitie te bepalen verlenging van de bouwtijd,

2. BAM recht heeft op een verlenging van de bouwtijd met 71 weken en zes dagen, althans 46 weken en 3 dagen, in verband met de vertragingsoorzaak “lateien” en/of “scheurvorming wanden en vloeren Ondergrondse Uitbreiding”, althans een in goede justitie

te bepalen verlenging van de bouwtijd,

3. voorwaardelijk, indien de vorderingen onder 1. en 2. worden afgewezen, BAM recht heeft op een verlenging van de bouwtijd met drie maanden, vanwege het door Het Loo drie maanden lang stilzetten van de herstelwerkzaamheden aan de lateien door een derde,

4. voorwaardelijk, indien aan BAM op grond van de voorgaande vorderingen onvoldoende bouwtijdverlenging wordt toegekend zodanig dat de oplevering van het werk niet binnen de daardoor verlengde bouwtijdverlenging valt, BAM in verband met de vertragingsoorzaak “overige planwijzigingen met bouwtijdconsequenties” zoals toegelicht in Onderdeel 6 van de dagvaarding recht heeft op een verlenging van de bouwtijd met de cumulatieve bouwtijdverlenging die per planwijziging wordt toegekend,

5. voorwaardelijk, indien de rechtbank van oordeel is dat tussen partijen een kortingsregeling per te laat opgeleverd onderdeel is overeengekomen en niet alleen een korting in geval van een te late oplevering van het gehele werk, BAM voor het onderdeel Westvleugel recht heeft op een verlenging van de bouwtijd met 93 weken en 3 dagen, althans 44 weken en 2 dagen, althans t/m 23 februari 2022, althans een in goede justitie te bepalen verlenging van de bouwtijd,

6. voorwaardelijk, indien de rechtbank van oordeel is dat tussen partijen een kortingsregeling per te laat opgeleverd onderdeel is overeengekomen en niet alleen een korting in geval van een te late oplevering van het gehele werk, BAM voor het onderdeel Oostvleugel recht heeft op een verlenging van de bouwtijd met 93 weken en 3 dagen, althans 44 weken en 2 dagen, althans t/m 17 augustus 2022, althans een in goede justitie te bepalen verlenging van de bouwtijd,

7. voorwaardelijk, indien de rechtbank van oordeel is dat tussen partijen een kortingsregeling per te laat opgeleverd onderdeel is overeengekomen en niet alleen een korting in geval van een te late oplevering van het gehele werk, BAM voor het onderdeel Afbouw Ondergrondse Uitbreiding recht heeft op een verlenging van de bouwtijd:

a. met 93 weken en 3 dagen, althans 44 weken en 2 dagen vanwege de vertragingsoorzaak “te late verstrekking definitieve, complete en uitvoeringsgerede Uitvoeringsontwerpen inclusief wijzigingen ten opzichte van TO’s en vertraging in het geven van de opdracht tot uitvoering daarvan”, althans een in goede justitie te bepalen verlenging van de bouwtijd én,

b. met additioneel 71 weken en zes dagen, althans 46 weken en 3 dagen, in verband met de vertragingsoorzaak “scheurvorming wanden en vloeren Ondergrondse Uitbreiding” en/of “lateien”, althans een in goede justitie te bepalen verlenging van de bouwtijd,

8. Het Loo aansprakelijk is voor de door BAM geleden vertragingsschade als gevolg van

de vertragingsoorzaak “te late verstrekking definitieve, complete en uitvoeringsgerede UO’s inclusief wijzigingen ten opzichte van TO” en Het Loo zal veroordelen tot vergoeding van alle door BAM daardoor geleden vertragingsschade die niet is vervat in het onder 10. gevorderde bedrag aan schadevergoeding (zoals nadere afrekeningen met of vorderingen van eveneens vertraagde onderaannemers en leveranciers), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

9. Het Loo aansprakelijk is voor de door BAM geleden schade als gevolg van het optreden van watervoerende scheuren in de betonnen wanden en vloeren en Het Loo zal veroordelen tot vergoeding van alle door BAM daardoor geleden schade die niet is vervat in het onder 12. gevorderde bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

B. Het Loo te veroordelen tot betaling aan BAM van:

10. € 5.606.953,40 aan vertragingsschadevergoeding als gevolg van de vertragings-oorzaak “te late verstrekking definitieve, complete en uitvoeringsgerede UO’s inclusief wijzigingen ten opzichte van TO”, althans € 1.180.224,93, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot en met de dag van algehele betaling,

11. € 4.870.112,83 aan vertragingsschadevergoeding als gevolg van de parallel lopende vertragingsoorzaken “lateien” en “scheurvorming”, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot en met de dag van algehele betaling,

12. € 1.681.847, 12 aan schadevergoeding vanwege de interne en externe herstelkosten als gevolg van de watervoerende scheurvorming in de keldervloer en -wanden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot en met de dag van algehele betaling,

13. € 479.550,16 incl. btw in verband met de deels onbetaald gelaten facturen van BAM met kenmerken 0090772691 en 0090772696 d.d. 2 februari 2022, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 23 december 2022 tot de dag van algehele betaling, het rentepercentage waarvan met twee procentpunten verhoogd ex per. 45 lid 2 UAV 2012,

14. € 274.687,90 aan rentevergoeding in verband met de te laat door Het Loo aan BAM betaalde 26e t/m 29e reguliere termijnen van de aanneemsom,

15. de wettelijke handelsrente vanaf 15 mei 2021 tot en met 4 oktober 2022 van factuur 90714334 d.d. 15 april 2021 € 496.521,08 incl. btw, zijnde de te laat betaalde tweede termijn van de overschrijding van de stelpost Oostvleugel,

16. € 51.122,35 incl. btw op basis van factuur 90723364 d.d. 31 mei 2021, zijnde de derde termijn van de overschrijding van de stelpost Oostvleugel, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 4 oktober 2022 tot de dag van algehele betaling,

17. de wettelijke handelsrente vanaf 2 juni 2021 tot en met 4 oktober 2022 over het bedrag € 182.180,87 van factuur 90717713 d.d. 3 mei 2021, zijnde de door Het Loo op 4 oktober verrichte gedeeltelijke betaling van de tweede termijn van de overschrijding van de stelpost Ondergrondse Uitbreiding,

18. € 132.599,10 incl. btw op basis van factuur 90730697 d.d. 2 juli 2021, zijnde de derde termijn van de overschrijding van de stelpost Ondergrondse Uitbreiding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2023 tot de dag van algehele betaling,

19. € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf vijftien dagen na de uitspraak tot de dag van algehele voldoening,

20. de kosten van deze procedure inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf vijftien dagen na de uitspraak tot de dag van algehele voldoening,

21. € 123.971,00 te vermeerderen met btw voor het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen die moesten worden uitgevoerd in verband met de herstelwerkzaamheden aan de lateien, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf vijftien dagen na de uitspraak tot de dag van algehele voldoening.

3.2.

Het Loo vordert bij de rechtbank in reconventie dat BAM bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld om aan Het Loo te betalen een bedrag van € 8.308.149,90, althans een bedrag waarin een in redelijkheid geschatte vergoeding voor de schade van Het Loo is begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2023, met veroordeling van BAM in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van Het Loo van € 8.308.149,90 is opgebouwd uit de volgende posten:

kortingen wegens vertraging in de oplevering

€

4.068.577,00

schade [naam3]

€

1.900.000,00

aanbrengen membraan

€

186.738,00

aanpassingen Afbouw Ondergrondse Uitbreiding a.g.v. lateien

€

123.971,00

schade door scheuren en lekkages

€

520.245,50

kosten en schade door gebrek aan wapening lateien

€

977.951,40

kosten en schade schending coördinatieverplichting [naam1]

€

530.667,00

Totaal

€

8.308.149,90

4 De feiten

Voortraject

4.1.

Het Loo is in 2015 begonnen met de ontwikkeling van het project ‘Realisatie renovatie & uitbreiding Paleis het Loo’. Het Paleis bestaat uit een centraal hoofdgebouw, het Corps de Logis (hierna: CDL), met naastgelegen binnen- en buitenpaviljoens. In het verlengde daarvan liggen aan weerszijden de Oostvleugel en Westvleugel met op de kop het Oostelijk Hoekpaviljoen, respectievelijk het Westelijk Hoekpaviljoen. De gebouwen liggen rondom een centraal plein, de Basse-cour. Op de flanken zit een Restaurantvleugel, respectievelijk een Kantoorvleugel. De indeling is weergegeven op de volgende illustratie:

[afbeelding niet beschikbaar]

4.2.

Het project betrof een renovatie en uitbreiding van Paleis Het Loo en was opgedeeld in vijf aannemingsopdrachten (percelen) die in de periode 2019-2022 door vier verschillende aannemers zijn uitgevoerd. Perceel 1 - realisatie van een ondergrondse bouwkuip (hierna: de bouwkuip) en tijdelijke opvangconstructies bestaande bouw - is gegund aan [naam1] (hierna: [naam1] ). Perceel 3 - bouwplaatsinrichting, asbestsanering en renovatie CDL - is gegund aan [naam2] Perceel 4 en 5 - E-installatie inclusief data en beveiliging, respectievelijk W-installatie - zijn gegund aan [naam3] (hierna: [naam3] ).

4.3.

Perceel 2 is door BAM uitgevoerd en betrof de realisatie van een ondergrondse uitbreiding (hierna: Ondergrondse Uitbreiding) en een renovatie van de vleugels en bijbehorende gebouwen. De Ondergrondse Uitbreiding bestaat uit twee onderdelen: (i) de centrale museale ruimte, en (ii) vier ondergrondse aansluitingen. De Ondergrondse Ruimte loopt op vier locaties door onder de bestaande monumentale gebouwen, namelijk onder: het CDL, de Oostvleugel, het Westelijk Hoekpaviljoen en het Oostelijk Hoekpaviljoen. De indeling is op onderstaande illustratie weergegeven:

[afbeelding niet beschikbaar]

4.4.

Perceel 2 is aanvankelijk Europees aanbesteed. De aanbesteding kon niet tot een opdracht leiden omdat alleen BAM had ingeschreven met een inschrijfsom van € 58.700.00 en de inschrijfsom van BAM boven de plafondprijs van € 32.000.000 lag. Vervolgens hebben Het Loo en BAM een mededingsprocedure doorlopen, waarin zij tot afspraken zijn gekomen over oplossingsrichtingen om tot realisatie binnen budget te komen. BAM en Het Loo hebben op 17 april 2018 een voorovereenkomst (hierna: de voorovereenkomst) en op 6 december 2018 een aannemingsovereenkomst (hierna: de aannemingsovereenkomst) gesloten. In de voorovereenkomst is voorzien in een zogenaamd bouwteam, waarin de ontwerpende partijen ( [naam4] (hierna: [naam4] ) en [naam5] (het ingenieursbureau en diens opdrachtgever)) nauw samenwerken met de Het Loo als opdrachtgever en BAM als aannemer.

4.5.

In een concept van de aannemingsovereenkomst (versie 1.0 d.d. 1 december 2017) worden in artikel 2 mijlpalen en deelopleveringen beschreven onder vermelding van de data waarop de mijlpalen moeten zijn bereikt en onderdelen moeten zijn opgeleverd. Voor elk van de deelopleveringen afzonderlijk wordt daarin voorzien in een korting € 7.500,- per dag bij het niet behalen van een mijlpaaldatum of te late oplevering, waarbij het bedrag aan kortingen op 10% van de aanneemsom wordt gemaximeerd.

Contractdocumenten

4.6.

In de uiteindelijke aannemingsovereenkomst is het werk van BAM opgedeeld in vijf onderdelen. Over Onderdeel A, Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding, hebben partijen met de aannemingsovereenkomst definitieve overeenstemming bereikt. De andere onderdelen zijn als stelpost opgenomen. Voor de andere onderdelen is bij het ontwerpen sprake geweest van een doorlopend proces van optimalisaties en bezuinigingen om binnen het budget van Het Loo te kunnen blijven. Nog te implementeren optimalisaties of bezuinigingen zijn door partijen opgenomen op een groen/gele lijst. Daarop is in het groen aangegeven welke onderwerpen door Het Loo waren besloten en in het geel welke onderwerpen nog in behandeling waren. Voor de andere onderdelen van het werk zijn door BAM op een later moment aanbiedingen gedaan, die door Het Loo zijn aanvaard. De aannemingsovereenkomst houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…) Artikel 1: Aanneming van werk

1. Opdracht 2 omvat in totaal de volgende onderdelen:

Onderdeel A. Realisatie van de ruwbouw ondergrondse uitbreiding;

Onderdeel B. Realisatie van de afbouw van de ondergrondse uitbreiding;

Onderdeel C. Renovatie van de kantoorvleugel, het energiegebouw; en de luchtbrug;

Onderdeel D. Renovatie van de oost- en westvleugel;

Onderdeel Liften Liften ondergrondse uitbreiding en paleis.

2. Opdrachtgever draagt hierbij op aan Aannemer, die verklaart deze opdracht te aanvaarden, de uitvoering van alle onder lid 1 genoemde Onderdelen hierna te noemen: het Werk, conform hetgeen in deze Aannemingsovereenkomst is bepaald. In deze opdracht zijn de Onderdelen B, C en D vooralsnog als netto stelpost opgenomen. Deze onderdelen worden volgens de procedure als benoemd in artikel 3 op een later tijdstip definitief worden aangeboden ter vervanging van de betreffende stelpost. Daarnaast is in deze opdracht het Onderdeel Liften begrepen, welke als bruto stelpost is opgenomen.

(…)

Artikel 3: Bouwteam – onderdelen B, C, D en Liften

1. De Definitieve Ontwerpen van de afbouw van de ondergrondse uitbreiding (Onderdeel B), de renovatie van de kantorenvleugel, het energiegebouw en de luchtbrug (Onderdeel C), de renovatie van de Oost- en Westvleugel (Onderdeel D) alsmede de Liften (onderdeel Liften) worden door [naam4] nader uitgewerkt tot Technisch Ontwerpen. Tijdens deze uitwerking zullen partijen samenwerken in een bouwteam op basis van de onder lid 2 tot en met 7 genoemde voorwaarden.

2. Het doel van het in lid 1 bedoelde bouwteam is om te komen tot door Opdrachtgever goedgekeurde Technische Ontwerpen die over voldoende kwaliteit beschikken en die samen met de ruwbouw van de ondergrondse uitbreiding met inachtneming van het bepaalde in deze Aannemingsovereenkomst kunnen worden gerealiseerd binnen het beschikbare budget van € 35.499.983,00 exclusief BTW.

3. Het bouwteam is als volgt samengesteld:

- Opdrachtgever;

- Aannemer;

- [naam4] ;

- [naam5] .

4. Aannemer stelt aan het bouwteam zijn specifieke ervaring en zijn specialistische deskundigheid op het gebied van de uitvoering van bouwwerken en de daaraan verbonden kosten ter beschikking binnen het kader van het doel zoals geformuleerd in lid 2. Daartoe zal Opdrachtnemer in ieder geval:

- ontwerpteamvergaderingen bijwonen;

- ontwerpproducten van [naam4] toetsten op technische haalbaarheid en financiële haalbaarheid; en

- op verzoek van de opdrachtgever dan wel in een situatie als bedoeld in lid 5: voorstellen doen voor alternatieve ontwerpoplossingen.

5. Indien de ontwerpproducten van [naam4] naar het oordeel van Aannemer technisch en/of financieel niet haalbaar zijn binnen de kaders van de onderhavige Aannemingsovereenkomst, is hij verplicht Opdrachtgever daarvoor tijdig te waarschuwen. In dat geval zal Aannemer tevens voorstellen doen voor aanpassingen zodanig dat de ontwerpproducten wel realiseerbaar zijn binnen de overeengekomen kaders.

6. De bouwteamfase moet uiterlijk op de hieronder genoemde data hebben geresulteerd in goedgekeurde Technisch Ontwerpen met betrekking tot de Onderdelen B, C, D en E op basis waarvan Opdrachtnemer uiterlijk 7 werkweken na deze data een prijsaanbieding kan uitbrengen voor de realisatie van die Technisch Ontwerpen.

Onderdeel B: goedgekeurd Technisch Ontwerp gereed: 7 januari 2019

Onderdeel C: goedgekeurd Technisch Ontwerp gereed: 17 december 2018

Onderdeel D: goedgekeurd Technisch Ontwerp gereed: Oostvleugel 14 december 2018

Westvleugel 7 januari 2019

Onderdeel Liften: goedgekeurd Technisch Ontwerp gereed: Nader overeen te komen

(…)

Artikel 4: Mijlpalen, deelopleveringen en kortingen

1. In de planning en het daarop gebaseerde gegevensbehoefteschema die als bijlage 4 zijn bijgevoegd, zijn onder andere de gegevensbehoefte, mijlpalen en deelopleveringen aangegeven. Gegevensbehoefte en mijlpaal met betrekking tot Onderdeel A zijn definitief. De mijlpalen, gegevensbehoefte en (deel)opleveringen met betrekking tot Onderdelen B, C, D en Liften worden definitief overeengekomen bij definitieve invulling en vaststelling van de stelposten.

2. Met betrekking tot Onderdeel A geldt de volgende definitieve mijlpaaldatum:

22-02-2020 Onderdeel A van het bestek opdracht 2 is gerealiseerd.

3. Definitief overeengekomen mijlpaaldata en data van (deel)oplevering(en) zijn fatale data zoals bedoeld in artikel 6:83 sub a BW. Overige data in de planning en het gegevensbehoefteschema zijn geen fatale data in bedoelde zin.

4. De korting, bedoeld in paragraaf 42 van de U.A.V. 2012, bedraagt per kalenderdag: € 7.500,-. De kortingsregeling treedt in werking 2 maanden na overeengekomen opleverdatum.

5. Indien het volledige Werk is opgeleverd op de datum waarop de laatste deeloplevering moet plaatsvinden ontvangt de Aannemer een bonus van € 200.000,-.

(…)

Artikel 6: Contractdocumenten

1. De volgende contractdocumenten bepalen in onderlinge samenhang de rechten en verplichtingen van Partijen:

1. De onderhavige door Partijen ondertekende Aannemingsovereenkomst inclusief demarcatietekening onderdeel A tekeningen en documenten volgens ‘Documentenlijst demarcatie tekeningen Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding’ met kenmerk BAM-demarcatie OU-001 met printdatum 23-11-2018;

2. Samenwerkingsovereenkomst inclusief bijlagen:

a. 20181126 Kruisjeslijst d.d. 26-11-2018

b. Aanvullende ABK ivm opsplitsing bouwplaats 20181126 d.d. 26-11-2018

c. 17.T0515-0_Loo_W-102 Bouwplaatsinrichting-bouwhekken 20170715 d.d. 23-11-2018;

3. Bestek ten behoeve van opdracht 2 PHL2_AB d.d. 05-12-2018 inclusief bijlagen1;

4. Gegevensbehoefteschema’s:

• Gegevensbehoefte schema A: OU Ruwbouw d.d. 26-11-2018;

• Gegevensbehoefte schema B: OU Afbouw d.d. 26-11-2018;

• Gegevensbehoefte schema C: Energiegebouw d.d. 26-11-2018;

• Gegevensbehoefte schema C: Kantoorgebouw d.d. 26-11-2018;

• Gegevensbehoefte schema D: Oostvleugel d.d. 26-11-2018;

• Gegevensbehoefte schema D: Westvleugel d.d. 26-11-2018;

en planning onderdelen A tm D, revisie 4 d.d. 22-11-2018;

5. Financieel overzicht ‘Werkdocument optimalisatiefase PHL2’ d.d. 26-11- 2018;

6. Richtlijn kwaliteit tekenwerk d.d. oktober 2010;

7. Betalingsschema d.d. 6-12-2018;

8. Uniforme Administratieve Voorwaarden 2012 (UAV 2012).

Voor zover genoemde contractdocumenten in de Nota(‘s) van Inlichtingen zijn gewijzigd en/of aangevuld en/of uitgelegd, zijn de contractdocumenten van toepassing met inachtneming van die wijzigingen en/of aanvullingen en/of uitleg, tenzij nadien andere afspraken zijn gemaakt.

Indien een nieuwe versie van een contractdocument wordt overeengekomen, gaat die nieuwe versie boven de oude versie.

2. Indien de in lid 1 genoemde contractdocumenten onderling tegenstrijdig zijn, geldt dat document (1) gaat boven document (2) en document (3) boven document (4) et cetera.

3. Indien sprake is van onderlinge tegenstrijdigheden in onderdelen van het bestek, geldt de rangorderegeling zoals opgenomen in paragraaf 2 lid 4 en lid 5 UAV 2012, tenzij uit het bestek een andere bedoeling voortvloeit.

4. Het bepaalde in lid 2 en lid 3 laat onverlet dat Aannemer verplicht is om Opdrachtgever te waarschuwen in geval van klaarblijkelijke tegenstrijdigheden tussen de contractdocumenten onderling en/of tussen onderdelen van het Bestek.

Artikel 7 Bijzondere bepalingen

1. Opdrachtgever zorgt er voor dat Aannemer tijdig kan beschikken over de casco bouwkuip en dat deze bouwkuip tijdens de werkzaamheden van Aannemer waterdicht en stabiel blijft.

2. Indien [naam4] de detaillering die besloten ligt in het TO, in het bouwkundig UO (Uitvoeringsontwerp) zodanig uitwerkt dat deze detaillering naar het oordeel van Aannemer niet kan worden gerealiseerd binnen de overeengekomen aanneemsom, zal Aannemer dit zo snel mogelijk melden bij Opdrachtgever. Partijen zullen dan in overleg treden over een oplossing, bijvoorbeeld aanpassing van het UO of bijbetaling in verband met meerwerk.

(…)”

4.7.

Het bestek van opdracht 2 (besteknummer: PHL2_AB, datum: 05-12-2018) bestaat uit drie delen: deel AB (Administratieve Bepalingen), deel TB (Techniche Bepalingen) en deel WB (Werkbeschrijvingen). Deel WB bestaat uit TO’s van de verschillende onderdelen. In een voetnoot in de aannemingsovereenkomst is opgenomen dat dit deel van het bestek op dat moment nog incompleet was, omdat alleen het TO van de ‘ruwbouw ondergronds (onderdeel A)’ beschikbaar is. Partijen zijn overeengekomen dat bij overeenstemming over de prijsaanbieding met betrekking tot één van de andere onderdelen, het TO daarvan wordt toegevoegd aan deel WB van het bestek. De delen AB en TB gelden voor alle onderdelen die deel uitmaken van deel WB. Zodra één of meer andere onderdelen aan deel WB zijn toegevoegd, zijn deel AB en deel TB ook op die onderdelen van toepassing.

4.8.

In het bestek wordt op meerdere plaatsen verwezen naar het Toetsingsprotocol reken- en tekenwerk draagconstructies aannemer (hierna: het Toetsingsprotocol). Tussen partijen is niet in geschil dat het Toetsingsprotocol van toepassing is. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“ 2. Startdocumenten voor de aannemer

(...)

d) Aan te houden belastingen bij statische berekeningen:

Als basis voor de berekeningen dienen de in de hoofdberekeningen van [naam6] opgenomen permanente en veranderlijke belastingen voor de eindfase. Alle overige belastingen op draagconstructies ten gevolge van bijvoorbeeld de productie, uitvoering en hulpconstructies ten behoeve van de uitvoering dienen door de aannemer te worden bepaald.

(...)

3 Te controleren documenten door [naam6]

Tenzij expliciet en schriftelijk anders is overeengekomen controleert [naam6] de door de aannemer vervaardigde documenten m.b.t. de draagconstructies - die op de bestek- en werktekeningen van [naam6] zijn aangegeven - met uitzondering van de bouwkundige constructies, constructies ten behoeve van installaties en hulpconstructies ten behoeve van de uitvoering. Alleen de in het gegevensverstrekkingschema opgenomen documenten zullen door [naam6] worden gecontroleerd, mits de omvang van de documentenset de hoeveelheid die in het gegevensverstrekkingschema (zie 5.5.) is overeengekomen, niet wezenlijk overschrijdt. Werkplannen, keuringsplannen, buigstaten, hoeveelhedenstaten en dergelijke worden niet gecontroleerd.

(...)

5.4

Controle werktekeningen door de aannemer

De aannemer is verplicht om alle door [naam6] als definitief verstrekte werktekeningen voor de aanvang van de uitvoering van het desbetreffende onderdeel te controleren. Deze controle betreft zowel de door [naam6] verstrekte tekeningen als de door of namens de aannemer vervaardigde tekeningen. Eventuele afwijkingen ten opzichte van tot de overeenkomst behorende stukken moeten schriftelijk aan de directie worden gemeld. Kosten als gevolg van het niet, onvoldoende of te laat controleren van de ter beschikking gestelde tekeningen komen niet voor verrekening in aanmerking.

(...)

5.11

Verantwoordelijkheden tekeningen en/of berekeningen

Voor die draagconstructies en draagconstructieonderdelen waarvan de tekeningen en/of berekeningen door of namens de aannemer worden gemaakt, geldt dat de aannemer verantwoordelijk is voor (het opstellen van) deze documenten, alsmede voor de constructieve samenstelling, de gekozen constructiewijze, uitvoering en maatvoering van die draagconstructies. Dit ongeacht goedkeuring door [naam6] / directie.

(...)

6.1.4

Detailberekeningen algemeen

In de detailberekeningen moeten alle externe krachten en invloeden, inclusief bouwfase, zijn beschouwd. De detailberekeningen moeten de gekozen dimensies gedetailleerd verifiëren. De detailberekeningen moeten zijn opgezet aan de hand van de hoofdberekeningen. De in de hoofdberekening externe samenhang vastgelegde uitwendige krachten en invloeden moeten zijn uitgewerkt naar een inwendige krachtsverdeling in de constructie. Voor alle (maatgevende) constructieonderdelen en hun aansluitingen onderling en op draagconstructies van andere materialen moet de totale krachtswerking zijn bepaald en moeten de in de vigerende voorschriften genoemde grenstoestanden, inclusief de uitvoeringsfase, zijn gecontroleerd. Tevens moet rekening worden gehouden met de invloeden van sparingen en in te storten constructieve, bouwkundige en installatietechnische voorzieningen. Indien van toepassing geldt dat voor wat betreft de directe belastingen op de elementen rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid qua lastspreiding en onderlinge afdracht (bijvoorbeeld ravelingen). De detailberekeningen moeten zodanig zijn uitgewerkt dat zij door derden kunnen worden geïnterpreteerd en gecontroleerd.”

4.9.

In bijlage 7 bij het Toetsingsprotocol is een kruisjeslijst opgenomen met taken en verantwoordelijkheden tussen - onder meer - de aannemer en Adviseur Constructies [naam6] .

E-mails over het optimalisatieproces

4.10.

Voor de onderdelen van het werk zijn de ontwerpen meerdere keren aangepast. BAM heeft daarover verschillende e-mails aan Het Loo verzonden. In een e-mail van 19 februari 2020 heeft BAM onder meer het volgende meegedeeld:

“Ten eerste kan na het gesprek van gistermiddag geconcludeerd worden dat de UO-sets van zowel de Oostvleugel als de Ondergrondse Uitbreiding niet compleet zijn, er ontbreken nog details of er zitten nog fouten in en bovendien ontbreken (…) de aangepaste bestekken nog die essentieel zijn voor een goede gegevensoverdracht, inkoop, werkvoorbereiding en uitvoering na alle nota’s en optimalisaties. Deze bestekken hebben we uiterlijk 6 maart nodig.”

Op 19 februari 2020 heeft BAM, voor zover hier van belang, het volgende aan Het Loo bericht:

“ Oostvleugel :

De details van de oostvleugel zijn twee weken geleden besproken tussen PHL, [naam4] en BAM. De opmerkingen hebben hoofdzakelijk betrekking op de details. Op verzoek van PHL en [naam4] heeft BAM een onderscheid gemaakt tussen de aanpassingen/aanvullingen die direct gedaan moeten worden en diegene die later verwerkt kunnen worden (…).

Aanpassingen uiterlijk 6 maart:

  • Voorblad details

  • Ontbrekende detail van de aansluiting buitengevel/maaiveld conform aandachtspuntenlijst blad 6 met de folies en isolatie zie onderstaande detail

  • Detail 55.H: aanpassing muurdikte naar daadwerkelijke muurdikte conform overige details (…)

  • Detail 56.H: aanpassing muurdikte naar daadwerkelijke muurdikte conform overige details (…)

Aanpassingen uiterlijk 17 april gereed:

Aanpassingen van alle overige (…) opmerkingen, incl. bevindingen onderaannemers voor zover zij dan gecontracteerd zijn. Dit zijn de details:

o D01.V, D05.V, D06.H, D07.V, D09.V, D10.H, D11.V, D31.V, D37.V, D38.V, D39.V, D51.V, D53.H, D54.V, D63.V, D85.H, D92.H, D93.V

We hopen hiermee goede afspraken te hebben gemaakt en gaan er van uit dat hiermee duidelijkheid geschapen is. Uiteraard zullen er in de loop van het voorbereidingsproces nog aanvullende details nodig blijken te zijn, maar dat is inherent aan het proces en hoeft de procedure niet te vertragen als we daar allemaal dan goed mee omgaan.”

In een e-mail van 17 maart 2020 heeft BAM onder meer het volgende aan Het Loo meegedeeld:

“ 3. Stand tekenwerk tov afspraken van 18 februari

a. Aantal zaken zijn conform afspraak afgehandeld maar de volgende punten nog niet of behoeven nog veel aandacht:

i. Details en nieuwe plattegronden mbt de dakbedekking: deze zijn besproken met [naam4] en toegezegd is dat deze eind deze week worden aangeleverd. Ons verzoek was om dit op 6 maart gereed te hebben (…) Na verstrekking van de tekeningen beoordelen we de tekeningen en mochten daar afwijkingen in zitten tov de offerte, dan komen we daar bij u op terug. Het is van groot belang dat we nu op korte termijn opdracht krijgen voor deze variant (…) om vertragingen te voorkomen of beperken.

ii. (…)

iii. (…)

iv. Alle overige opmerkingen zouden 20 maart verwerkt zijn, dat is eind deze week, dus nog even afwachten of worden aangepast nadat er afstemming is geweest met de betrokken onderaannemers.

v. Details buitenmuur Oostvleugel: zoals eerder aangegeven was het metselwerk daarvan niet goed ondersteund en dient nog uitgezocht te worden.

4 Bestek

a. We hebben een aangepast bestek gekregen van de oostvleugel, maar al snel bleek dat veel zaken daarin nog niet waren aangepast. Ook dit zal worden opgepakt vanuit het werktekening overleg, maar is wel essentieel voor een goed bouwproces. (…).

5. Verschillen TO/UO

a. Tot slot zal er nog gekeken moeten worden naar de verschillen tussen het UO (aanbiedingen van de diverse stelposten) en de UO-tekeningen. Wij gaan er van uit dat PHL zal komen met een VTW waarin alle wijzigingen tussen het huidige tekenwerk en de documenten waarop de aanbiedingen zijn gebaseerd worden verstrekt, zodat we deze financieel en mogelijk planning technisch kunnen beoordelen.”

Een e-mail van 26 maart 2020 van BAM aan Het Loo houdt onder meer het volgende in:

“Na ons interne projectteamoverleg gistermiddag leek het ons verstandig nog even terug te komen op onderstaande mail om nogmaals duidelijk te maken, wie welke verantwoordelijkheid heeft na afronding van de groen/gele lijst, daar hier dan geen misverstanden over kunnen bestaan.

Met onderstaande mail en de laatste opmerkingen van Leo omtrent de begroting (welke nog volgen) lijkt de groen-gele lijst van de ondergrondse uitbreiding bijna te kunnen worden afgerond. (…) Vervolgens dient de groen gele lijst door Paleis het Loo verwerkt te worden in de UO-stukken. De uitgewerkte UO-stukken inclusief stempeling van PHL dienen bij BAM ter goedkeuring te worden aangeboden. (…) Deze stukken dienen op het overeengekomen niveau (conform richtlijn kwaliteit tekenwerken) te worden aangeleverd en daarbij dient er een VTW verstrekt te worden waarin alle verschillen en aanpassingen zijn aangegeven t o.v. de gecontracteerde TO-stukken. Dit wordt door BAM beoordeeld en zo nodig de consequenties hiervan inzichtelijk gemaakt in tijd, geld en kwaliteit. Na overeenstemming omtrent de UO-stukken kan BAM starten met zijn inkoop, voorbereiding en productie.

Ten aanzien van de groen-gele lijst van de afbouw oostvleugel geldt eveneens bovenstaande, echter is er hier nog een onbekende grote post zoals omschreven in de mail d.d. 17-03-2020 (…) (neggekanten bij de buitenkozijnen). Tot op heden hebben wij nog niet vernomen hoe Paleis het Loo hiermee om wil gaan.”

Overeenstemming en wijzigend tijdspad afzonderlijke Onderdelen

4.11.

Voor Onderdeel A, Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding, is de aanbieding van BAM van 20 november 2018 met de aannemingsovereenkomst aanvaard. In bijlage 4 is een gegevensbehoefteschema d.d. 26 november 2018 opgenomen, waaruit volgt welke gegevens op welk moment door Het Loo dienden te worden aangeleverd om de werkzaamheden conform planning te kunnen voorbereiden en uitvoeren. Het definitief UO moest worden verstrekt op 1 februari 2019. In de aannemingsovereenkomst zijn partijen een realisatie op 22 februari 2020 overeengekomen.

4.12.

Voor Onderdeel B, Afbouw Ondergrondse Uitbreiding, zijn partijen in de aannemingsovereenkomst overeengekomen dat de bouwteamfase uiterlijk op 7 januari 2019 moet hebben geresulteerd in een goedgekeurd TO. Het TO is verstrekt op 24 mei 2019 (met laatste aanvullingen op 20 september 2019). BAM heeft hiervoor op 26 november 2019 de laatste aanbieding gedaan. In de aanbiedingsbrief is opgenomen dat eventuele VTW’s zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 29 januari 2020 correct moeten worden geïntegreerd in het UO en dat het UO uiterlijk op 3 februari 2020 moet zijn afgerond. Bijlage 6 bij de aanbiedingsbrief bevat voor de gegevensverstrekking een roulatieschema of uitvoeringsplanning. De aanbieding is op 28 november 2019 door Het Loo aanvaard. Op 17 juni 2020 is door Het Loo een laatste op het UO aangepast bestek verstrekt. De overeengekomen opleverdatum is 23 juli 2021.

4.13.

Voor Onderdeel C, Kantoorvleugel, Energiegebouw en Luchtbrug, zijn partijen in de aannemingsovereenkomst overeengekomen dat de bouwteamfase uiterlijk op 17 december 2018 moet hebben geresulteerd in een goedgekeurd TO. Het TO is verstrekt op 7 mei 2019 (met laatste aanvullingen op 12 juni 2019). Voor de constructie van het energiegebouw heeft BAM op 19 april 2019 haar laatste aanbieding gedaan. Een bijgevoegde planning geeft inzicht in de doorlooptijd, maar de startdatum en daarmee ook de einddatum moet nog worden bepaald. De aanbieding is door Het Loo op 16 mei 2019 aanvaard. Voor de kantoorvleugel en afbouw van het energiegebouw heeft BAM op 2 juli 2019 een aanbieding gedaan. BAM schrijft dat zij ervan uitgaat dat de gehanteerde uitgangspunten in de begroting en vragen uit de nota’s binnen 2 weken zijn verwerkt op de herziene TO-stukken (tekeningen, details, bestek en het model) en dat de huidige situatie in het kantoor anders is dan aangegeven in de stukken welke ten grondslag liggen aan de aanbieding, zodat zij graag in overleg treedt over de scope en planning. Als bijlage is een planning ‘ATS kantoor en energiegebouw (versie 9 d.d. 03-07-2019)’ bijgevoegd. Volgens planning moest het definitief UO op 9 september 2019 gereed zijn. Op 16 juli 2019 heeft Het Loo de aanbieding aanvaard en de opdracht tot uitvoering verstrekt per 18 juli 2019. De overeengekomen opleverdatum is 23 juli 2021 (‘eerder of gelijk, maar in elk geval niet later (…) dan de opleverdatum welke voor de stelposten afbouw ondergrondse uitbreiding en oostvleugel wordt overeengekomen’). In de acceptatiebrief staat verder dat na het gereedkomen van het UO voor de Kantoorvleugel een definitieve planning zal worden overeengekomen voor nader genoemde VTW’s en eventuele financiële afwijkingen tussen TO en UO.

4.14.

Voor Onderdeel D, Oostvleugel, zijn partijen in de aannemingsovereenkomst overeengekomen dat de bouwteamfase uiterlijk op 14 december 2018 moet hebben geresulteerd in een goedgekeurd TO. Het TO is verstrekt op 8 juli 2019 (met laatste aanvullingen op 30 oktober 2019). Voor de constructie van de Oostvleugel heeft BAM op 2 augustus 2019 haar laatste aanbieding gedaan. Als bijlage is een planning ‘ATS constructie oostvleugel (versie 9 d.d. 03-07-2019)’ meegestuurd. Volgens de planning moest het definitief UO ruwbouw op 18 september 2019 gereed zijn. Deze aanbieding is op 25 september 2019 aanvaard, waarbij Het Loo schrijft dat de opdracht al per 25 juli 2019 door BAM is aanvaard. In de acceptatiebrief heeft Het Loo vermeld dat BAM de voorbereidingen voor dit onderdeel reeds in gang heeft gezet op basis van de huidige UO tekeningen. Dit UO is gebaseerd op de reeds door BAM gecontroleerde herziene TO, 3 nota’s van inlichtingen, de hoofdberekening en overige bijlagen die zijn verstrekt via Docstream. Het Loo kondigde aan dat het bijpassend VTW zo spoedig mogelijk wordt verstrekt. Verder heeft Het Loo bij de aanvaarding te kennen gegeven dat de planning moet worden herzien en besproken en dat de afbouwplanning van de Oostvleugel geen onderdeel uitmaakt van de opdracht.

Voor de afbouw heeft BAM op 20 november 2019 haar laatste aanbieding gedaan. In de aanbiedingsbrief staat dat partijen een wederzijdse inspanningsverplichting hebben afgesproken om te onderzoeken of het mogelijk is de oplevering te versnellen en dat het los van eventuele versnelling van groot belang is dat eventuele VTW’s zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 17 januari 2020 correct worden geïntegreerd in het UO. BAM heeft daarbij gewaarschuwd dat de op verzoek van Het Loo gehanteerde doorlooptijden volgens haar te kort zijn en dat processtappen worden overgeslagen. Bijlage 1 bij de aanbiedingsbrief is een groen-gele lijst met ‘aandachtspunten en opmerkingen nav voorlopige begrotingen en wat nu meegenomen wordt in begroting of later in VTW’. Als bijlage 6 is een ‘uitvoeringsplanning afbouw Oostvleugel (v3 d.d. 19-11-2019)’ meegezonden. Bijlage 7 is een roulatieschema. Daaruit volgt dat tegelijkertijd met het uitwerken van de TO’s naar UO’s de bij de wijzigingen behorende VTW’s moesten zijn afgehandeld. Volgens de planning moest het definitief UO afbouw op 20 januari 2020 zijn voltooid. Deze aanbieding is op 21 november 2019 aanvaard. Op 26 oktober 2020 is door Het Loo een laatste op het UO aangepast bestek verstrekt. De overeengekomen opleverdatum voor de Oostvleugel is 31 mei 2021.

4.15.

Voor Onderdeel D, Westvleugel, zijn partijen in de aannemingsovereenkomst overeengekomen dat de bouwteamfase op 7 januari 2019 moet hebben geresulteerd in een goedgekeurd TO. Het TO is verstrekt op 20 augustus 2019 (met laatste aanvullingen op 4 december 2019). BAM heeft hiervoor haar laatste aanbieding op 24 januari 2020 gedaan. In de aanbiedingsbrief staat dat het van groot belang is dat het uitvoeringsgereed ontwerp inclusief werkbestek UO (zowel bouwkundig als constructief) uiterlijk 9 maart 2020 is afgerond. BAM kondigt daarbij aan dat de gehele Westvleugel ‘on hold’ wordt gezet, als blijkt dat dit niet voldoet aan het overeengekomen niveau of deze datum niet wordt gehaald en dat de consequenties daarvan door Het Loo worden gedragen en vergoed. BAM merkt ook op dat een aantal uitgangspunten en uitwerkingen vanuit Het Loo niet volledig zijn (opgenomen op een lijst van aandachtspunten in bijlage 1) en dat één toegevoegd uitgangspunt uiterlijk 7 februari 2020 verwerkt moet zijn middels een opgedragen VTW met aangepaste wapeningstekeningen. Bijlage 6 is een ‘Uitvoeringsplanning Westvleugel (v3 d.d. 24-1-2020)’. Volgens de planning moest het definitief UO op 9 maart 2020 beschikbaar zijn. Op 8 oktober 2020 is door Het Loo een laatste op het UO aangepast bestek verstrekt. De overeengekomen opleverdatum is 5 juli 2021.

4.16.

Als laatste is het UO voor de afbouw van de Oostvleugel aangepast. In verband met de door Het Loo doorgevoerde optimalisaties of wijzigingen, heeft BAM op 21 augustus 2020 een ‘aanbieding voor de vertraging Oostvleugel en Wijzigingen TO-UO’ gedaan. Als bijlage is een meer- en minderwerkformulier meegezonden (hierna: MM-2255). De aanbiedingsbrief houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Hierbij ontvangt u de aanbieding voor de vertraging Oostvleugel en Wijzigingen TO-UO. Dit is een gecombineerde opstelling voor de actuele vertraging en wijzigingen in de uitwerking van de TO- naar UO-stukken.

Toelichting kostenopstelling:

Vertraging

De contractuele deadlines voor het aanleveren van de UO’s, compleet en afgrond, zijn niet behaald. De overschrijding voor het UO van de Oostvleugel is maatgevend voor de oplevering. Huidige vertraging in dit UO is 28 weken.

Overige parallelle vertragingen zijn 1) MM2166 PW2-122 Mutaties staalconstructie Oostvleugel en 2) diverse reguliere planwijzigingen. Deze zijn niet meegenomen in deze aanbieding.

Wijzigingen TO-UO

In de verstrekte UO stukken zijn aanvullende wijzigingen verwerkt, ten opzichte van de TO contracten. Deze aanvullende scope leidt tot meerkosten en extra bouwtijd. De kosten bestaan uit DBK, ABK en tijdgebonden kosten. De extra benodigde bouwtijd wordt ingeschat op 5-13weken.

Bovenstaande punten leiden tot een gecombineerde vertraging van 33 weken op het kritieke pad. (…)”

4.17.

In week 36 van 2020 (de week van maandag 31 augustus 2020) is BAM gestart met de werkvoorbereiding.

4.18.

Bij brief van 4 november 2020 heeft Het Loo gereageerd op de aanbieding voor de vertraging Oostvleugel en Wijzigingen TO-UO. Het Loo heeft de aanbieding afgewezen en meegedeeld dat dit betekent dat de opleverdatum voor de Oostvleugel 31 mei 2021 blijf en de opleverdatum voor de laatste deelopleveringen 23 juli 2021. Bij deze brief is een memo van 3 november van haar advocaat gevoegd.

4.19.

Op 23 december 2020 is er mondeling overeenstemming bereikt over de directe kosten die met de wijzigingen van de UO’s waren gemoeid. Op 2 december 2021 heeft Het Loo schriftelijk de meerwerkopdracht (directe kosten) verstrekt.

4.20.

BAM heeft de uitvoeringsplanning op 15 januari 2021 herzien en met Het Loo gedeeld. In de toelichting op de 15 januari-planning heeft BAM, voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld:

“Deze memo is opgesteld ter begeleiding van de herziene uitvoeringsplanning BAM voor perceel 2 dd. 08-01-2021 status Concept. De contractschema’s uit de TO fase zijn hiervoor aangepast op de wijzigingen in het door PHL verstrekte uitvoeringsontwerp (UO). De schema’s van de contractdeel B C en D zijn samengevoegd tot één integrale planning. In deze memo worden de wijzigingen per deel toegelicht.

(…)

De planning bestaat uit twee delen; de contractmijlpalen en de realisatieplanning voor perceel 2, zodat inzichtelijk is hoe de planning zich verhoudt tot de contractuele mijlpalen.

CONTRACTMIJLPALEN

Zoals beschreven in de aanbieding voor MM2255 is uitloop ontstaan in de planning door het niet behalen van de contractuele deadlines voor het aanleveren van de UO’s door PHL en het toevoegen van extra scope middels wijzigingen vanuit PHL.

Deze uitloop is op basis van de data waarop de definitieve UO sets en planwijzigingen zijn verstrekt, doch niet overeengekomen, verwerkt als mijlpaal. Werkvoorbereiding en Uitvoering starten opeenvolgend conform de contractplanningen (TO). De doorlooptijd is aangepast op de verstrekte planwijzigingen en of wijzigingen uit de UO set.

REALISATIEPLANNING

BAM is week 36-2020 gestart met de werkvoorbereiding van de verstrekte UO sets, dit zonder overeenstemming met PHL en onder voorwaarde zoals onder andere omschreven in de mail vervolg MW 2255 dd. 22-09-2020.

Ter bescherming van haar positie en het beperken van schade heeft BAM een versnelde planning ten opzichte van de contractsmijlpalen opgesteld. Dit betreft een ambitie waarin de UO stukken, werkvoorbereiding en uitvoering zijn geoptimaliseerd, dit gaat gepaard met extra inzet en hogere risico’s voor BAM. Dit leidt achtereenvolgens tot onderstaande aanpassing in de contractplanningen.

(…)

Concluderend leidt bovenstaande tot de volgende opleverdata:

Onderdeel

Contractmijlpaal

Realisatieplanning

Deel B Ondergrondse uitbreiding

25-08-2022

26-04-2022

Deel C Renovatie kantoorvleugel en energiegebouw

14-09-2022

29-10-2021

Deel D Oostvleugel

31-08-2022

18-02-2022

Deel D Westvleugel

16-09-2022

23-12-2021

(…)”

4.21.

In een brief van 23 april 2021 heeft BAM aan Het Loo melding gemaakt van nieuwe vertragingen, daarover haar zorgen geuit en Het Loo opgeroepen ervoor te zorgen dat verdere vertragingen worden voorkomen. Daarnaast heet BAM voor Onderdeel D, Westvleugel, aanspraak gemaakt op bouwtijdverlenging tot 23 februari 2022. BAM maakt melding van vertraging als gevolg van vele aanvullende bestekswijzigingen na de 15 januari-planning en twee belangrijke verstoringen in de uitvoering van het werk aan de Westvleugel. Daarbij geeft BAM aan te verwachten dat het gehele werk hierdoor vertraging zal oplopen.

4.22.

In een brief van 10 juni 2021 heeft BAM opnieuw melding gemaakt van vertragingen en aanspraak gemaakt op bouwtijdverlenging voor Onderdeel D, Oostvleugel, tot 12 augustus 2022. BAM maakt melding van aanvullende bestekswijzigingen, waardoor er nieuwe verstoringen in de uitvoering van het werk aan de Oostvleugel ontstaan, meer bijzonder door planwijziging PW2-282.

4.23.

In een brief van 16 juli 2021 heeft BAM wederom melding van vertragingen in het gehele werk. Daarbij is een nieuwe uitvoeringsplanning van 9 juli 2021 meegezonden. De realisatiedatum voor Onderdeel B, Ondergrondse Uitbreiding, is bepaald op 23 augustus 2022, voor Onderdeel C, Kantoorvleugel, Energiegebouw en Luchtbrug, op 6 april 2022, voor onderdeel D, Oostvleugel, op 17 augustus 2022, voor onderdeel D, Westvleugel, op 3 februari 2022. Deze uitvoeringsplanning resulteert volgens deze brief in 23 augustus 2022 als opleverdatum voor het werk.

4.24.

Op 14 april 2022 heeft BAM de uitvoeringsplanning opnieuw herzien. De opleverdatum van het werk is daarin verschoven naar 17 maart 2023.

4.25.

Op 14 juli 2022 heeft BAM een versnellingsplanning aangeboden. Daarop is door Het Loo in een e-mail van 18 juli 2022 akkoord gegeven. Deze e-mail houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“BAM is verantwoordelijk voor het realiseren en coördineren van de benodigde versnellingsmaatregelen van onderaannemers en nevenaannemers om te komen tot een oplevering voor de ondergrondse uitbreiding uiterlijk per 23-12-2022. PHL zal BAM hiervoor een bedrag van € 275.000,- excl. BTW betalen.

Volledigheidshalve: zoals ook opgemerkt in mijn mail van 22 mei 2022, is PHL van oordeel dat hij hiertoe niet verplicht is. Uit het accoord op de planning en de betaling voor de versnellingsmaatregelen mag dus niet worden afgeleid dat PHL meent dat BAM recht heeft op termijnsverlenging en/of vergoeding van de kosten om te komen tot een oplevering in december 2022.”

4.26.

Op 31 mei 2022 heeft op verzoek van BAM een opleveringsopname van de Oostvleugel, plaatsgevonden. Op 1 juni 2022 heeft Het Loo een lijst met restpunten verstrekt. Het Loo heeft op 7 juni 2022 laten weten het werk niet goed te keuren in verband met gebreken die op deze restpuntenlijst staan. In een brief van 4 juli 2022 heeft BAM zich op het standpunt gesteld dat Het Loo het werk ten onrechte heeft afgekeurd. In een brief van 18 juli 2022 heeft Het Loo aan BAM toegelicht waarom de Oostvleugel volgens haar op 31 mei 2022 nog niet opleveringsgereed was. Op 17 november 2022 heeft een tweede opneming plaatsgevonden. Het Loo heeft zich in een brief van 5 januari 2023 op het standpunt gesteld dat de Oostvleugel toen wel opleveringsgereed was en dat het opnamerapport kan worden beschouwd als een restpuntenlijst.

4.27.

Op 13 december 2021 heeft op verzoek van BAM een opleveringsopname van de Westvleugel plaatsgevonden. Het Loo heeft een opnamelijst opgesteld en haar goedkeuring in verband met de daarin opgenomen restpunten geweigerd. BAM heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 27 januari 2022 heeft een nieuwe opname plaatsgevonden, op basis waarvan Het Loo de Westvleugel heeft aanvaard.

4.28.

De Ondergrondse Uitbreiding is opgeleverd op 22 december 2022.

Lateien

4.29.

Het Loo heeft ingenieursbureau [naam5] opdracht gegeven voor het constructief ontwerp. [naam5] heeft daarvoor samengewerkt (onder-opdrachtneming) met ingenieursbureau [naam6] (constructies) en [naam7] (bouwfysica en brandveiligheid). [naam6] was hoofdconstructeur. BAM heeft zich voor het constructief aspect laten adviseren door ingenieursbureau [naam8] . [naam8] was deelconstructeur. [naam6] en [naam8] behoorden tot dezelfde groep van ondernemingen ( [naam9] ) en gingen vanaf 1 september 2018 met een derde samen onder de naam [naam8] . [naam8] is in juli 2019 een samenwerking gestart met advies- en ingenieursbureau [naam10] en heet sinds 2021 ook [naam10] . Daarmee is [naam10] feitelijk zowel hoofdconstructeur (voor Het Loo) als deelconstructeur (voor BAM). Waar [naam10] optrad voor Het Loo zijn partijen haar gaan aanduiden als [naam10] -PHL. Waar [naam10] optrad voor BAM zijn partijen haar gaan aanduiden als [naam10] -BAM.

4.30.

In de Hoofdberekening Ondergrondse Uitbreiding (TO3) van [naam10] -PHL zijn waarden opgenomen voor belastingen die de lateien in de eindsituatie moeten kunnen dragen (paragraaf 2.8). De maatvoering (400 x 2190 mm) en de betonkwaliteit (C35/45) is op de vormtekeningen 4 en 5 weergegeven.

4.31.

Tijdens de ruwbouw van de Ondergrondse Uitbreiding heeft BAM naar aanleiding van in het werk vastgestelde scheurvorming haar eigen ingenieursbureau BAM Advies & Engineering (hierna: BAM A&E) een second opinion laten uitvoeren op de constructieve stukken. Daarbij zijn bij de beoordeling van de lateien (van de wanden 7-8-2 en 8-9-2) twijfels ontstaan over de constructieve sterkte. De verdere werkzaamheden op het dek zijn ter voorkoming van extra belastingen per direct gestaakt. Dat is door BAM aan Het Loo gemeld per mail van 19 februari 2021. BAM heeft Het Loo gevraagd haar hoofdconstructeur een beoordeling te laten uitvoeren.

4.32.

BAM heeft bij brief van 4 maart 2021 formeel verzocht om bouwtijdverlenging en aanspraak gemaakt op vergoeding van (stagnatie)schade. Zij heeft gewezen op de ondeugdelijkheid van het door Het Loo verstrekte ontwerp van de constructie. Het Loo heeft op 12 maart 2021 gereageerd. Deze reactie houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“U merkt tevens in uw brief op dat dit overleg niet tot verschuiving van ontwerpverantwoordelijkheid tussen BAM en Paleis Het Loo kan leiden. Paleis Het Loo acht dit een juist uitgangspunt. Anders dan u in uw brief suggereert, neemt Paleis Het Loo weldegelijk zijn verantwoordelijkheid conform de contractuele afspraken.”

4.33.

In het daaropvolgende proces zijn herstelwerkzaamheden door [naam10] -PHL bepaald die noodzakelijk zijn om de lateien geschikt te maken voor het dragen van de belastingen in de eindfase. Deze zijn door [naam10] -PHL na afstemming met BAM over uitvoeringsaspecten definitief gemaakt en vastgelegd in een memo over de herstelwerkzaamheden. Omdat Het Loo geen overeenstemming met BAM kon bereiken over het uitvoeren van deze werkzaamheden is besloten deze niet aan BAM maar aan derden op te dragen. Het stralen van het beton is door Het Loo opgedragen aan [naam11] , het uitvoeren van het betonwerk voor het verbreden van de lateien aan [naam12] (hierna: [naam12] ). Bij de voorbereiding van de werkzaamheden door [naam12] is door [naam10] -PHL bij de lateien in de oostzijde van de wand 7-8-2 vastgesteld dat de dwarskrachtwapening niet overeenkomstig de wapeningstekening is uitgevoerd. Op basis hiervan zijn door [naam10] -BAM aangepaste voorzieningen bepaald aanvullend op de eerder vastgelegde herstelwerkzaamheden.

4.34.

Een e-mail van 14 september 2021 van BAM aan Het Loo bevat een weergave van afspraken die volgens haar zijn gemaakt op een overleg op 8 september 2021. Daarin is onder meer opgenomen:

“Vertragingen na 15-01-2021

  • Alle vertraging van afgelopen half jaar is besproken tussen PHL en BAM

  • BAM heeft hierover brieven gestuurd met verzoek om bouwtijdverlenging.

  • De brief van de westvleugel is beantwoord door PHL, verschil is enorm.

  • Overige brieven zullen van gelijke strekking zijn, behoudens de impact van de lateien. Deze laatste wordt door PHL erkend waar zij verantwoordelijk voor is.”

Daarop is in een e-mail van diezelfde dag door Het Loo als volgt gereageerd:

“Dank voor je aantekeningen, voor het overgrote deel komt het overeen met mijn aantekeningen. Ik heb op een aantal punten opmerkingen/ nuances toegevoegd, laten we het donderdag even over die nuances hebben.”

Bij de aantekening over de lateien zijn geen opmerkingen of nuances geplaatst.

4.35.

Het Loo heeft ingenieursbureau [naam13] (hierna: [naam13] ) opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar de vraag welke fout heeft geleid tot het gebrek aan wapening in de lateien. [naam13] heeft haar bevinden opgenomen in een notitie van 22 december 2021. Deze notitie houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“ 6 Conclusie

1. De berekening van de wapening in de latei valt volgens de verdeling van taken en verantwoordelijkheden in het bestek onder de verantwoordelijkheid van BAM. Bij het maken van deze berekening van de wapening in de lateien heeft [naam10] - als onderaannemer van BAM - fouten gemaakt.

2. De voornaamste fout is dat de wapening die [naam10] heeft berekend volstrekt onvoldoende is. De latei is met de berekende wapening niet in staat om de voorgeschreven belasting op te nemen.

3. Doordat BAM fouten in de berekening heeft gemaakt en deze fouten pas zijn opgemerkt nadat de lateien waren gerealiseerd, moeten de lateien worden versterkt door verbredingen aan de bestaande lateien aan te brengen waarin de vereiste wapening kan worden aangebracht. Dit zijn zeer ingrijpende maatregelen waardoor de fout in de wapeningsberekening heeft geleid tot forse meerkosten en een grote impact op de uitvoering.”

4.36.

Het Loo heeft het rapport van [naam13] op 23 december 2021 aan BAM toegezonden en in een begeleidende brief (‘Ingebrekestelling onvoldoende wapening lateien’) gemeld dat, anders dan eerder is aangenomen, duidelijk is geworden dat het gebrek is veroorzaakt door fouten in de wapeningsberekening van BAM en dat zij niet langer reden ziet om de herstelwerkzaamheden voor haar rekening te laten komen. Zij heeft meegedeeld dat BAM op grond van paragraaf 6 lid 7 UAV 2012 verplicht is om voor eigen rekening de noodzakelijke herstelwerkzaamheden uit te voeren en zij heeft [naam12] de werkzaamheden per 23 december 2021 laten beëindigen. Daarbij heeft zij opgemerkt dat het BAM vrijstaat te verkennen of [naam12] bereid is de werkzaamheden in opdracht van BAM voort te zetten. Bij brief van 17 januari 2022 heeft BAM gereageerd en herhaald dat sprake is van een ontwerpprobleem, zoals eerder door Het Loo is erkend. Zij heeft verder meegedeeld dat door het stilleggen van alle werkzaamheden van [naam12] hoe dan ook stagnatie(schade) ontstaat en dat deze werkzaamheden op het kritieke pad liggen, zodat de eindoplevering daardoor zal vertragen. Het Loo heeft daarop gereageerd dat geen sprake is geweest van erkenning en BAM gesommeerd de herstelwerkzaamheden te (laten) continueren, bij gebreke waarvan zij dat zelf zal gaan doen, voor rekening van BAM. In opdracht van Het Loo heeft [naam12] haar werkzaamheden eind maart 2022 weer opgestart.

4.37.

Naar aanleiding van het rapport van [naam13] en het standpunt van Het Loo heeft BAM [naam10] gevraagd onderzoek te doen naar de oorzaak van het probleem ten aanzien van de lateien. [naam10] heeft haar bevindingen opgenomen in een memo van 23 februari 2022 (hierna: de memo van [naam10] ), dat onder meer het volgende inhoudt:

“6 CONCLUSIES [naam10] PHL OORZAAK PROBLEMATIEK LATEIEN WANDEN 7-8-2 EN 8-9-2

[naam10] PHL komt op basis van een beoordeling van het verloop van het ontwerpproces tot de volgende conclusies

1) In de fase van het opstellen van het Technisch Ontwerp 03 is door [naam10] PHL in onderaanneming van [naam5] onvoldoende aandacht besteed aan het vastleggen van de constructieve voorwaarden voor het borgen van de beoogde belastingafdracht van de stalen liggers naar de betonwanden 7-8-2 en 8-9-2 naar de betonnen onderbouw behorende bij het ontwerp 3D rekenmodel. Het betreft de onderstaande aspecten a en b.

a) Het niet toetsen van het al dan niet maatgevende zijn van de optredende momenten en dwarskrachten in de vloerschijf van het dek bij de beoogde belastingafdracht van het ontwerp 3D rekenmodel behorende bij het Technisch Ontwerp 03.

Omdat deze momenten en dwarskrachten, ten opzichte van de reguliere wijze van het berekenen van wapening op en in de breedplaten onder enkel een directe belastingafdracht tussen de stalen liggers, maatgevend zijn voor de bepaling van de wapening in en op de breedplaten had informatie hierover onderdeel moeten uitmaken van de documenten behorende bij het Technisch Ontwerp 03.

b) Het niet voorschrijven van een benodigde tijdelijke onderstempeling van de stalen liggers tijdens het storten van de druklaag van de breedplaten van het dek.

Bij de beoogde belastingafdracht volgens het ontwerp 3D rekenmodel behorende bij het Technisch Ontwerp 03 moet de breedplaatvloer vloer van het dek samen met de stalen liggers als vloerschijf de belasting afdragen naar de onderbouw en fundering. Omdat deze beoogde samenwerking pas ontstaat na het storten en verharden van de betonnen druklaag is bij het toepassen van een stempelloze breedplaat vanuit het ontwerp het voorschrijven van een tijdelijke stempeling van de stalen liggers noodzakelijk. Bij het verwerken van het toepassen van een stempelloze breedplaat volgens de op 4 april 2018 overeengekomen optimalisaties en bezuinigingen (…) in het Technisch Ontwerp 03 had informatie over een tijdelijke onderstempeling van de verwerkt moeten worden.

2) De continue stroom van wijzigingen in de opzet van de draagstructuur aanvullend, aan de op 4 april 2018 vastgelegde en overeengekomen optimalisaties en bezuinigingen voor het casco van de ondergrondse uitbreiding (...), heeft geleid tot het ontbreken van informatie over het gehanteerde 3D rekenmodel in de hoofdberekening (...) behorende bij het ondertekende contract (...)”

4.38.

Het Loo heeft de memo van [naam10] voorgelegd aan [naam13] . [naam13] heeft daarop in een notitie van 5 mei 2022 als volgt gereageerd:

“ 4 Resumé conclusies [naam13]

BAM had de taak om de hoeveelheid wapening in de lateien te berekenen. Alle benodigde informatie stond in het Bestek en hiermee had BAM/ [naam10] -BAM eenvoudig en correct de benodigde hoeveelheid wapening in de lateien kunnen berekenen. [naam10] -BAM heeft deze berekening niet goed uitgevoerd waardoor de berekende hoeveelheid wapening veel te laag is.”

4.39.

De (beroepsaansprakelijkheids)verzekeraar van [naam10] heeft [naam14] (hierna: [naam14] ) gevraagd om vanuit bouwkundig/constructief perspectief een oordeel te geven over de verantwoordelijkheid en daarmee over de eventuele aansprakelijkheid van de adviseurs ( [naam10] -PHL en [naam10] -BAM). In het rapport van [naam14] 8 februari 2023 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“ 6 Samenvatting

De kern van het probleem is gelegen in een overschatting van de juistheid van het 3D-rekenmodel. De uitkomsten zijn door [naam10] PHL voor waar aangenomen. Voor zover gebruik gemaakt wordt van rekenmodellen, dient de ontwerpend constructeur ( [naam10] PHL) zich te realiseren dat het maar een model is en dat de uitkomsten te allen tijde gecontroleerd moeten worden middels globale handberekeningen (...). (...) Wat de zaak compliceert is dat de ene detailengineer niet met het rekenmodel is verder gegaan ( [naam10] BAM Apeldoorn) en de andere detailengineer wel ( [naam10] BAM vestiging Nieuwegein).

De detailengineers ( [naam10] BAM vestiging Apeldoorn en [naam10] BAM vestiging Nieuwegein) hadden zich bij aanvang van hun werkzaamheden onder leiding van de coördinerend constructeur ( [naam10] PHL) moeten oriënteren op de krachtsafdracht in de constructie en in samenspraak een keuze moeten maken hoe zij de detailengineering zouden gaan uitvoeren. Bij een hoofdberekening bestaande uit een 3D-rekenmodel is er weinig keuze: dit model dient nauwgezet gevolgd te worden.

Hierbij dient bedacht te worden dat indien [naam10] BAM (Apeldoorn en Nieuwegein) het rekenmodel wel volledig zouden hebben gevolgd, de uitkomsten eveneens onjuist zouden zijn geweest ivm. onjuistheden in het beschikbaar gestelde rekenmodel.

Met betrekking tot de juistheid van het rekenmodel stelt [naam10] PHL in haar notities dat zij verzuimd heeft de daarbij behorende randvoorwaarden mee te geven, waar onder het tijdelijk onderstempelen van de stalen liggers. Er kan dan ook gesteld worden dat het rekenmodel niet paste op de wens om stempelloos te bouwen en dus niet juist was. Hoe het ook zij: de modellering het 3D-rekenmodel komt onvoldoende overeen met de werkelijkheid, ic. met gevolgde uitvoeringsmethode.

Kort samengevat

- Ontwerpend constructeur [naam10] PHL heeft verzuimd om verificatie berekeningen te maken en heeft een foutief rekenmodel overgedragen aan [naam10] BAM, dan wel verzuimd de randvoorwaarde te verstrekken waar onder het model beter zou passen op de werkelijkheid.

- Coördinerend constructeur [naam10] PHL heeft toegestaan dat detailengineer [naam10] BAM Apeldoorn is afgeweken van de dwingende noodzaak om consequent met het model verder te rekenen.

- Ontwerpend constructeur [naam10] PHL is akkoord gegaan met een detailengineer (oa. voor de lateien), die een en dezelfde persoon is als de opsteller van het rekenmodel. [naam10] PHL doet daarmee afbreuk aan het vier ogen principe.”

Scheurvorming & lekkages

4.40.

In opdracht van Het Loo is de ondergrondse bouwkuip gerealiseerd door [naam1] . Partijen zijn in de aannemingsovereenkomst overeengekomen dat Het Loo ervoor zorgt dat BAM tijdig kan beschikken over de casco bouwkuip en dat deze tijdens de werkzaamheden van BAM waterdicht en stabiel blijft.

4.41.

BAM heeft in de bouwkuip als onderdeel van het opgedragen werk een betonvloer en betonwanden aangebracht. Partijen zijn overeengekomen dat de betonnen buitenkelderwanden en betonnen keldervloer dienen te voldoen aan waterdichtheidsklasse 3 conform artikel 7.3.1 van de NEN-EN-1992-3/NB. Deze waterdichtheid moest worden bereikt door een toe te passen Self Healing Agent (hierna: SHA). De hoeveelheid SHA is volgens het bestek nader te bepalen op basis van de te hanteren betonsamenstelling en de te verwachten maximale scheurwijdte van 0,15 mm. In het bestek is een garantiebepaling omtrent de waterdichtheid opgenomen, waarbij uitgangspunt is dat BAM in geval van lekkage aannemelijk dient te maken dat dit met grote mate van waarschijnlijkheid moet worden toegeschreven aan een omstandigheid die aan Het Loo kan worden toegerekend.

4.42.

In de Hoofdberekening Ondergrondse Uitbreiding (TO3) van [naam10] -PHL is over de waterdichtheid van de kelderbak onder meer opgenomen dat betonnen constructies in principe niet waterdicht zijn.

4.43.

Na de realisatie de betonvloer en betonwanden in de bouwkuip is er scheurvorming ontstaan in de wanden en vloeren, als gevolg waarvan er lekkages zijn opgetreden.

4.44.

BAM heeft BAM A&E onderzoek laten doen naar de oorzaak van de lekkages. In haar rapport van 15 januari 2021 is onder meer het volgende opgenomen:

“ 8. Conclusies

(...)

In onderstaande lijst worden puntsgewijs de belangrijkste waarnemingen dit rapport opgesomd. (...)

1. In diverse boorkernen zijn scheuren te zien groter dan 0,15mm en wordt over de hele keldervloer (...) waargenomen.

2. Op de microscopische beelden gemaakt door Intron is te zien dat ook de scheuren kleiner dan 0,15mm niet zijn dichtgegroeid door de Self Healing Agent (SHA)

(...)

13. In de scheurwijdteberekening van [naam8] lijkt één fout met significante invloed op de uitkomst te zitten. Bij het juist toepassen van de theorie zou naar mening van A&E de lange termijn scheurwijdte geen 0, 15mm maar 0,33mm moeten zijn.

14. Uit de deskstudie blijkt het wapeningspercentage in de vloer te laag te zijn gekozen om scheurvorming ten gevolge van verhinderde vervorming te voorkomen.

Er kan het volgende worden opgemerkt ten aanzien van de lekkage van de kelderwand:

1. In dit soort wanden is altijd scheurvorming ten gevolge van verhinderde vervorming te verwachten. Deze scheuren zijn ook opgetreden.

2. De scheuren die slecht te dichten waren door middel van injecteren zaten maar over een klein deel van omtrek van kelderwand.

3. Over dit deel was een overvloedige uittreding van nutriënten van de SHA zichtbaar. De oorzaak van de overvloedige uittreding van nutriënten is aan de hand van het tot nu toe uitgevoerde onderzoek niet te achterhalen.

4. De lekkage is de loop van de tijd minder geworden.

8.1

Conclusie aan de hand van bovenstaande punten:

(...)

Verticale scheurvorming

In basis ligt de verticale scheurvorming door verhinderde vervorming in de lijn van verwachting. In verband hiermee is SHA toegepast om hij de optredende scheurvorming (bij een te verwachten scheurvorming van 0,15 mm) de waterdichtheid te borgen.

Ten eerste blijkt uit de review van berekeningsmethode dat er theoretisch een scheurwijdte 0,33 mm kan optreden. Deze scheuren zullen altijd watervoerend blijven in de wetenschap dat SHA werkzaam is tot een scheurwijdte van maximaal 0,15mm.

Aan de andere kant is ook aangetoond middels het [naam17] onderzoek dat zelfs bij scheuren met een scheurwijdte van 0,15 mm nauwelijks sprake is van self healing en daarmee de scheuren onvoldoende afdichten om de lekkage te kunnen stoppen. Dit komt overeen met hetgeen waargenomen is aan de vloer.

Ten tweede lijkt de gekozen wapeningsconfiguratie op basis van de vloerdikte en aanwezige waterdruk onvoldoende. (...)”

4.45.

BAM heeft Adviesbureau [naam15] (hierna: [naam15] ) gevraagd om ondersteuning te leveren bij het onderzoek naar de oorzaak van de lekkages en om een second opinion te geven op het onderzoek dat door BAM A&E was uitgevoerd. In het rapport van 15 februari 2021 dat [naam15] naar aanleiding van haar onderzoek heeft opgesteld, is het volgende geconcludeerd:

“ 10 Slotbeschouwingen

(...) Op basis van literatuur en ervaring van ondergetekenden, is de scheurvorming primair het gevolg van de toegepaste hoeveelheid wapening. Die was te weinig om scheurvorming, zoals waargenomen en met scheurwijdten aanzienlijk groter dan 0,15 mm, te voorkomen. Een aspect dat in de onderhavige scheur-/lekkageproblematiek ook een rol speelt, en wellicht minder algemeen bekend is, is het effect van de dikte van de constructie op de wijze waarop scheurvorming zich manifesteert. Ook dit geldt zowel voor de vloeren als de wanden bij Paleis Het Loo.

Ondergetekenden zijn van mening dat het in zijn algemeenheid nog steeds lastig is om de scheurwijdte goed rekentechnisch te bepalen. (...) met een relatief dikke constructie en verhinderde opgelegde vervormingen, zoals in het onderhavige geval, is dat zeer lastig. Als dan het criterium van maximale scheurwijdte van 0,15 mm zo belangrijk om de kelderconstructie waterdicht te houden, zijn naar de mening van ondergetekenden de gemaakte berekeningen niet goed. De praktijk laat dit inmiddels ook duidelijk zien.

Als wel de juiste berekeningen waren gemaakt en er scheuren waren opgetreden waarvan de scheurwijdte maximaal 0,15 mm was, dan is het nog de vraag of de kelderconstructie voldoende waterdicht was geweest, omdat uit de onderzoeken van [naam17] is gebleken dat de self healing agent niet heeft geresulteerd in het dichtgroeien van dergelijke scheuren. En als dan wel de kelderconstructie voldoende waterdicht was geweest, zou dat ook nog tot op zekere hoogte het gevolg geweest kunnen zijn vanwege het selfhealing effect dat er in beton altijd al aanwezig is bij kleine scheuren.

(…)

Ondergetekenden zien de kelderconstructie bij Paleis Het Loo als een bak in bak constructie. Feitelijk vormen het onderwaterbeton en de CSM-buitenwanden samen de buitenste bakconstructie. Het is bekend dat die niet waterdicht is. Er kunnen scheuren aanwezig zijn, waardoor er water naar binnen treedt. Dat dit zo is, is duidelijk en was ook te verwachten. De waterdichtheid diende verzorgd te worden door de in de bakconstructie te realiseren bakconstructie, opgebouwd uit de constructieve vloer en de constructieve buitenwanden. Ondergetekenden veronderstellen dat door de lekkage door de OWB-vloer en de buitenwanden uiteindelijk dezelfde waterdruk tegen de binnen bak komt te staan als die welke op dezelfde hoogte tegen de buiten bak staat. Echter de barrière die de OWB-vloer en de CSM-wanden vormen tegen het water zal wel invloed hebben op het debiet dat uiteindelijk de kelder zal kunnen binnendringen.”

[naam15] gaat eerder in haar rapportage ook uitvoerig in op onderzoek van [naam17] over de betrouwbaarheid van de SHA:

“ 6.7 [naam17] , Materiaalonderzoek constructievloer, 15 januari 2021 (…)

Feitelijk is in deze rapportage een samenvatting gegeven van o.a. de bevindingen van het onderzoek (…). Met de visuele beoordeling van de betonkwaliteit van de boorkernen uit de vloer zijn de volgende bevindingen gedaan:

(…)

- In 4 kernen zijn verticale scheuren over de volledige hoogte aanwezig met een wijdte van 0,1 tot 0,2 mm. In deze scheuren zijn visueel geen (kalksteen) afzettingen waargenomen. Wel is in de doorgaande verticale scheur in kern 15 injectiehars aanwezig.

(…)

Doorgaande, verticale scheuren waren aanwezig in 4 kernen en voor de belangrijkste bevindingen is het volgende aangegeven:

- De scheurwijdte neemt toe met toenemende diepte, bijv, in kern 14 van 0,2 mm aan het oppervlak tot 0,5 mm op circa 150 mm diepte.

(…)

- De scheur loopt steeds langs de toeslagkorrels (intergranulair), de scheurwanden zijn korrelig en zogenoemde pastabruggen zijn aanwezig. Dit wijst erop dat deze scheuren in de jonge (semiplastische) fase ontstaan zijn.

- Op de scheurwanden is deels kalksteen afgezet in de vorm van kleine, ronde deeltjes.

- De scheuren zijn niet dichtgezet door de kalksteenafzetting. De scheuren zijn over de gehele lengte open. PCD heeft slechts in een deel van de scheurlengte plaatsgevonden.

Vijf kernen vertoonden horizontale scheuren (delaminatie) en voor de belangrijkste bevindingen is het volgende aangegeven:

- De horizontale scheuren bevinden zich steeds ter plaatse van de wapening.

- De scheuren lopen langs de toeslagkorrels. In de scheuren zijn doorgaans pastabruggen aanwezig. Dit wijst erop dat ook deze scheuren in de jonge (semi-plastische) fase ontstaan zijn.

(…)

- In de horizontale scheuren is weinig tot geen PCD aanwezig.

In de slotbeschouwingen (…) is over het zelfherstellend beton het volgende aangegeven:

“Aan het beton van de constructievloer is Healing Agent ( [naam16] ) toegevoegd om op deze wijze zelfherstellend beton te realiseren. Kalksteenvormende bacteriën moeten ervoor zorgen dat watervoerende scheuren dichtgezet worden, waardoor lekkages op termijn stoppen. Volgens opgaaf BAM is door [naam16] aangegeven, dat watervoerende scheuren met een wijdte tot 0,15 mm binnen circa 3 maanden dichtgezet zullen worden bij de toegepaste dosering van de Healing Agent. In de praktijk treedt nog steeds (1,5 jaar na de stort) lekkage op via watervoerende scheuren.

Het door [naam17] uitgevoerde microscopisch onderzoek heeft aangetoond, dat wel kalksteen afgezet is in de scheuren. De aard van deze afzetting (PCD) wijst erop, dat dit aan de werking van de bacteriën toe te schrijven is. Het onderzoek toont echter ook aan, dat de verticale scheuren open blijven en dat PCD alleen heeft geleid tot een dunne laag kalksteen op de scheurwanden. Ook is PCD niet opgetreden over de gehele lengte van de verticale scheuren.”

(…)

Hoewel naar de mening van ondergetekenden uit de rapporten van [naam17] opgemaakt kan worden dat ook scheuren met een wijdte tot 0,15 mm door de toevoeging van SHA aan het beton niet zijn dichtgegroeid, hetgeen een belangrijke constatering is, is dat niet expliciet in het eindrapport van [naam17] gesteld. Daarop heeft dhr. [naam18] op verzoek van ondergetekenden daarover op 4 februari jl. contact gezocht met de opsteller van het onderzoeksrapport, dhr. [naam19] . Ondergetekenden hadden de volgende vragen meegegeven:

“Wat was de conditie van scheuren met een scheurwijdte kleiner dan 0,15 mm en waarvoor toch mag worden aangenomen dat die ouder zijn dan 3 maanden? Waren die allemaal dicht door afgezet kalksteen en dus niet (meer) watervoerend? Of was een deel dicht en zo ja, in welk percentage van de bekeken scheuren was dit zo? Of was er vrijwel niets dicht door kalksteen?”

Op 4 februari jl. kregen ondergetekenden van dhr. [naam18] het volgende antwoord:

“Bij de beschouwing van de resultaten (in bijgevoegd document) doet SGS verslag van de waarnemingen (hoofdstuk 5) dat er sprake is van een kalkafzetting welke aan de werking van de SHA toegeschreven mag worden. Oftewel: de producten die er zitten zijn geproduceerd door de bacteriën.

Er wordt echter ook onmiddellijk bij gezegd dat het om een zeer dun laagje gaat en ook niet is opgetreden over de volle lengte van de scheuren. Er is geen sprake van een dichtzetting van de scheuren en staan de scheuren open.

Hij voegde er nog aan toe dat op basis van de verschillende microscopie technieken ook vastgesteld is dat zelfs bij de zeer fijne scheuren (kleiner dan 0,1 mm) er ook enkel de afzetting op de scheurwand waarneembaar is en slechts in sporadische gevallen de scheur dicht zit maar is dan in de situatie dat de scheurwijdte al bijna nihil is. Je zou kunnen spreken van 2 dunne laagjes die elkaar raken door de zeer geringe scheurwijdte. (…) ”

(…) Ondergetekenden concluderen dat het SHA er niet voor heeft gezorgd dat scheuren met een wijdte tot 0,15 mm zijn dichtgegroeid. Zoals in paragraaf 4.2.3 is aangegeven, had [naam16] de volgende garantie afgegeven:

“Garantie wordt afgegeven op het feit dat de sporen van de healing agent, wanneer deze in contact komen met water, zich zullen ontwikkelen tot bacteriën welke scheurvorming tot 0,15 mm dicht zullen zetten door de vorming van kalksteen.”

Ondergetekenden concluderen dat het SHA niet heeft gedaan wat was aangegeven, omdat op basis van de onderzoeken aangenomen mag worden dat in veel van de scheuren met een wijdte tot 0,15 mm water aanwezig is geweest en dat verwacht mag worden dat de dosering zodanig is geweest dat in vele van die scheuren sporen van de healing agent aanwezig waren.”

4.46.

BAM heeft BAM A&E een constructieve toets laten uitvoeren met betrekking tot de nieuwbouw van de Ondergrondse Uitbreiding. In het rapport van BAM A&E van 26 februari 2021 is op pagina 45 geconcludeerd dat de vloerwapening niet voldoet op sterkte.

5 De toelichting op de beslissing van het hof

Tussentijds hoger beroep

5.1.

Het hof stelt voorop dat sprake is van tussentijds hoger beroep. Hierna komt het hof tot een vernietiging van het vonnis van de rechtbank. In geval van vernietiging kan het hof de zaak aan zich houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen. Dat zal het hof niet doen. Het belang van een behandeling in twee feitelijke instanties weegt hier zwaarder dan belangen van proceseconomie. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen toegelicht dat ook zij (in weerwil van hun conclusies in hoger beroep) van het hof verwachten dat de zaak wordt terugverwezen. Het oordeel van het hof in dit hoger beroep is verder beperkt tot de geschilpunten waarover de rechtbank heeft beslist of ten onrechte niet heeft beslist. Op andere geschilpunten zal het hof niet ingaan. Waar mogelijk, zal het hof wel verduidelijken wat de gevolgen zijn van de beslissingen in dit tussentijds hoger beroep voor de vorderingen van partijen in conventie en reconventie.

In het incidenteel hoger beroep

Geschilpunt (a): korting of kortingen (rov. 4.1-4.5)

5.2.

Het Loo doet een beroep op de tussen partijen overeengekomen kortingsregeling, die inhoudt dat als het werk te laat door BAM aan Het Loo wordt opgeleverd, BAM een korting op de aanneemsom is verschuldigd. Volgens Het Loo wordt de overeengekomen korting per te late deeloplevering verbeurd. Deze deelopleveringen betreffen (i) de afbouw van de Ondergrondse Uitbreiding, (ii) de Oostvleugel, (iii) de Westvleugel en (iv) de Kantoorvleugel inclusief energiebouw en luchtbrug. BAM betwist dat en voert aan dat in verband met de omvang van het werk uit praktisch oogpunt een gefaseerde oplevering van één werk is overeengekomen, waarbij de korting alleen is gekoppeld aan de eindoplevering.

5.3.

De rechtbank heeft na weergave van de relevante bepalingen uit de aannemingsovereenkomst, de UAV en het bestek onder toepassing van de zogeheten Haviltex-maatstaf, geoordeeld dat Het Loo alleen recht heeft op een korting op de aanneemsom bij vertraging in de eindoplevering en aangenomen dat er één opleverdatum is voor het gehele werk.

5.4.

Het Loo stelt in hoger beroep dat het oordeel van de rechtbank niet juist is. Volgens Het Loo zijn - zoals voorzien in het bestek - per onderdeel data van oplevering bepaald bij de aanbieding van BAM ter invulling daarvan. Op grond van paragraaf 1 lid 2 UAV 2012 gelden de verschillende onderdelen dan als afzonderlijk werk voor de toepassing van paragraaf 42 UAV 2012 (kortingen). Dat de tekst van de aannemingsovereenkomst op dit onderwerp afwijkt van de tekst van de conceptaannemingsovereenkomst betekent niet dat partijen de bedoeling hebben gehad niet langer een korting per deeloplevering overeen te komen. De conceptovereenkomst had een traditionele opzet. De aannemingsovereenkomst is een maatwerkovereenkomst met bijzondere afspraken over samenwerking in bouwteamverband en prijsvorming per onderdeel. Uit artikel 4 lid 3 van de aannemingsovereenkomst volgt dat de data van de deelopleveringen fatale data zijn in de zin van art. 6:83 aanhef en onder a BW. De enkele overschrijding daarvan leidt tot aansprakelijkheid. Het oordeel van de rechtbank heeft tot gevolg dat aan de overschrijding van de data voor de deelopleveringen geen enkele sanctie is verbonden en dat de gevolgen daarvan voor rekening van Het Loo komen. Dat kan volgens Het Loo niet de bedoeling van partijen zijn geweest. Het Loo wijst erop dat zij groot belang had bij tijdige oplevering van de afzonderlijke onderdelen, omdat in al die onderdelen nog werkzaamheden moesten worden verricht door derden, voordat Paleis Het Loo volledig kon openen. De planning van de werkzaamheden van derden was gebaseerd op de geplande opleverdata van de deelopleveringen door BAM en de bemensing in de eigen projectorganisatie. Partijen zijn juist overeengekomen dat de data fataal zijn en het risico op overschrijding van de deelopleverdata zou juist bij uitstek door BAM kunnen worden beheerst. Volgens Het Loo zijn de gevolgen van de uitleg die de rechtbank aan de aannemingsovereenkomst geeft onaanvaardbaar. Ook in hoger beroep bestrijdt BAM het standpunt van Het Loo.

5.5.

Bij de uitleg van de aannemingsovereenkomst en de afspraken van partijen komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien (Haviltex).

5.6.

Het hof stelt voorop dat de tekst van de conceptovereenkomst en de aannemingsovereenkomst door Het Loo is opgesteld. In de conceptovereenkomst worden in artikel 2 mijlpalen en deelopleveringen beschreven onder vermelding van de data waarop de mijlpalen moeten zijn bereikt en onderdelen moeten zijn opgeleverd. Voor elk van de deelopleveringen afzonderlijk wordt daarin voorzien in een korting van € 7.500,- per dag bij het niet behalen van een mijlpaaldatum of te late oplevering. Dat komt in de aannemingsovereenkomst niet terug. In artikel 4 lid 1 van de aannemingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de mijlpalen, gegevensbehoefte en (deel)opleveringen met betrekking tot de Onderdelen B, C, D en Liften definitief worden overeengekomen bij definitieve invulling en vaststelling van deze stelposten en is alleen een definitieve mijlpaaldatum opgenomen voor Onderdeel A (ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding). De definitief overeengekomen mijlpaaldata en data van (deel)oplevering(en) zijn aangeduid als fatale data zoals bedoeld in art. 6:83 aanhef en onder a BW. Vervolgens wordt gesproken over een korting en opleverdatum in enkelvoud, zoals ook de rechtbank constateert.

5.7.

BAM heeft in de gegeven omstandigheden in redelijkheid mogen begrijpen dat Het Loo daarmee het uitgangspunt van een korting per onderdeel heeft losgelaten en dat de overeengekomen korting zag op een vertraagde eindoplevering. Anders dan ten tijde van de conceptovereenkomst nog werd voorzien, was er bij het sluiten van de aannemings-overeenkomst geen duidelijkheid over het TO van de afzonderlijke onderdelen. Ook had alleen Het Loo het in de hand tijdig complete en definitieve UO’s voor de onderdelen aan te reiken. Voor BAM was de definitieve invulling en vaststelling van de onderdelen nog onduidelijk. De in de conceptovereenkomst beoogde korting per onderdeel past daarbij minder goed. Als Het Loo toch beoogde aan dat uitgangspunt vast te houden, had zij dat duidelijk in de tekst van de aannemingsovereenkomst tot uitdrukking moeten (en kunnen) laten komen of anderszins aan BAM moeten verduidelijken. Dat heeft zij niet gedaan. Feiten en omstandigheden die meebrengen dat deze gestelde bedoeling van Het Loo voor BAM duidelijk was of had moeten zijn, zijn niet gesteld of gebleken. Wel wijst Het Loo nog op haar grote belang bij een tijdige oplevering van de afzonderlijke onderdelen, maar zij stelt en onderbouwt niet dat zij daarover met BAM heeft gecommuniceerd. Overigens stelt BAM dat belang ter discussie. Zij voert aan dat voorafgaand aan de formele oplevering de geplande opvolgende handelingen volledig zijn verricht en betwist dat vertraging op de afzonderlijke onderdelen voor Het Loo nadelig is geweest. Het Loo heeft dat vervolgens ook niet concreet onderbouwd.

5.8.

Het Loo wijst voorts op paragraaf 1 lid 2 in samenhang met paragraaf 42 UAV 2012, waaruit volgt dat voor de kortingsregeling een deel van het werk waarvoor een afzonderlijke termijn is gesteld, wordt aangemerkt als een afzonderlijk werk. Als BAM daarvan had willen afwijken, had zij dat volgens Het Loo moeten zeggen. Nog daargelaten dat voor de toepassing van paragraaf 1 lid 2 UAV 2012 noodzakelijk is dat de afzonderlijke oplevertermijn in het bestek zijn vermeld en Het Loo onvoldoende heeft gesteld om te kunnen beslissen dat hieraan is voldaan, miskent Het Loo dat partijen met de door haar geconcipieerde aannemingsovereenkomst zoals deze door BAM mocht worden begrepen van de UAV 2012 zijn afgeweken en dat uit artikel 6 van de aannemingsovereenkomst volgt dat de inhoud daarvan prevaleert boven de UAV 2012.

5.9.

Met de rechtbank neemt het hof aan dat Het Loo alleen recht heeft op een korting op de aanneemsom bij vertraging in de eindoplevering. Anders dan Het Loo stelt, heeft deze uitleg niet zonder meer tot gevolg dat aan overschrijding van door partijen in de zin van art. 6:83 aanhef en onder a BW als fataal aangemerkte data geen enkele sanctie is verbonden, maar slechts dat daaraan de vooraf overeengekomen korting niet verbonden is.

5.10.

Het Loo stelt nog dat de gevolgen van deze uitleg van de aannemingsovereenkomst onaanvaardbaar zijn. Voor zover zij daarmee heeft bedoeld een beroep te doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, gaat het hof daaraan voorbij omdat dit niet met concrete feiten en omstandigheden is onderbouwd.

5.11.

Het aanbod te bewijzen dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om het oorspronkelijk uitgangspunt dat een korting is verschuldigd per deeloplevering in de definitieve aannemingsovereenkomst te verlaten, zal het hof ook passeren. Door Het Loo zijn in dat verband geen concrete feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel over de partijbedoeling zouden kunnen leiden.

5.12.

Het voorgaande betekent dat de voorwaarde waaronder BAM haar vordering in conventie onder 5 tot en met 7 heeft ingesteld niet is vervuld. Omdat de aanspraak van Het Loo op korting wegens overschrijding van de bouwtijd afhankelijk is van de vorderingen van BAM betreffende bouwtijdverlenging, kan niet worden beslist op de vordering van Het Loo in reconventie voordat duidelijk is of, en zo ja, over welke periode BAM recht heeft op bouwtijdverlenging. De rechtbank heeft de beslissing over de (hoogte van de) korting waarop Het Loo mogelijk aanspraak kan maken aangehouden en zal daarover na terugverwijzing alsnog moeten beslissen.

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Beoordelingskader

5.13.

Ingevolge paragraaf 8 lid 5 UAV 2012 heeft een aannemer recht op termijnverlenging als door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden, of door het door of namens de opdrachtgever aanbrengen van bestekswijzigingen dan wel van wijzigingen in de uitvoering van het werk, niet van de aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd. De rechtbank stelt in het bestreden vonnis onder 4.8 voorop dat voor een geslaagd beroep op deze paragraaf vereist is dat vertraging is opgetreden op het kritieke pad. Voor het antwoord of BAM aanspraak kan maken op bouwtijdverlenging gaat het erom welke voor rekening van Het Loo komende omstandigheden vertraging op het kritieke pad zouden hebben veroorzaakt, en wat in dat geval de omvang van die vertraging zou zijn geweest. Stelplicht en bewijslast rusten op BAM. Dit beoordelingskader is door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

Geschilpunt (b): bouwtijdverlenging i.v.m. aanlevering Uitvoeringsontwerpen (rov. 4.6-4.14)

5.14.

BAM vordert in verband met wat zij aanduidt als de vertragingsoorzaak ‘te late verstrekking definitieve, complete en uitvoeringsgerede Uitvoeringsontwerpen inclusief wijzigingen ten opzichte van TO’s en vertraging in het geven van de opdracht tot uitvoering daarvan’ voor recht te verklaren dat zij recht heeft op bouwtijdverlenging (vordering 1) en dat Het Loo aansprakelijk is voor de door BAM als gevolg van deze vertragingsoorzaken geleden vertragingsschade (vordering 8). Ook vordert zij een concrete vertragingsschadevergoeding (vordering 10).

5.15.

Bij de rechtbank heeft BAM in de eerste plaats het standpunt ingenomen dat partijen zijn overeengekomen dat zij de voorbereiding van de realisatiefase zou starten nadat de UO’s, met inbegrip van alle tussen partijen afgehandelde planwijzigingen, definitief waren verstrekt. Volgens BAM mocht de realisatie niet eerder worden gestart dan na de definitieve en schriftelijke opdracht door Het Loo aan BAM om de UO’s inclusief planwijzigingen (ook wel aangeduid als optimalisaties) uit te voeren tegen de door BAM vooraf verstrekte prijsopgave. De rechtbank heeft dat standpunt weergegeven in het bestreden vonnis onder 4.6, maar daarop volgens BAM vervolgens niet beslist. Dat had de rechtbank wel moeten doen. Op basis van deze partijafspraak is volgens BAM geheel geen onderbouwing van het kritieke pad noodzakelijk. Voor de vaststelling van het recht op bouwtijdverlenging en de duur daarvan volstaat een vergelijking tussen de door partijen overeengekomen data waarop de UO’s definitief opgedragen dienden te worden en de datum waarop BAM feitelijk schriftelijk opdracht tot uitvoering van Het Loo ontving. Bij de rechtbank heeft BAM toegelicht dat een vertraging is ontstaan op Onderdeel B, Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding, Onderdeel D, Oostvleugel en Onderdeel D, Westvleugel. Het hof begrijpt echter, met Het Loo en de rechtbank onder 4.12, dat de UO afbouw Oostvleugel volgens BAM maatgevend was en dat BAM stelt recht te hebben op bouwtijdverlenging over de periode tussen de datum waarop het UO Afbouw Oostvleugel volgens planning definitief moest zijn (20 januari 2020, zie 4.14) en de datum waarop prijsovereenstemming over de wijzingen in MM-2255 is vastgelegd in het standaardformulier voor planwijzigingen (2 december 2021).

5.16.

Volgens Het Loo heeft de rechtbank dit standpunt impliciet verworpen. Zij stelt verder dat BAM uitgaat van een onjuiste lezing van het contractuele kader. Daarnaast wijst Het Loo op paragraaf 8 lid 5 UAV 2012. Het Loo voert aan dat voor een geslaagd beroep op deze paragraaf vereist is dat daadwerkelijk vertraging op het kritieke pad is opgetreden. Voor een theoretische bepaling van de duur van bouwtijdverlenging biedt de paragraaf geen ruimte.

5.17.

In haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep stelt BAM vervolgens dat sprake is van een overeengekomen bouwtijd, met een overeengekomen start-bouw-datum (per onderdeel) onder opschortende voorwaarde. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Het Loo naar aanleiding daarvan aangevoerd dat een aanspraak hebben op bouwtijdverlenging (wat BAM in een verklaring voor recht vordert) iets heel anders is dan opschorting van bouwtijd. Daarop is door BAM op de mondelinge behandeling verduidelijkt dat het hier gaat om een gevoerd verweer op de door Het Loo verlangde korting. Bij haar vorderingen in conventie gaat het niet om een beroep op opschorting, maar om bouwtijdverlenging in verband met aan Het Loo toe te rekenen vertraging. Het hof komt niet toe aan de beoordeling van dit verweer van BAM. In de verdere procedure zal dit mogelijk alsnog aan de orde komen.

5.18.

Het hof leest in het bestreden vonnis geen beslissing op het hier bedoelde standpunt van BAM. Van een impliciete verwerping is geen sprake. Het vonnis kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal alsnog beslissen op het standpunt van BAM. Ook daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij alle omstandigheden van het geval, in hun onderlinge samenhang bezien, van belang zijn.

5.19.

Met BAM is het hof van oordeel dat uit de tussen partijen gewisselde documenten blijkt dat met de realisatie niet eerder mocht worden gestart dan na de definitieve en schriftelijke opdracht door Het Loo aan BAM om de UO’s inclusief planwijzigingen uit te voeren tegen de door BAM vooraf verstrekte prijsopgave. Dat heeft Het Loo ook moeten begrijpen. In de gegevensbehoefteschema’s die partijen bij de aannemingsovereenkomst zijn overeengekomen was (onbetwist) alleen tijd opgenomen voor het uitwerken van de TO’s naar UO’s en was geen tijd ingepland voor het verwerken van ontwerpwijzigingen ten opzichte van de TO’s. Bij aanvaarding van de aanbiedingen van BAM voor de andere onderdelen zijn partijen een gewijzigde procesgang voor het uitwerken van de TO’s naar UO’s overeengekomen, die inhield dat wijzigingen bij deze uitwerking worden verwerkt en afgehandeld. Tegelijkertijd met het uitwerken van de TO’s naar UO’s moesten de bij de wijzigingen behorende VTW’s zijn afgehandeld. Dit volgt uit de door BAM ter illustratie overgelegde procesvoorstellen voor een roulatieschema dat betrekking heeft op de Onderdeel D, Afbouw Oostvleugel. Dat daarin niets staat over bouwtijdverlenging, zoals Het Loo aanvoert, doet niet af aan dit uitgangspunt. Uit het bestek volgt vervolgens dat de opdracht tot uitvoering van de UO’s inclusief wijzigingen schriftelijk moest worden verstrekt: in paragraaf 00.02.36 in deel AB van het bestek zijn partijen afgeweken van paragraaf 36 lid 5 UAV 2012 door overeen te komen dat voor het nader opdragen van bestekswijzigingen een schriftelijke, door de opdrachtgever rechtstreeks aan de aannemer te verstrekken opdracht is vereist en dat een overeenkomstige aantekening in het dagboek of weekrapport niet wordt aangemerkt als schriftelijke opdracht. Het namens Het Loo opgestelde Directievoeringsplan (versie 13, d.d. 24 januari 2020) met ‘Bijlage 2.2 Meer- & Minderwerken’ sluit daarbij aan. Daarin staat onder meer dat planwijzigingen met prijsconsequenties door de opdrachtgever moeten worden geaccordeerd. BAM stelt terecht dat daaruit volgt dat het voor Het Loo duidelijk was dat zij UO’s pas mocht uitvoeren nadat ook de daarmee samenhangende VTW’s tussen partijen schriftelijk waren overeengekomen. Deze werkwijze volgt vervolgens ook uit de concrete planwijzigingen die Het Loo aan BAM verstrekte, waarin wordt gevraagd de maatregelen met kosten en eventuele tijdsconsequenties inzichtelijk te maken voor definitieve besluitvorming of als reguliere wijze van afhandelen wordt vermeld ‘uitvoeren na prijsovereenstemming / tekeningen definitief’. Dit wordt herhaald in het projectmanagementplan en de power point presentatie van BAM van 12 mei 2021.

5.20.

Dit contractuele uitgangspunt brengt mee dat Het Loo niet kan worden gevolgd in het door haar bij de rechtbank gevoerde verweer dat sommige onderdelen van de TO’s maar zeer beperkt zijn gewijzigd in de uitwerking tot UO’s en dat BAM - zo begrijpt het hof - uitvoering had moeten geven aan haar verplichtingen voor zover die voldoende duidelijk waren ook al was er geen prijsovereenstemming. Het was de verantwoordelijkheid van Het Loo om op de daarvoor door partijen overeengekomen datums een afgerond UO te verstrekken. Als er vertraging is opgetreden doordat Het Loo dat niet tijdig heeft gedaan, is dat Het Loo toe te rekenen. Door Het Loo zijn geen voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om aan te kunnen nemen dat een deel van die vertraging is toe te rekenen aan BAM.

5.21.

Wel voert Het Loo onder verwijzing naar paragraaf 8 lid 5 UAV 2012 terecht aan dat BAM niet kan worden gevolgd in haar stelling dat voor de vaststelling van haar recht op bouwtijdverlenging geen beoordeling van het kritieke pad nodig is. In dat verband is van belang dat niet ter discussie staat dat BAM al in 2020 met de werkvoorbereiding is gestart. Het Loo heeft aan de hand van de standlijnplanningen van BAM een overzicht ‘percentages gereed’ gemaakt. De juistheid daarvan is door BAM niet weersproken. Dat BAM eerder met het werk begonnen is, kan consequenties voor het kritieke pad hebben en maakt dat niet zonder meer kan worden volstaan met een vergelijking tussen de door partijen overeengekomen data waarop de UO’s met planwijzigingen definitief opgedragen dienden te worden en de datum waarop BAM feitelijk schriftelijk opdracht tot uitvoering van Het Loo ontving. Het is aan de rechtbank om na terugverwijzing te beoordelen of, en zo ja tot welke vertraging op het kritieke pad deze aan Het Loo toe te rekenen vertragingsoorzaak heeft geleid.

5.22.

De rechtbank spitst haar oordeel in het tussenvonnis toe op Onderdeel D, Afbouw Oostvleugel en de vraag of het steeds aanpassen van het ontwerp daarvoor tot vertraging op het kritieke pad heeft geleid. Het is niet uit te sluiten dat het antwoord op die vraag van belang blijft, na beantwoording van de vraag of de hiervoor besproken vertragingsoorzaak (kort gezegd: de late definitieve schriftelijke opdrachtbevestiging) tot vertraging op het kritieke pad heeft geleid. Het hof zal daarom nader ingaan op wat de rechtbank overweegt en wat partijen daartegen in hoger beroep aandragen.

5.23.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat het definitieve UO Afbouw Oostvleugel op 20 januari 2020 gereed moest zijn en dat Het Loo heeft erkend dat op het UO Afbouw Oostvleugel van 16 januari 2020 later nog aanpassingen zijn doorgevoerd. Zij citeert vervolgens uitvoerig uit correspondentie van partijen. De rechtbank constateert dat hieruit blijkt dat BAM meerdere keren heeft gemeld dat er punten/details ontbreken in de stukken en dat er aanpassingen moeten worden gedaan die gevolgen hebben voor de voortgang van het werk. BAM heeft in de inleidende dagvaarding een tabel opgenomen met vijf data waarop Het Loo planwijzigingen heeft doorgevoerd in het bestek met betrekking tot de Oostvleugel, waarvan de laatste op 26 oktober 2020. Daartegenover heeft Het Loo enkel gesteld dat dit aanpassingen waren die bij BAM al bekend waren en die niet in de weg stonden aan de voortgang van de (voorbereidende) werkzaamheden op basis van de verstrekte UO’s. Volgens de rechtbank heeft BAM overtuigend betoogd dat de verschillen wellicht marginaal zijn, maar dat het steeds aanpassen van de ontwerpen een efficiënte voortgang van het werk belemmerde. De rechtbank acht het aannemelijk dat de aanpassingen in het UO Afbouw Oostvleugel voor vertraging hebben gezorgd in de (voorbereidende) werkzaamheden van BAM. Of deze vertragingen hebben geleid tot een vertraging op het kritieke pad van het gehele werk, en zo ja, voor welke duur, moet worden toegelicht door een deskundige. De rechtbank is voornemens aan de deskundige te vragen of er een vertraging op het kritieke pad (van het werk als geheel) is opgetreden als gevolg van de te late aanlevering van het (definitieve) UO Afbouw Oostvleugel aan BAM en indien dit wordt vastgesteld, wat de duur van de vertraging is geweest. Daarvoor dient de deskundige te onderzoeken wat de tijdconsequenties zijn van de wijzigingen ten opzichte van het UO van 16 januari 2020, aldus nog steeds de rechtbank.

5.24.

Beide partijen kunnen zich niet met dit oordeel verenigen. Het hof begrijpt dat BAM het niet eens is met de voorgestelde vraag voor de deskundige en een deskundigenbericht ook niet nodig acht, kort gezegd omdat zij niet mocht en kon starten zonder een volledig en definitief UO, zodat de enkele omstandigheid dat zij na ontvangst van het UO nog rekening moest houden met nieuwe wijzigingen per definitie tot vertraging heeft geleid, ongeacht welke wijzigingen uiteindelijk zijn doorgevoerd. Het Loo vindt dat BAM onvoldoende heeft gesteld met betrekking tot de aanpassingen in het UO Afbouw Oostvleugel en daarom aan benoeming van een deskundige niet zou moeten worden toegekomen. Hierna zal het hof de bezwaren van partijen uitvoeriger weergeven. Het hof ziet aanleiding eerst het bezwaar van Het Loo te bespreken, nu dit het meest verstrekkend is.

5.25.

Volgens Het Loo stelt BAM weliswaar dat de omstandigheden waarop zij zich beroept vertraging op het kritieke pad hebben veroorzaakt, maar maakt zij dit op geen enkele manier concreet. Het Loo wijst op een door haar opgestelde as built-planning waarin is weergegeven hoe de realisatie van de ruwbouw en de afbouw van de Ondergrondse Uitbreiding in werkelijkheid in tijd is verlopen. Daaruit volgt volgens Het Loo dat de vertraging in de oplevering van de Ondergrondse Uitbreiding niet is veroorzaakt door aanpassingen op het UO Afbouw Oostvleugel (en ook niet door het hierna te bespreken gebrek aan de wapening van de lateien of aan watervoerende scheuren), maar door de vertraging ontstaan in de ruwbouw. Het hof begrijpt dat Het Loo daarmee de realisatie van de onderaansluitingen bedoelt. BAM heeft daar volgens Het Loo onvoldoende tegenover gesteld. Zij had aan de hand van as built-gegevens het overkoepelende kritieke pad van de Ondergrondse Uitbreiding inzichtelijk moeten maken, waaruit zou blijken dat de omstandigheden waarop zij zich beroept daadwerkelijk op dat kritieke pad lagen.

5.26.

Het Loo stelt te hoge eisen aan de stelplicht van BAM. BAM hoeft slechts gemotiveerd te stellen dat sprake is van een aan Het Loo toe te rekenen vertragingsoorzaak en aannemelijk te maken dat hierdoor vertraging op het kritieke pad is ontstaan. Als het gaat om de primair door BAM gestelde vertragingsoorzaak (kort gezegd: de late definitieve schriftelijke opdrachtbevestiging), volgt uit wat hiervoor is overwogen al dat aan de stelplicht is voldaan. Ook als het gaat om de vraag of het steeds aanpassen van het ontwerp tot vertraging op het kritieke pad heeft geleid, heeft BAM voldoende gesteld. De door Het Loo opgestelde as built-planning is slechts een weergave van het feitelijke verloop van het bouwproces. Daaruit volgt dat de volgorde van het werk is aangepast en dat de onderaansluitingen het sluitstuk van de Ondergrondse Uitbreiding zijn geworden. Dat betekent niet zonder meer dat de onderaansluitingen een vertragingsoorzaak vormen en kritiek zijn geworden. BAM bestrijdt ook dat dit zo is. De rechtbank heeft daarover nog niet geoordeeld. Zij zal na terugverwijzing moeten beoordelen of van een vertragingsoorzaak sprake is en als dat zo is aan wie deze moet worden toegerekend en of de daardoor veroorzaakte vertraging op het kritieke pad heeft gelegen. Anders dan Het Loo stelt, is het niet nodig dat BAM daartegenover een eigen as built-planning stelt om aan de hand daarvan het overkoepelende kritieke pad inzichtelijk te maken om aan te tonen dat de omstandigheden waarop zij zich beroept daadwerkelijk op dat kritieke pad lagen. BAM heeft erop gewezen dat zij geen ontwerpverantwoordelijkheid had en dat door de herhaaldelijke wijzigingen materialen niet konden worden besteld, reeds bestelde materialen soms niet bruikbaar waren, onderaannemers niet tijdig en efficiënt konden worden gecontracteerd en werkzaamheden soms ongedaan moesten worden gemaakt. Het is aannemelijk dat het werk door het herhaaldelijk aanpassen van het ontwerp is vertraagd, nog daargelaten dat BAM niet tot uitvoering van het werk hoefde over te gaan voordat een definitieve schriftelijke opdracht werd verstrekt. Uit de door de rechtbank geciteerde correspondentie blijkt dat BAM daarvoor ook heeft gewaarschuwd.

5.27.

Ook BAM heeft bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank. Volgens BAM is de beslissing innerlijke tegenstrijdig. De rechtbank overweegt enerzijds dat de verschillen mogelijk marginaal zijn geweest, maar dat het aannemelijk is dat een efficiënte voortgang van het werk is belemmerd - waaruit volgt dat dus niet louter naar de verschillen tussen de UO’s van 16 januari 2020 en 26 oktober 2020 (laatste planwijziging) moet worden gekeken - en anderzijds dat de deskundige moet onderzoeken of vertraging op het kritieke pad is opgetreden als gevolg van de te late aanlevering van het definitieve UO en dat de deskundige daarvoor dient te onderzoeken wat de tijdconsequenties van de wijzigingen ten opzichte van het UO van 16 januari 2020 zijn. Dat laatste impliceert dat de deskundige juist alleen naar de aanpassingen moet kijken. De rechtbank miskent dat het enkele feit dat BAM na ontvangst van het UO wist dat dit niet het definitieve UO was en dat Het Loo na de deadline alsnog wijzigingen in het UO heeft doorgevoerd, op zichzelf reeds vertraging heeft veroorzaakt. De rechtsvraag is dus niet of Het Loo achteraf bepaalde wijzigingen heeft doorgevoerd en of die wijzigingen op zichzelf vertraging hebben veroorzaakt. De rechtbank miskent het fundamentele uitgangspunt dat het ontwerpproces voorafgaand aan de werkvoorbereiding en uitvoering moet worden afgerond, om te voorkomen dat moet worden gewerkt met onvolledige en wijzigende uitgangspunten. De geformuleerde vraag impliceert volgens BAM ten onrechte dat zij slechts vertraging heeft opgelopen, als en voor zover Het Loo bepaalde wijzigingen daadwerkelijk in uitvoering heeft gebracht of doorgevoerd.

5.28.

Het bezwaar van BAM slaagt, in die zin dat de door de rechtbank geformuleerde vraag te beperkt is. In het oordeel van de rechtbank dat het steeds aanpassen van de ontwerpen een efficiënte voortgang van het werk belemmerde, ligt besloten dat hierdoor ontstane vertraging aan Het Loo is toe te rekenen. Tegen de toerekening van deze vertragingsoorzaak aan Het Loo is niet gegriefd. Dit oordeel brengt mee dat vervolgens beoordeeld moet worden of deze vertragingsoorzaak op het kritiek pad lag en als dat zo is tot welke vertraging deze oorzaak heeft geleid. Anders dan BAM kennelijk meent, laat dat echter onverlet dat deze vraag ook moet worden beantwoord voor de wijzigingen zelf en beoordeeld moet worden wat de tijdconsequenties zijn van de wijzigingen ten opzichte van het UO van 16 januari 2020. Daarbij zal ook moeten worden betrokken wat Het Loo met betrekking tot die wijzigingen heeft aangevoerd en dat BAM feitelijk eerder is begonnen met de werkvoorbereiding.

5.29.

Het Loo voert nog aan dat de wijzigingen geen inhoudelijk nieuwe versies van het bestek betroffen, maar werkbestekken. Werkbestekken hadden geen contractuele status, en behelsden een actualisatie van de technische beschrijving aan de hand van de afspraken die waren gemaakt tijdens de uitwerking van het TO tot UO. BAM had geen recht op werkbestekken en had haar werk op basis van het bestek en het UO kunnen verrichten. Uit de in de inleidende dagvaarding opgenomen tabel waarnaar de rechtbank verwijst kan dus niet worden afgeleid dat sprake is geweest van inhoudelijke wijzigingen. Daarnaast waren wijzigingen BAM welbekend. Het betrof optimalisaties die waren opgenomen in de zogenoemde groen-gele lijsten (lijsten waarop in het groen was aangegeven welke onderwerpen door Het Loo waren besloten en in het geel welke onderwerpen nog in behandeling waren). Van het niet tijdig verstrekken van het definitieve UO Afbouw Oostvleugel is volgens Het Loo dan ook geen sprake geweest.

5.30.

Naar het oordeel van het hof doet dit verweer van Het Loo geen recht aan de bijzondere werkwijze waarvoor partijen hebben gekozen. Zij hebben gecontracteerd in een situatie dat de ontwerpen voor andere onderdelen dan Onderdeel A, Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding, niet gereed waren en de verschillende onderdelen als stelpost waren aangemerkt. Het proces van voltooiing van deze ontwerpen en het daarin verwerken van optimalisaties is moeizaam geweest. Bij aanvaarding van de aanbiedingen van BAM voor de andere onderdelen zijn partijen een gewijzigde procesgang voor het uitwerken van de TO’s naar UO’s overeengekomen, die inhield dat planwijzigingen bij deze uitwerking worden verwerkt en afgehandeld. Tegelijkertijd met het uitwerken van de TO’s naar UO’s moesten de bij de wijzigingen behorende VTW’s zijn afgehandeld. BAM en Het Loo zijn overeengekomen dat niet eerder met de realisatie zou worden gestart dan na de definitieve en schriftelijke opdracht door Het Loo aan BAM om de UO’s inclusief planwijzigingen uit te voeren tegen de door BAM vooraf verstrekte prijsopgave. Bij een dergelijke werkwijze is helder dat BAM pas met de werkvoorbereiding en uitvoering kon starten, als voldoende duidelijk was wat het werk uiteindelijk omvatte en welke prijs daarvoor overeengekomen was. Dat is afgesproken dat BAM hiermee pas hoefde te beginnen als zij een schriftelijke opdracht had, sluit hier goed op aan. Het huidige standpunt van Het Loo is verder niet goed verenigbaar met de inhoud van de memo van haar advocaat van 3 november 2020, gevoegd bij de brief van Het Loo aan BAM van 4 november 2020. Daarin worden aanpassingen die zijn neergelegd in planwijzigingen gekwalificeerd als bestekswijzigingen zoals bedoeld in paragraaf 36 lid 1 UAV 2012.

Geschilpunt (c): bouwtijdverlenging i.v.m. (i) lateien & (ii) scheurvorming/lekkages

Ad (i) lateien (rov. 4.15-4.29)

5.31.

Nadat BAM in de ruwbouwfase de binnenwanden en het kelderdek van de Ondergrondse Uitbreiding had gebouwd, is gebleken dat in de betonnen lateien te weinig wapening was aangebracht om de voorgeschreven belasting te kunnen dragen. Aanpassing van de wapening in de lateien was noodzakelijk. De herstelwerkzaamheden hebben geleid tot meerkosten en vertraging.

5.32.

Volgens BAM is Het Loo ten aanzien van de lateien tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen. Het constructieve ontwerp bevatte niet de juiste ontwerpuitgangspunten, er is onvoldoende aandacht besteed aan de constructieve voorwaarden voor het borgen van de beoogde belastingafdracht en informatie over het gehanteerde 3D-model ontbrak in de hoofdberekening. Dat heeft geleid tot het tekort aan wapening en de noodzaak van herstelmaatregelen. BAM vordert in verband daarmee voor recht te verklaren dat zij recht heeft op bouwtijdverlenging (vordering 2). Ook vordert zij een vertragingsschadevergoeding (vordering 11). Volgens Het Loo is het gebrek aan wapening in de lateien het gevolg van fouten in de wapeningsberekeningen opgesteld door [naam10] -BAM en moet dit aan BAM worden toegerekend.

5.33.

De rechtbank stelt voorop dat BAM verantwoordelijk is voor de hoeveelheid wapening in de lateien en dat de gemaakte wapeningsberekening onvoldoende was om de belasting in de lateien op te nemen. [naam10] -BAM heeft de wapeningsberekening op basis van een 3D-model opgesteld, in plaats van op de bij het bestek behorende hoofdberekening. Naar het oordeel van de rechtbank had moeten worden uitgegaan van de hoofdberekening. In de contracts-documenten is het gebruik van een 3D-model niet voorgeschreven en door BAM is onvoldoende onderbouwd dat [naam10] -PHL het 3D-model namens Het Loo ter beschikking heeft gesteld en het gebruik daarvan heeft voorgeschreven. Ook is onvoldoende onderbouwd wat de omissie in de hoofdberekening is en dat op basis daarvan geen deugdelijke berekening kon worden gemaakt. Het Loo bestrijdt dat onvoldoende aandacht is besteed aan het vastleggen van de constructieve voorwaarden voor het borgen van de beoogde belastingafdracht. Dat de uitgangspunten ten aanzien van de belastingafdracht van de lateien in het 3D-model niet stroken met de hoofdberekening, wil niet zeggen dat de hoofdberekening onjuist is. Het door [naam10] -BAM gebruikte 3D-model ging uit van een beoogde belastingafdracht waarbij het kelderdek en de lateien als één constructie (monoliet) zouden functioneren. Het Loo betwist dat de berekening door [naam10] -BAM op dat uitgangspunt moest worden gebaseerd. BAM heeft onvoldoende onderbouwd dat ten aanzien van de lateien als uitgangspunt mocht worden genomen dat de constructie als monoliet zou functioneren. De rechtbank concludeert dat het gebrek aan de lateien als gevolg van de onjuiste wapeningsberekening aan BAM moet worden toegerekend.

5.34.

BAM klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij verantwoordelijk is voor het gebrek aan wapening in de lateien en aansprakelijk is voor de gevolgen van het gebruik van het 3D-model in afwijking van het bestek. Zij stelt dat de rechtbank de rol en verantwoordelijkheid van de hoofdconstructeur [naam10] -PHL, de door Het Loo geïnitieerde wijzigingen en de standaardpraktijk met betrekking tot het gebruik van 3D-modellen heeft miskend. Het 3D-model was afkomstig van [naam10] -PHL en leidend in de verschillende versies van het TO. Als eenmaal in een 3D-model wordt gemodelleerd, moet daarmee consequent verder worden gerekend. Het tekort aan wapening in de lateien was het gevolg van een fundamentele ontwerpfout van [naam10] -PHL. BAM had op dit niveau geen ontwerp-verantwoordelijkheid en mocht vertrouwen op de door [naam10] -PHL verstrekte gegevens. Ten tijde van de contractsluiting waren de ontwerpprocessen bij [naam10] -PHL nog gaande en was de integratie in de hoofdberekening nog niet voltooid. Daardoor week de hoofdberekening af van het daadwerkelijk gebruikte en actuele ontwerpmodel. Het is technisch en juridisch onhoudbaar dat BAM een niet-contractueel model gebruikte. Nergens staat dat van het bestek moest worden afgeweken, maar [naam10] -PHL heeft ervoor gekozen wijzigingen niet te verwerken in gewijzigde constructietekeningen bij het bestek en over te stappen op een 3D-model. [naam10] -BAM zou een beroepsfout hebben gemaakt als zij vervolgens zou hebben teruggegrepen op het bestek. BAM had geen andere keuze dan het 3D-model te volgen. De ontwerpfout ligt bij [naam10] -PHL en daarmee bij Het Loo. Het Loo heeft dat aanvankelijk ook erkend in haar brief van 12 maart 2021.

5.35.

Het Loo bevestigt dat zij verplicht was de uitgangspunten met betrekking tot de lateien (de belasting die de lateien in de eindsituatie moeten kunnen dragen, de maatvoering van de lateien en de betonkwaliteit) te verstrekken. Zij voert ook in hoger beroep aan dat deze gegevens zijn opgenomen in de hoofdberekening. De juistheid daarvan staat niet ter discussie. Volgens Het Loo was BAM op basis daarvan verplicht en in staat een wapeningsberekening te maken en de opgegeven maatvoering te controleren. Voorafgaand aan de wapenings-berekening moest BAM een spanningsberekening laten maken. BAM heeft gekozen voor [naam10] -BAM als constructeur en [naam10] -BAM heeft nagelaten zelf een spanningsberekening op te stellen, terwijl zij beschikte over alle benodigde gegevens. [naam10] -BAM is uitgegaan van de uitkomsten van het 3D-model dat haar intern is verstrekt. Dat staat haaks op de verdeling van de verantwoordelijkheden in het bestek, aldus Het Loo. Zij voert aan dat het verstrekken van het 3D-model en de daarmee berekende spanningen is gebeurd buiten haar medeweten en zonder een daartoe strekkende opdracht aan [naam5] . [naam10] heeft gehandeld in onder-opdrachtneming van [naam5] . Volgens Het Loo was het op grond van het bestek aan [naam10] -BAM als constructeur van BAM om zelf te bepalen hoe zij de spanningen in het beton berekende. Dat verkleint het risico dat wordt voortgeborduurd op fouten. Een instructie tot het gebruik maken van het 3D-model maakt daarop een inbreuk. De gevolgen daarvan kunnen niet voor rekening van Het Loo worden gebracht.

5.36.

Het bezwaar van BAM tegen de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel treft doel. Het Loo heeft [naam5] opdracht gegeven voor het constructief ontwerp. Daarbij is [naam10] opgetreden als onder-opdrachtnemer van [naam5] . BAM had geen ontwerpverantwoordelijkheid. [naam10] -PHL was hoofdconstructeur voor Het Loo. [naam10] -BAM trad op voor BAM en diende berekeningen op basis van de ontwerpgegevens te maken. Het is juist dat de hoofdberekening voldoende gegevens bevatte om een spannings- en wapeningsberekening te maken, maar er was sprake van een doorlopend proces van optimalisaties en bezuinigingen. [naam14] vermeldt in zijn rapportage dat door wijzigingen in de hoofddraagconstructie van Technisch Ontwerp TO3, vanwege de gewijzigde draagrichting van het dek, de belastingafdracht volledig afwijkt van het oorspronkelijk Technisch Ontwerp. Juist voor het verwerken van de planwijzigingen in verband met dat doorlopend proces is het 3D-model opgesteld, zo volgt uit de memo van [naam10] . Dat had mede tot doel om van daaruit snel te kunnen schakelen naar de benodigde wapeningstekeningen voor de uitvoering. Voor zover Het Loo heeft bedoeld ter discussie te stellen dat [naam10] -PHL dit 3D-model heeft opgesteld, heeft zij dat onvoldoende handen en voeten gegeven. Niet in geschil is dat het 3D-model door de hoofdconstructeur is opgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling is door Het Loo opgemerkt dat bij haar de vraag heerste wie de hoofdconstructeur was. Die vraag kwam bij haar op omdat binnen [naam10] [naam20] werkzaamheden verrichtte voor zowel Het Loo als voor BAM en [naam20] ook betrokken was bij het opstellen van het 3D-model. Het Loo heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep evenwel zelf het standpunt ingenomen dat, als het gaat om de knip tussen [naam10] -PHL en [naam10] -BAM, geen onderscheid moet worden gemaakt naar persoon (of vestiging), maar dat het erom gaat welke werkzaamheden in opdracht van wie zijn verricht. Voldoende duidelijk is dat [naam10] -PHL als hoofdconstructeur handelde in onder-opdracht van [naam5] . Het Loo neemt vervolgens zelf ook aan dat het 3D-model intern aan [naam10] -BAM is verstrekt, wat impliceert dat [naam10] -BAM het 3D-model niet heeft opgesteld. Uit de memo van [naam10] volgt verder dat de gegevens van het 3D-model niet zijn opgenomen in de hoofdberekening. Dat is de omissie in de hoofdberekening. De door Het Loo ingeschakelde deskundige [naam13] ziet daar ten onrechte aan voorbij, waar zij concludeert dat [naam10] -BAM de vereiste wapeningsberekening op basis van de gegevens in het bestek had kunnen maken, zodat het hof al daarom niet van zijn bevindingen kan uitgaan.

5.37.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is voor het hof uitgangspunt dat het 3D-model door [naam10] -PHL aan [naam10] -BAM ter beschikking is gesteld. Het Loo voert enkel aan dat het verstrekken van het 3D-model met de daarin vervatte uitgangspunten buiten haar medeweten en zonder daartoe strekkende opdracht van haar aan [naam5] is gebeurd. Anders dan Het Loo lijkt aan te nemen, doet dat niet eraan af dat dit een omstandigheid is die in de risicosfeer van Het Loo ligt. Dat [naam10] -PHL het 3D-model aan [naam10] -BAM heeft verstrekt, veronderstelt dat werd verwacht dat zij daarvan (inclusief de daarin opgenomen spanningsberekening) gebruik zou maken. Niet van belang is of dit uitdrukkelijk door [naam10] -PHL is voorgeschreven. [naam14] rapporteert ook dat modellering in een 3D-model betekent dat alle later uit te voeren detailengineering gebaseerd moet zijn op de spanningsverdeling volgens dat model. De door Het Loo veronderstelde keuzeruimte was er niet.

5.38.

Ook in dit 3D-model zat een omissie. [naam10] concludeert daarover in haar memo dat er bij het 3D-model randvoorwaarden hadden moeten worden verstrekt, wat niet is gebeurd. [naam14] concludeert dat, waar de randvoorwaarden afwijkend waren van de gewenste uitvoeringsmethode, ook zou kunnen worden gesteld dat het 3D-model niet juist was. Er is volgens [naam10] en [naam14] door [naam10] -PHL onvoldoende aandacht besteed aan het vastleggen van de constructieve voorwaarden voor het borgen van de belastingafdracht van de stalen ligger naar de betonwanden en naar de betonnen onderbouw behorende bij het 3D-model. Het 3D-model rekent met een eindsituatie van een monolitische betonconstructie. Bij dat uitgangspunt had een tijdelijke onderstempeling van de stalen liggers tijdens het storten van de druklaag van de breedplaten van het dek moeten worden voorgeschreven. Dat is niet gebeurd. Er is stempelloos gebouwd met extra dikke zelfdragende breedplaten. De werkelijke belasting op de lateien is daardoor hoger dan uit het 3D-model blijkt. [naam10] -BAM heeft de spanningsverdeling van het 3D-model gevolgd en daar de wapeningsberekening op gebaseerd. Daardoor is als vanzelf met een samenwerkende constructie gerekend. Omdat er in eerste instantie, namelijk gedurende de periode van het stempelloos storten van de druklaag tot aan de volledige uitharding daarvan, geen samenwerkende constructie is, was de wapeningsberekening onjuist. Dat het 3D-model onjuist was (of daarbij niet de noodzakelijke randvoorwaarden zijn verstrekt), is in de verhouding tussen Het Loo en BAM aan Het Loo toe te rekenen. De onjuiste wapeningsberekening, het uiteindelijk tekort aan wapening in de lateien en vervolgens de noodzaak van herstelmaatregelen zijn daarvan het gevolg. Bijgevolg moet ook de in verband daarmee opgetreden vertraging aan Het Loo worden toegerekend.

5.39.

Bij de rechtbank heeft Het Loo nog aangevoerd dat er een tweede probleem met de wapening van de lateien was. BAM heeft gebruik gemaakt van open haarspelden in plaats van gesloten beugels, terwijl dat laatste volgens Het Loo essentieel was. Het Loo heeft vervolgens te bewijzen aangeboden dat het gebrek aan de wapening in de lateien is veroorzaakt door een fout in de berekening van BAM (waaraan het hof voorbijgaat, omdat niet in geschil is dat de wapeningsberekening niet juist was) én door het niet aanbrengen van zogenaamde haarspelden. Dat bewijsaanbod sluit daarmee op dit onderdeel niet aan bij haar stellingen en het hof neemt aan dat het woord ‘niet’ daarin bij vergissing is opgenomen. BAM betwist niet dat open haarspelden in plaats van gesloten beugels zijn gebruikt, maar voert aan dat dit niet relevant is. Er zou niets aan de hand zijn geweest als dit niet bij toeval was ontdekt. Het hof constateert dat een begin van onderbouwing ontbreekt van de stelling dat het gebruik van open haarspelden in plaats van gesloten beugels meebrengt dat sprake was van een gebrek aan de wapening. Het Loo heeft onvoldoende gesteld om tot het bewijs daarvan te worden toegelaten. Het hof zal het bewijsaanbod daarom passeren.

5.40.

Bij de rechtbank heeft BAM ook gesteld dat [naam10] -PHL niet aan haar controleverplichtingen heeft voldaan en dat de gevolgen daarvan voor rekening en risico van Het Loo komen. Het Loo heeft betwist dat zij haar controleverplichtingen heeft geschonden en aangevoerd dat BAM verantwoordelijk is voor de gemaakte berekeningen en tekeningen, ongeacht controle en/of goedkeuring van Het Loo.

5.41.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat uitgangspunt is dat BAM verantwoordelijk is voor de onjuiste uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de berekening van de hoeveelheid wapening in de lateien. Zij overweegt vervolgens dat de gevolgen van de fouten van [naam10] -BAM niet kunnen worden afgewenteld op Het Loo op de grond dat zij de controleplicht niet is nagekomen. BAM komt ook tegen dat oordeel op. Aan wat zij in dat verband stelt, kan hier worden voorbijgegaan, nu het hof van oordeel is dat uitgangspunt is dat Het Loo verantwoordelijk is voor de onjuiste uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de berekening van de hoeveelheid wapening in de lateien. Bij die stand van zaken is het niet van belang of de gevolgen daarvan óók voor rekening van Het Loo komen omdat zij haar controleverplichtingen niet is nagekomen. Voor de volledigheid overweegt het hof dat het uitgangspunt dat BAM verantwoordelijk is voor de gemaakte berekeningen en tekeningen, ongeacht controle en/of goedkeuring van Het Loo, Het Loo niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid voor het verstrekken van juiste en volledige uitgangspunten voor de berekening.

5.42.

BAM stelt dat het gebrek aan de lateien tot vertraging op het kritieke pad heeft geleid. Het Loo betwist dat. Zij voert aan dat de herstelwerkzaamheden aan de lateien veel minder tijd in beslag hebben genomen dan BAM stelt en niet het kritieke pad van de afbouw Ondergrondse Uitbreiding hebben bepaald. Het is aan de rechtbank om vast te stellen of deze vertragingsoorzaak op het kritieke pad lag en als dat zo is tot welke vertraging op het kritieke pad zij heeft geleid.

Ad (ii) scheurvorming & lekkages (rov. 4.30-4.41)

5.43.

Als onderdeel van het aan haar opgedragen werk heeft BAM in de door [naam1] gerealiseerde bouwkuip een betonvloer en betonwanden aangebracht. Na de realisatie daarvan is er scheurvorming ontstaan in de wanden en de vloeren, als gevolg daarvan zijn lekkages opgetreden. BAM stelt dat Het Loo voor dit gebrek en de daardoor ontstane vertragingen en schade verantwoordelijk is. Zij vordert in verband daarmee voor recht te verklaren dat zij recht heeft op bouwtijdverlenging en dat Het Loo aansprakelijk is voor de door BAM als gevolg van de watervoerende scheuren geleden schade, nader op te maken bij staat (vordering 2 en 9). Ook vordert zij een vertragingsschadevergoeding en een schadevergoeding vanwege de interne en externe herstelkosten (vordering 11 en 12). Ter onderbouwing stelt BAM in de procedure bij de rechtbank dat de in het bestek ten behoeve van het Onderdeel Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding, constructief deel, door Het Loo voorgeschreven SHA niet of onvoldoende heeft gewerkt. Daarnaast heeft Het Loo volgens BAM niet voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7 aannemingsovereenkomst om een waterdichte bouwkuip ter beschikking te stellen. Het Loo betwist dat. Zij voert aan dat de scheuren groter waren dan op grond van het bestek maximaal toegestaan. Scheuren met een scheurwijdte groter dan 0,15 mm kunnen niet door SHA worden hersteld. Verder betwist Het Loo dat het niet waterdicht zijn van de bouwkuip een gebrek is dat voor haar rekening komt.

5.44.

De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de scheurvorming in de wanden en de vloer van de Ondergrondse Uitbreiding door het tekort aan (krimp)wapening aan BAM moeten worden toegerekend. Volgens de rechtbank was BAM, zoals zij erkent, verantwoordelijk voor het berekenen en aanbrengen van de juiste hoeveelheid wapening. In de rapporten van BAM A&E en [naam15] is geconcludeerd dat de scheurvorming in de vloeren en wanden het gevolg is van het ontbreken van voldoende (krimp)wapening. De juiste hoeveelheid wapening had moeten voorkomen dat er scheuren zouden optreden groter dan 0,15 mm. Doordat er te weinig wapening is aangebracht zijn er veel grotere scheuren ontstaan die door de extra maatregel die voorgeschreven was om de vereiste waterdichtheidsklasse 3 te bereiken (namelijk; het toepassen van SHA) niet zijn dichtgegroeid, omdat er veel scheuren groter waren dan 0,15 mm. Als gevolg van de scheuren zijn de lekkages ontstaan (de scheuren zijn ‘watervoerend’). In de eerder genoemde rapporten wordt verwezen naar een onderzoek van [naam17] , waaruit zou blijken dat in de vloer en wanden scheuren van 0,15 mm ook onvoldoende zijn afgedicht door de SHA, maar er waren veel scheuren groter dan 0,15 mm en uit de rapporten blijkt niet dat de SHA niet (voldoende) zou hebben gewerkt als er - bij de juiste hoeveelheid wapening - enkel scheuren van maximaal 0,15 mm zouden zijn opgetreden. Dat er ook als alle scheuren een maximale scheurwijdte van 0,15 mm zouden hebben watervoerende scheurvorming zou zijn opgetreden is door BAM onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht BAM voorts niet ervan uitgaan dat sprake zou zijn van een volledig waterdichte bouwkuip. In de Hoofdberekening Ondergrondse Uitbreiding (TO3) zijn nadere details van de constructie van de Ondergrondse Uitbreiding opgenomen. Over de waterdichtheid van de kelderbak is daarin onder meer vermeld dat betonnen constructies in principe niet waterdicht zijn. Door BAM is niet onderbouwd gesteld dat de NEN-norm en NEN-EN 1992-3 niet is behaald. Bovendien heeft [naam15] in zijn rapport toegelicht dat het bekend en te verwachten is dat een bouwkuip niet waterdicht is en dat de waterdichtheid verzorgd diende te worden door de in de bouwkuip te realiseren constructieve vloer en constructieve buitenwanden.

5.45.

BAM is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Volgens haar miskent de rechtbank dat de SHA ook niet zou hebben gefunctioneerd bij toepassing van voldoende krimpwapening en dat ook dan watervoerende scheuren zouden zijn ontstaan en dat BAM er contractueel op mocht vertrouwen dat de bouwkuip waterdicht zou zijn. Ter nadere onderbouwing stelt BAM dat zij wel degelijk heeft aangetoond dat de SHA niet betrouwbaar functioneerde, ook niet bij scheuren van 0,15 mm of kleiner, onder verwijzing naar het [naam17] -onderzoek en een reactie van [naam17] aan [naam15] . Op basis van het rapport van [naam17] is voorshands aannemelijk dat de SHA ook niet zou hebben gefunctioneerd, in die zin dat geen watervoerende scheuren zouden zijn opgetreden, als de scheurvorming beperkt was gebleven tot 0,15 mm of minder. Uit technische literatuur en praktijkervaring blijkt dat de werking van SHA onvoorspelbaar is. De effectiviteit hangt af van een groot aantal factoren, zoals vochtigheid, temperatuur en betonmengsels. BAM herhaalt verder dat zij mocht vertrouwen op de aanwezigheid van een waterdichte en stabiel blijvende bouwkuip. Dit volgt volgens haar uit correspondentie en uit de overeenkomst. De niet waterdichte bouwkuip heeft volgens BAM geleid tot atypische waterstroming en onverwachte drukverdeling in de bouwkuip. Daardoor kon de SHA niet onder juiste condities functioneren. Uit de inspectierapporten bleek dat na het injecteren van een groot lek nieuwe lekkages optraden via andere delen van de constructie, wat wijst op een niet stabiele drukverdeling. De SHA werd daardoor blootgesteld aan onvoorspelbare fluctuaties in waterdruk en waterstroming. Als de waterstroom te hard is kan de geproduceerde kalkafzetting wegstromen. De niet-waterdichte bouwkuip heeft een direct causaal verband met de lekkages. Anders hadden de geconstateerde scheuren niet of nauwelijks tot infiltrerend grondwater geleid, aldus nog steeds BAM. Het Loo voert verweer en bestrijdt het standpunt van BAM ook in hoger beroep.

5.46.

Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, neemt deze over en maakt ze tot de zijne. BAM komt daartegen tevergeefs op. BAM was verantwoordelijk voor het berekenen en aanbrengen van de juiste hoeveelheid wapening. Uit de rapporten van BAM A&E en [naam15] volgt dat een voldoende (krimp)wapening ontbrak. Dat betwist BAM ook niet. Niet in geschil is dat daardoor scheuren zijn ontstaan met een scheurwijdte groter dan 0,15 mm ontstaan. Evenmin is in geschil dat de SHA niet geschikt was om dergelijke scheuren te dichten. Daarvoor was de SHA niet bedoeld. Ook bij betrouwbaar functioneren van de SHA zou door het ontbreken van voldoende (krimp)wapening sprake zijn geweest van lekkage door watervoerende scheuren en zou de vertraging en de aan het herstel verbonden schade zijn ontstaan. BAM heeft onvoldoende onderbouwd dat het gestelde niet betrouwbaar functioneren van de SHA daarmee in voldoende causaal verband staat. De gevorderde verklaring voor recht dat Het Loo aansprakelijk is voor de als gevolg van het optreden van watervoerende scheuren door BAM geleden schade, nader op te maken bij staat, kan dan ook niet op die grond worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde vertragingsvergoeding en schadevergoeding vanwege de interne en externe herstelkosten. Dat neemt niet weg dat voor de beoordeling van de gevorderde verklaring voor recht dat in verband met de scheurvorming aanspraak kan worden gemaakt op bouwtijdverlenging, wel van belang kan zijn of de SHA betrouwbaar heeft gefunctioneerd. Als dat niet zo is en dit aan Het Loo kan worden toegerekend, kan er volgens BAM sprake zijn geweest twee samenlopende vertragingsoorzaken (concurrent delay). Dat is in die situatie het geval als bij een voldoende (krimp)wapening in verband met het niet betrouwbaar functioneren van de SHA nog altijd herstelmaatregelen getroffen hadden moeten worden en vertraging zou zijn opgetreden. Het hof komt hier echter niet aan toe. Partijen zijn met betrekking tot de garantie waterdichtheid in het bestek voor het Onderdeel Ruwbouw Ondergrondse Uitbreiding, constructief deel, onder de Technische Bepalingen in paragraaf 21.00.40 onder 91 afgeweken van paragraaf 22 van de UAV 2012 door een omgekeerde bewijslast overeen te komen. Het is dan aan BAM om aannemelijk te maken dat de lekkage met grote mate van waarschijnlijkheid moet worden toegeschreven aan een omstandigheid die aan Het Loo kan worden toegerekend. Hiervoor heeft BAM onvoldoende gesteld. Uit de rapporten van BAM A&E en [naam15] , onder verwijzing naar het [naam17] -onderzoek en een reactie van [naam17] aan [naam15] , volgt dat de SHA niet heeft gefunctioneerd als beoogd. Ook scheuren met een scheurwijdte minder dan 0,15 mm zijn niet volledig gedicht. Uit die rapporten volgt echter niet dat de SHA bij een voldoende (krimp)wapening niet voldoende zou hebben gewerkt en er in die situatie watervoerende scheurvorming zou zijn opgetreden, zoals de rechtbank ook overweegt. BAM heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen oordelen dat aannemelijk is dat ook bij voldoende wapening watervoerende scheuren zouden zijn ontstaan als gevolg van het niet voldoende functioneren van de SHA en dat dit onvoldoende functioneren van de SHA bovendien aan Het Loo moet worden toegerekend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat BAM toepassing van SHA als aanvullende maatregel heeft voorgesteld en voor de toepassing daarvan een concepttekst voor het bestek heeft opgesteld (zoals volgt uit het verslag van een (constructie)overleg op 23 augustus 2018 en door Het Loo geciteerde e-mails van BAM van 5 en 10 september 2018) en het bestek in paragraaf 00.02.17 onder 95 meebrengt dat het aan BAM is de hoeveelheid toe te passen SHA te bepalen op basis van de te hanteren betonsamenstelling en de te verwachten maximale scheurwijdte van 0,15 mm. Tegen deze achtergrond ziet het hof geen aanleiding over het functioneren van de SHA deskundige voorlichting in te winnen, zoals BAM verzoekt. De hiervoor bedoelde verklaring voor recht ter zake de bouwtijdverlenging kan daarom evenmin op deze grond worden toegewezen.

5.47.

Op grond van artikel 7 aannemingsovereenkomst was Het Loo verplicht zorg te dragen voor een bouwkuip die tijdens de werkzaamheden van BAM waterdicht en stabiel bleef. Dat sluit aan bij het voorstel dat BAM op 2 februari 2018 in het voortraject aan Het Loo heeft gedaan. Ook bij de uitleg van deze verplichting komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat BAM niet ervan mocht uitgaan dat sprake zou zijn van een volledig waterdichte bouwkuip. In de Hoofdberekening Ondergrondse Uitbreiding (TO3) zijn nadere details van de constructie van de Ondergrondse Uitbreiding opgenomen. Daarin is over de waterdichtheid van de kelderbak onder meer vermeld dat betonnen constructies in principe niet waterdicht zijn. Ook [naam15] heeft in zijn rapport toegelicht dat het bekend en te verwachten is dat een bouwkuip niet waterdicht is en dat de waterdichtheid verzorgd diende te worden door de in de bouwkuip te realiseren constructieve vloer en constructieve buitenwanden. Dat heeft BAM als professionele partij ook moeten begrijpen. Het ging erom dat de bouwkuip voldoende waterdicht was om daarbinnen de werkzaamheden te kunnen verrichte. Dat is het geval geweest. De bouwkuip was voldoende waterdicht en stabiel om daarbinnen de wanden en vloeren te kunnen realiseren. Pas na het voltooien van die werkzaamheden zijn er problemen ontstaan door scheurvorming in deze wanden en vloeren. Dat de niet volledig waterdichte bouwkuip heeft geleid tot atypische waterstroming en onverwachte drukverdeling in de bouwkuip, zoals BAM in hoger beroep stelt, is door Het Loo betwist en door BAM onvoldoende concreet onderbouwd. Het hof gaat daarom aan die stelling voorbij. Verder is door BAM ook in hoger beroep niet voldoende gemotiveerd betwist dat de voor de waterdichtheid van de betonnen kelderwanden en -vloeren overeengekomen norm (NEN-EN 1992-3) niet is behaald. Slotsom is dat ook het niet volledig waterdicht zijn van de bouwkuip niet kan leiden tot toewijzing van vorderingen van BAM die verband houden met de scheurvorming.

5.48.

Tegen de achtergrond van het voorgaande ziet het hof geen aanleiding een deskundige te raadplegen over de werking van de SHA en de invloed van een niet-waterdichte bouwkuip, zoals door BAM voorgesteld.

5.49.

Bij de rechtbank heeft BAM ook met betrekking tot de scheurvorming gesteld dat Het Loo de op haar rustende controleverplichtingen niet (deugdelijk) heeft uitgevoerd. Het Loo heeft dat opnieuw betwist. De rechtbank verwerpt het standpunt van BAM. Zij stelt voorop dat BAM verantwoordelijk is voor de scheurvorming en de daardoor opgetreden lekkages in de wanden en de vloer van de Ondergrondse Uitbreiding. BAM is verantwoordelijk voor de tekeningen en berekeningen, ongeacht goedkeuring of controle door of namens Het Loo (artikel 5.11 Toetsingsprotocol). De gevolgen van de door BAM gemaakte fout kunnen niet worden afgewenteld op Het Loo op de grond dat zij haar controleverplichtingen niet voldoende is nagekomen. Ook daartegen komt BAM in hoger beroep op. De toelichting daarbij (en de reactie daarop van Het Loo) staan vooral in de sleutel van de hiervoor besproken problematiek met de lateien. Dat geldt ook voor haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, waaraan het hof hier om die reden voorbijgaat. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verwerpt het bezwaar van BAM. BAM was verantwoordelijk voor het berekenen en aanbrengen van de juiste hoeveelheid wapening en het opleveren van kelderwanden en -vloeren die voldoen aan de overeengekomen waterdichtheidsklasse. Een voldoende (krimp)wapening ontbrak en de vloeren en wanden voldoen niet aan de waterdichtheidseisen. Anders dan bij de lateien, is gesteld noch gebleken dat aan deze fout van BAM door of namens Het Loo verstrekte onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen. Bij die stand van zaken kunnen de gevolgen van deze fout inderdaad niet worden afgewenteld op Het Loo op de grond dat zij haar controleverplichtingen niet voldoende is nagekomen.

Resumerend

5.50.

Voor een beslissing op de vorderingen van partijen ter zake de bouwtijdverlenging, vertragingsschade en korting is het van belang dat er duidelijkheid komt over de verschillende vertragingsoorzaken, aan wie deze zijn toe te rekenen en of zij hebben geleid tot vertraging op het kritieke pad.

5.51.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de volgende vertragingsoorzaken aan Het Loo zijn toe te rekenen:

  • de vertraging die is opgetreden in het komen tot een definitieve en schriftelijke opdracht door Het Loo aan BAM om de UO’s inclusief planwijzigingen uit te voeren tegen de door BAM vooraf verstrekte prijsopgave;

  • de vertraging die is opgetreden doordat de werkwijze van het steeds aanpassen van de ontwerpen een efficiënte voortgang van het werk heeft belemmerd;

  • de vertraging die is opgetreden als gevolg van de uiteindelijk doorgevoerde wijzigingen van de ontwerpen door Het Loo;

  • de vertraging die is opgetreden door de problematiek met de lateien.

De vertraging die is opgetreden als gevolg van de scheurvorming en lekkages is aan BAM toe te rekenen.

5.52.

De rechtbank zal na terugverwijzing nog moeten beoordelen of ten aanzien van de ruwbouw/onderaansluitingen sprake is van een vertragingsoorzaak en zo ja, aan wie deze is toe te rekenen. Voor zover partijen nog andere vertragingsoorzaken hebben gesteld, zal de rechtbank ook daarover moeten oordelen. Vervolgens moet worden vastgesteld of de geconstateerde vertragingsoorzaken op het kritieke pad lagen en als dat zo is tot welke vertraging op het kritieke pad deze oorzaken hebben geleid. Bij de beoordeling zal ook betrokken moeten worden wat Het Loo met betrekking de aanpassingen op de ontwerpen heeft aangevoerd en dat BAM al eerder is begonnen met de werkvoorbereiding.

Bewijs

5.53.

Door partijen zijn geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

De conclusie

5.54.

Het principaal hoger beroep slaagt deels en het incidenteel hoger beroep faalt. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in het principaal beroep vernietigen en de zaak in het principaal en incidenteel hoger beroep terugverwijzen naar de rechtbank om deze verder te behandelen met inachtneming van wat het hof heeft overwogen. Omdat Het Loo in het principaal hoger beroep overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Het Loo tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Omdat Het Loo in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Het Loo ook tot betaling van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep veroordelen. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

5.55.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6 De beslissing

Het hof:

in het principaal hoger beroep

6.1.

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 3 juli 2024 ten aanzien van de in rechtsoverweging 4.11 geformuleerde vraag aan de deskundige en wat betreft de bindende eindbeslissing over de lateien en de daaraan ten grondslag liggende motivering in rechtsoverweging 4.15 tot en met 4.29 en bekrachtigt het vonnis voor het overige;

6.2.

veroordeelt Het Loo tot betaling van de volgende proceskosten van BAM in hoger beroep:

€ 13.608,- aan griffierecht;

€ 139,42 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Het Loo;

€ 13.218,- aan salaris van de advocaat van BAM (2 procespunten x het toepasselijke tarief VIII);

6.3.

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en dat deze kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;

6.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel hoger beroep

6.5.

veroordeelt Het Loo tot betaling van de volgende proceskosten van BAM:

€ 6.609,- aan salaris van de advocaat van BAM (2 procespunten x het toepasselijke tarief VIII x 0,5);

6.6.

bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en dat deze kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;

6.7.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

6.8.

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen om deze verder te behandelen met inachtneming van wat het hof heeft overwogen;

6.9.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.D. Hoekstra, W.C. Haasnoot en A.G.J. van Wassenaer van Catwijck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.