Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:587

Op 11 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11821009 \ UC EXPL 25-6287, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:587. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11821009 \ UC EXPL 25-6287
Datum uitspraak:
11 February 2026
Datum publicatie:
23 February 2026

Indicatie

Overeenkomst van aanneming. Veel bouwfouten gemaakt door aannemer. Aannemer moet schade van opdrachtgever vergoeden

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 11821009 \ UC EXPL 25-6287

Vonnis van 11 februari 2026

in de zaak van

[eiser] HANDELENDE ONDER DE NAAM [handelsnaam],

wonende in [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. E.T. van den Hout,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.K. den Haan.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 juli 2025 met producties 1 t/m 7,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 3 september 2025 met producties 1 t/m 3,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overleggen producties tevens houdende wijziging van eis in reconventie van de zijde van [gedaagde] van 25 november 2025 met producties 4 en 5.

1.2.

Op 2 december 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [eiser] aanwezig met zijn gemachtigde, mr. E.T. van den Hout. [gedaagde] was aanwezig met haar gemachtigde, mr. J.K. den Haan. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3.

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij de akte van 25 november 2025 van [gedaagde] niet had ontvangen. Zijn gemachtigde legde uit dat hij deze wel had ontvangen, maar dat hij (waarschijnlijk) niet doorgestuurd is aan [eiser] . Hoewel de fout van de gemachtigde van [eiser] aan hem kon worden toegerekend en hij zelf ook had kunnen informeren naar de stand van zaken vanwege de geplande mondelinge behandeling, heeft de kantonrechter [eiser] nog de kans willen geven bij akte nog te reageren op de punten in de akte van [gedaagde] van 25 november 2025, die tijdens de mondelinge behandeling nog niet voldoende aan de orde waren gekomenOp 16 december 2025 heeft [eiser] een akte genomen. Hierin heeft hij niet, zoals toegestaan toegespitst op de akte van [gedaagde] van 25 november 2025 gereageerd, maar heeft de gemachtigde van [eiser] zeer uitgebreid allerlei (deels nieuwe) stellingen ingenomen over de vorderingen in conventie en reconventie. Ook heeft hij dertien nieuwe producties overgelegd. [gedaagde] heeft, als reactie hierop, op 29 december 2025 een akte genomen. Zij heeft zich aan de afspraak gehouden dat geen nieuwe producties in het geding mochten worden gebracht.

1.4.

De kantonrechter had gepland vonnis te wijzen op 28 januari 2026, maar die datum is niet gehaald. Daarom is bepaald dat de uitspraak vandaag zal zijn.

1.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] door het nemen van de uitvoerige akte met producties na de mondelinge behandeling in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde. [eiser] had bij de inleidende dagvaarding de zaak goed en volledig moeten presenteren. Ook bij de mondelinge behandeling en daaraan voorafgaand heeft hij ruim de gelegenheid gehad alles wat voor de beoordeling relevant is naar voren te brengen. Het is niet de bedoeling dat na de mondelinge behandeling nog uitgebreid schriftelijk wordt voort geprocedeerd, met alle vertraging van dien. Dit geldt zeker in deze schrijnende zaak. [gedaagde] heeft zeer veel belang bij een duidelijk oordeel op korte termijn. Zij verblijft namelijk al bijna twee jaar in een huis dat van binnen volledig is gesloopt en heeft geen geld om daarin verandering te brengen omdat ze de beschikbare middelen heeft betaald aan [eiser] . De kantonrechter zal dan ook voorbij gaan aan alle zaken die [eiser] eerder dan in de genomen akte naar voren had kunnen brengen.

2
De kern van de zaak
2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben in een overeenkomst afgesproken dat [eiser] werkzaamheden zou uitvoeren aan de woning van [gedaagde] . [eiser] zegt dat hij een groot deel van de werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar [gedaagde] is niet tevreden en heeft daarom de laatste factuur van [eiser] niet betaald. [eiser] heeft toen de uitvoering van de werkzaamheden gestaakt. [eiser] vordert in deze procedure nakoming van [gedaagde] . Hij wil betaling van het laatste deel van de aanneemsom, de door hem gewerkte meeruren en een vergoeding voor zijn gederfde inkomsten van in totaal € 14.761,13. [gedaagde] wil dat niet betalen omdat [eiser] ernstig is tekortgeschoten in de overeenkomst. Zij vordert in reconventie op verschillende gronden een bedrag van in totaal € 52.994,81 van [eiser] . Dekantonrechter oordeelt dat [eiser] slecht werk heeft verricht en daarom en daarom € 36.352,35 aan [gedaagde] moet betalen.

Overwegingen

3
De beoordeling

in conventie

3.1.

[eiser] vordert van [gedaagde] nakoming van de overeenkomst. Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] de woning van [gedaagde] zou renoveren en alle kozijnen zou vervangen voor kunststofkozijnen. De aanneemsom was volgens de overeenkomst die [gedaagde] op 28 april 2024 heeft getekend € 49.983,70. Op 6 juni 2024 is nader overeengekomen dat [eiser] ook de noodzakelijke spouwankers zou leveren en plaatsen. De overeenkomst is daarna op 12 juli 2024 nogmaals aangepast, aangezien [gedaagde] specifieke wensen had voor de te plaatsen kozijnen. Ook heeft [eiser] op 20 mei 2024 een offerte uitgebracht voor het aanbrengen van dakbedekking. Een bevriende aannemer van [eiser] , [A] , heeft die dakbedekking aangebracht en de kosten daarvan rechtstreeks gefactureerd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft de betreffende factuur van [A] voldaan. In totaal bedroeg de aanneemsom volgens [gedaagde] met de aanvullingen € 76.962,34. Dit is door [eiser] niet betwist.

3.2.

[gedaagde] stelt dat zij van de aanneemsom € 75.056,63 heeft betaald. Een deel daarvan (ongeveer € 20.000) is kennelijk betaald door de moeder van [gedaagde] . Pas bij akte van 16 december 2025 heeft [eiser] betwist dat [gedaagde] € 75.056,63 heeft voldaan. In zijn akte komt ook ineens naar voren dat hij zowel het huis van de moeder van [gedaagde] als het huis van [gedaagde] heeft verbouwd en dat de foto’s van bouwfouten in het hierna te bespreken rapport van de deskundige die [gedaagde] heeft ingeschakeld, zien op de situatie in het huis van moeder.

Al deze informatie had [eiser] kunnen en moeten delen in de inleidende dagvaarding. Ook had hij tijdens de mondelinge behandeling kunnen en moeten toelichten wat hij wel en niet aan betalingen van [gedaagde] en haar moeder had ontvangen als de beide projecten, zoals hij nu kennelijk beoogd te stellen, met elkaar verband hielden. Dat heeft hij niet gedaan. Sterker nog, uit de inhoud van de dagvaarding kan worden opgemaakt dat [eiser] uitgaat van de betalingen die [gedaagde] stelt te hebben gedaan. [eiser] vordert namelijk nakoming (deels in de vorm van betaling van de nog niet betaalde aanneemsom vermeerderd met meerwerk). Het standpunt dat [eiser] bij akte van 16 december 2025 heeft ingenomen valt dus niet te rijmen met de inhoud van de dagvaarding. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] 75.056,63 aan [eiser] heeft betaald, dus bijna de volledige aanneemsom. Voor dit bedrag mocht [gedaagde] verwachten dat nagenoeg al het werk door [eiser] afgerond zou zijn. Uit de bespreking van de vordering in reconventie zal duidelijk worden dat dit bij lange na niet het geval is.

3.3.

In conventie vordert [eiser] nakoming van een factuur die ziet op werkzaamheden die [eiser] heeft uitgevoerd volgens de oorspronkelijke overeenkomst. Drie andere facturen zien op het meerwerk dat [gedaagde] heeft gedaan en één factuur op de gederfde inkomsten door het niet nakomen van het contract. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] al deze facturen niet hoeft te betalen.

[gedaagde] hoeft de facturen die zien op nakoming van de overeenkomst niet te betalen

3.4.

Het is voor de factuur waarop [eiser] nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst vordert, 240034, onduidelijk waarop deze factuur gebaseerd is. Wanneer [gedaagde] deze factuur zou betalen, zal zij vrijwel de gehele aanneemsom betaald hebben. De werkzaamheden zijn echter bij lange na nog niet afgerond. [eiser] heeft dit ook erkend. Dit komt bij de vordering in reconventie nog verder aan bod. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen, omdat niet is gebleken dat daarvoor de overeengekomen werkzaamheden zijn verricht.

[gedaagde] hoeft de meerwerk facturen niet te betalen

3.5.

Ook de facturen 24030, 24031 en 24032, waarop [eiser] meerwerk in rekening brengt, hoeft [gedaagde] niet te betalen. [eiser] heeft namelijk niet onderbouwd dat het hier gaat om meerwerk. Hij stelt weliswaar dat hij extra werkzaamheden heeft verricht, maar volgens de deskundige [deskundige] die [gedaagde] heeft ingeschakeld (hierna: de deskundige) (Voetnoot 1), gaat het hier grotendeels om voorzienbare werkzaamheden (en dus niet om werkzaamheden die vallen onder meerwerk), die bovendien zo slecht zijn uitgevoerd dat veel van het uitgevoerd werk overnieuw moet gebeuren. Daarvoor hoeft [gedaagde] dus niet te betalen. Voor wat betreft de gefactureerde gevelreiniging (waarvoor [gedaagde] wel opdracht heeft gegeven en dat dus als meerwerk kan worden bestempeld), geldt dat het resultaat na de reiniging volgens de deskundige desastreus is, omdat [eiser] zoutzuur heeft gebruikt op de toch al poreuze steen. Daardoor is er nu sprake van een blijvende zwarte aanslag op de stenen. [eiser] heeft dit betwist door te stellen dat het gaat om roet afkomstig uit de omgeving. Dit acht de kantonrechter op basis van het deskundigenrapport niet aannemelijk. De zwarte aanslag is namelijk precies afgetekend zichtbaar op het gedeelte van de muur dat [eiser] heeft behandeld. Bovendien was het de bedoeling dat het aanzien van de muur door de reiniging zou verbeteren en dat is evident niet het geval. De conclusie is dus dat [eiser] slecht werk heeft geleverd waarvoor [gedaagde] niet hoeft te betalen. Daarom vraagt [gedaagde] in reconventie ook schadevergoeding van [eiser] .

[gedaagde] hoeft de factuur voor de gederfde inkomsten niet te betalen

3.6.

Ook de laatste door [eiser] gevorderde factuur hoeft [gedaagde] niet te betalen. [eiser] vordert op deze factuur gederfde inkomsten, maar hij heeft niet onderbouwd wat deze gederfde inkomsten zouden zijn. Hij stelt dat hij inkomsten misloopt nu [gedaagde] de overeenkomst voortijdig heeft beëindigd. Maar, zoals hiervoor al uiteen is gezet, heeft [gedaagde] bijna de gehele aanneemsom betaald, terwijl de werkzaamheden nog lang niet afgerond zijn. Als [gedaagde] de overeenkomst niet had beëindigd, had [eiser] dus het werk nog af moeten maken en de woning in goede staat moeten achterlaten, terwijl hij daarvoor nog maar recht zou hebben op 2,5% van de aanneemsom.

[eiser] moet de proceskosten in conventie betalen

3.7.

[eiser] is conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in conventie worden begroot op:

- salaris gemachtigde

812,00

(2 punten × € 406,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

947,00

Deze proceskostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat [gedaagde] daar niet om heeft gevraagd.

in reconventie

De kantonrechter volgt de conclusies uit het rapport van de deskundige van [gedaagde]

3.8.

In reconventie vordert [gedaagde] betaling van [eiser] van in totaal € 52.994,81. Deze vordering bestaat uit meerdere onderdelen, die er op neer komen dat [eiser] in allerlei opzichten te kort is geschoten in zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst omdat hij zijn werk niet of niet deugdelijk heeft geleverd. Om dit te onderbouwen heeft [gedaagde] verwezen naar de bevindingen van haar deskundige, [deskundige](Voetnoot 2)

3.9.

De kantonrechter neemt de conclusies van deze partijdeskundige over en maakt die tot de hare. De deskundige heeft goed gemotiveerd gerapporteerd, duidelijk uitgelegd wat er precies aan werkzaamheden zichtbaar is, hoe die werkzaamheden zijn uitgevoerd en wat hij van de werkzaamheden vindt. Het was aan [eiser] om die bevindingen gemotiveerd te weerspreken. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft volstaan met algemene kritiek op het rapport. Het is niet zo dat [eiser] geen kans heeft gehad om adequaat op de bevindingen van de deskundige te reageren. Hij is namelijk aanwezig geweest bij het eerste bezoek van de deskundige, heeft daar alles kunnen zeggen wat hij wilde en de deskundige heeft dat dus ook bij de rapportage kunnen betrekken. [eiser] is bovendien uitgenodigd bij het tweede bezoek van de deskundige nadat het eerste rapport was uitgebracht. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod op dat moment met de deskundige in debat te gaan of een eigen deskundige mee te nemen. [eiser] heeft geen enkele andere poging ondernomen om zelf een deskundig weerwoord op te stellen. [eiser] volstaat met stellen dat de kantonrechter geen gebruik zou mogen maken van de conclusies van een partijdeskundige, maar daarvoor zijn geen aanknopingspunten in de wet.

[gedaagde] heeft de aannemingsovereenkomst rechtsgeldig ontbonden, [eiser] moet wat onverschuldigd is betaald terugbetalen en daarnaast de schade vergoeden die [gedaagde] lijdt

3.10.

Uit het rapport van de deskundige over de verrichte werkzaamheden blijkt dat [eiser] bouwfout op bouwfout heeft gemaakt. De deskundige noemt schadeposten aan de schuifpui in de woonkamer, het keukenkozijn, het kozijn aan de voorzijde op de begane grond, het gevelmetselwerk, het stalen portaal en de dakdekking op het balkon. [eiser] heeft betwist dat hij zijn werk niet goed zou hebben gedaan. Hij noemt hiervoor meerdere argumenten, maar die komen alle neer op het verwijt dat de woning vóór de werkzaamheden al in een zeer slechte bouwkundige staat zou zijn geweest. [eiser] zegt dat hij hier omheen moest werken en steeds verborgen gebreken tegen kwam, waardoor hij zijn werkzaamheden niet op een goede manier kon uitvoeren, zoals hij zou willen. [eiser] betwist dus dat hij toerekenbaar tekort is geschoten zijn verplichtingen.

3.11.

De kantonrechter stelt voorop dat van een zorgvuldig handelend aannemer verwacht mag worden dat hij adequaat anticipeert op en rekening houdt met onverwachte of tegenvallende omstandigheden tijdens het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden en dat hij zodanige aanpassingen doorvoert dat het uiteindelijke resultaat goed is. Het resultaat dat [eiser] heeft geleverd en waarvoor [gedaagde] al € 75.056,63 heeft betaald, is echter verre van goed. De woning van [gedaagde] is al jaren onbewoonbaar en de gevel is door de werkzaamheden van [eiser] beschadigd geraakt. De deskundige heeft bovendien in zijn rapport uitgelegd dat de punten in de woning die [eiser] ‘verborgen gebreken’ noemt, bij een degelijk vooronderzoek al aan het licht waren gekomen en dat [eiser] hierop dus had kunnen en moeten anticiperen. Dit betekent dat de geconstateerde tekortkomingen aan [eiser] kunnen worden toegerekend. (Voetnoot 3)

3.12.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij wat betreft de tekortkoming in de nakoming niet in verzuim zou zijn, omdat hij niet op een juiste wijze door [gedaagde] in gebreke is gesteld. Dit volgt de kantonrechter niet, nu [gedaagde] meerdere keren aan [eiser] heeft laten weten niet tevreden te zijn over de werkzaamheden, waaronder in twee e-mails van 15 oktober 2024 en 20 maart 2025. [eiser] heeft daar niets mee gedaan, maar heeft enkel zijn werkzaamheden gestaakt toen [gedaagde] ten einde raad heeft besloten de laatste facturen niet meer te betalen. Daaruit heeft [gedaagde] op goede gronden mogen afleiden dat [eiser] niet meer wilde nakomen en is [eiser] van rechtswege in verzuim komen te verkeren. (Voetnoot 4)

3.13.

[gedaagde] heeft op 7 juli 2025 de overeenkomst met [eiser] ontbonden. (Voetnoot 5) Deze ontbinding is rechtsgeldig. [eiser] is namelijk tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en verkeerde in verzuim, dus mocht [gedaagde] de overeenkomst ontbinden. (Voetnoot 6) Door deze ontbinding ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen. (Voetnoot 7) Dat betekent dat de werkzaamheden die [eiser] nog niet heeft verricht niet meer door hem [eiser] hoeven te worden verricht en dat [gedaagde] die werkzaamheden ook niet meer hoeft te betalen. [gedaagde] heeft een overzicht gemaakt van de nog niet door [eiser] verrichte werkzaamheden en de kosten daarvan, aan de hand van de overeenkomst van 24 april 2024 en het deskundigenrapport. Volgens [gedaagde] heeft zij een bedrag van € 14.487,70 betaald voor werkzaamheden die niet zijn verricht. Verminderd met de laatste 2,5% van de aanneemsom die [gedaagde] nog niet heeft betaald, is dit € 12.581,99. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] bij haar berekening bedragen heeft meegenomen die zagen op andere werkzaamheden, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd, dus de kantonrechter begrijpt niet wat er volgens [eiser] niet klopt aan de duidelijke berekening van [gedaagde] van hetgeen onverschuldigd is betaald. De kantonrechter gaat dan ook uit van een onverschuldigd betaald bedrag van € 12.581,99.

3.14.

Omdat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst moet hij daarnaast aan [gedaagde] een schadevergoeding betalen voor de schade die hij heeft veroorzaakt. De deskundige heeft deze schade begroot op € 25.026,75. In dit bedrag is € 5.324,00 opgenomen voor schade die nevenaannemer [A] heeft veroorzaakt. [gedaagde] vordert deze schade niet van [eiser] , waardoor de vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van wanprestatie € 19.702,75 bedraagt. [eiser] heeft de hoogte van dit bedrag niet gemotiveerd betwist en zal daarom € 19.702,75 aan [eiser] moeten betalen.

3.15.

[gedaagde] heeft uitgelegd dat de terugbetaling van bedragen die door [gedaagde] onverschuldigd zijn betaald, onvoldoende is om de kosten voor het afmaken van de werkzaamheden aan haar woning te dekken. De deskundige heeft die kosten namelijk berekend op € 16.649,00. [eiser] heeft dit bedrag niet betwist. Het verschil met het bedrag dat [gedaagde] van [eiser] terug moet krijgen voor de onverschuldigd betaalde bedragen, is € 4.076,61. Dit is schade die voor rekening van [eiser] komt. Als [eiser] zijn werk goed had gedaan, had [gedaagde] deze kosten namelijk niet te hoeven maken.

[eiser] heeft [gedaagde] als consument niet voldoende geïnformeerd over de aard en de duur van de werkzaamheden die hij zou verrichten

3.16.

[gedaagde] vordert ook een korting op de aanneemsom als sanctie omdat [eiser] zijn verplichting heeft geschonden om [gedaagde] deugdelijk bij aanvang van de overeenkomst te informeren over haar rechten en verplichtingen. (Voetnoot 8) Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten. Hoewel de overeenkomst niet in een verkoopruimte tot stand is gekomen is geen sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte waarop de wettelijke bepalingen van toeapssing zijn waarop [gedaagde] zich beroept.  (Voetnoot 9) In overweging 21 bij de richtlijn waarop de betreffende artikelen zijn gebaseerd (Voetnoot 10) staat namelijk (onder meer) het volgende:

“De definitie van „buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst” mag niet gelden voor situaties waarin een handelaar bij een consument thuis komt uitsluitend om op te meten of een kostenraming te geven zonder enige verplichting voor de consument, en de overeenkomst pas op een later tijdstip op basis van de kostenraming van de handelaar wordt gesloten in de verkoopruimten van de handelaar of met behulp van een middel voor communicatie op afstand. In die gevallen mag de overeenkomst niet worden beschouwd als zijnde onmiddellijk gesloten nadat de handelaar de consument heeft aangesproken, als de consument tijd heeft gehad om over de kostenraming van de handelaar na te denken alvorens de overeenkomst te sluiten.”

Van een dergelijke situatie was hier sprake. [eiser] is bij [gedaagde] thuis geweest en [gedaagde] heeft over het doen van zaken met [eiser] na kunnen denken en ook nog van gedachten gewisseld over verschillende concepten van de te sluiten aannemingsovereenkomst, voordat zij haar handtekening onder de uiteindelijke aannemingsovereenkomst heeft gezet. Dat betekent dat [eiser] [gedaagde] niet hoefde te attenderen op een recht de overeenkomst na sluiting binnen veertien dagen te ontbinden. De gevorderde sanctie op die schending van de informatieplicht van [eiser] wordt dus afgewezen.

3.17.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat op de overeenkomst tussen partijen wel de informatieplichten uit artikel 6:230l BW van toepassing zijn. (Voetnoot 11) In artikel 6:230l BW staat de handelaar de consument moet informeren over de duur van de overeenkomst en de voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten, in de mate waarin dit gezien de gebruikte zaken of diensten passend is. [eiser] heeft deze informatieplicht geschonden. [eiser] heeft zich namelijk voorgedaan als een deskundig aannemer en dus geen deugdelijke informatie verstrekt over zijn kennis en kunde én heeft geen termijn genoemd waarbinnen de werkzaamheden, bij een gebruikelijke voortgang ervan, zouden zijn afgerond. Uitgangspunt is dat een overeenkomst wordt vernietigd als de informatieplicht wordt geschonden. In dit geval is echter al vergaand uitvoering gegeven aan de aannemingsovereenkomst, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en schadevergoeding gevorderd. Er is dus gebruik gemaakt van andere wettelijke bepalingen om te bewerkstelligen dat de rechten van de consument bij een tekortschietende leverancier van zaken en diensten worden geëerbiedigd. De kantonrechter vindt een sanctie wegens het schenden van informatieplichten daarbij niet zonder meer passend. [gedaagde] heeft haar stellingen ook niet gericht op een sanctie vanwege het schenden van deze informatieplichten. De kantonrechter ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten om ambtshalve een sanctie toe te passen.

Conclusie: [eiser] moet € 36.352,35 aan [gedaagde] betalen, vermeerderd met de wettelijke rente

3.18.

[eiser] moet € 19.702,75 en € 4.067,61 aan schadevergoeding en € 12.581,99 aan onverschuldigd betaalde bedragen aan [gedaagde] betalen. In totaal is dit € 36.352,35. Omdat [eiser] te laat is met betalen, moet hij ook de wettelijke rente over dit bedrag betalen. [gedaagde] vordert de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. [eiser] heeft dit niet betwist en is daarom de wettelijke rente verschuldigd vanaf 29 juli 2025.

[eiser] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.19.

[gedaagde] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het bedrag dat [gedaagde] heeft gevorderd is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief, omdat de kantonrechter een deel van de hoofdsom heeft afgewezen. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, € 1.138,52.

[eiser] moet de kosten van het conservatoire beslag aan [gedaagde] betalen

3.20.

[gedaagde] heeft met verlof van de rechtbank Midden-Nederland, afgegeven op 22 juli 2025 conservatoir beslag gelegd onder [eiser] . [gedaagde] vordert betaling van de kosten die verband houden met het leggen van deze conservatoire beslagen. In de wet is bepaald dat de kosten van het beslag van de beslagene teruggevorderd kunnen worden, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. (Voetnoot 12) Gelet op wat hiervoor is overwogen en geoordeeld en de omvang van de toe te wijzen bedragen, acht de kantonrechter het beslag niet onnodig of onrechtmatig.

3.21.

[eiser] heeft betwist dat hij de beslagkosten moet betalen, omdat volgens hem het beslag is komen te vervallen. [gedaagde] heeft namelijk geen eis in de hoofdzaak ingesteld binnen de vereiste wettelijke termijn. (Voetnoot 13) De kantonrechter gaat hier niet in mee. Het doel van deze regel is te voorkomen dat het beslag als pressiemiddel wordt gebruikt en dus te verzekeren dat een procedure aanhangig wordt gemaakt. (Voetnoot 14) In dit geval is er echter binnen de aan [gedaagde] door de voorzieningenrechter gegeven termijn om een hoofdzaak in te stellen, al een procedure aanhangig gemaakt door [eiser] . [gedaagde] heeft op 6 augustus 2025 wel haar dagvaarding bij [eiser] laten betekenen. Vervolgens heeft zij op tijd haar eis in reconventie in deze procedure ingesteld. [eiser] was dus tijdig op de hoogte van de vordering ter verzekering waarvan beslag was gelegd en wist dat [gedaagde] daarvoor in een procedure een executoriale titel wilde verkrijgen. In lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad, maakt dit dat [gedaagde] op tijd een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld en dat het conservatoir beslag niet is komen te vervallen. (Voetnoot 15)

3.22.

[gedaagde] heeft de kosten van beslag onderbouwd met het beslagrekest en de factuur van de deurwaarder. Het gevorderde bedrag van € 1.249,99 (inclusief € 331,00 griffierecht) zal als niet weersproken worden toegewezen. Daarnaast moet [eiser] een vergoeding betalen voor het salaris van de gemachtigde van [gedaagde] . Bij het bepalen van de hoogte van dit salaris wordt uitgegaan van het liquidatietarief kanton. Uitgaande van de toegewezen hoofdsom bedraagt dat tarief € 815,00 per punt. Voor het indienen van het verzoekschrift tot het leggen van beslag wordt één punt van € 815,00 toegewezen. Aan beslagkosten zal in totaal een bedrag van € 2.064,99 worden toegewezen.

[eiser] moet de proceskosten in reconventie betalen

3.23.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

1.630,00

(2 punten × € 815,00)

Totaal

1.630,00

Uitvoerbaar bij voorraad

3.24.

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [gedaagde] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Beslissing

4
De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

4.3.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 36.352,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.4.

veroordeelt [eiser] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.064,99,

4.5.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.138,52 aan buitengerechtelijke incassokosten,

4.6.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.630,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

4.9.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.10.

verklaart 4.9 uitvoerbaar bij voorraad,.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

62938

Voetnoot

Voetnoot 1

Productie 8 bij productie 3 van de conclusie van antwoord

Voetnoot 2

Productie 8 bij productie 3 van de conclusie van antwoord.

Voetnoot 3

In de zin van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Voetnoot 4

Artikel 6:81 jo. 6:82 lid 1 BW.

Voetnoot 5

Zie productie 1 conclusie van antwoord.

Voetnoot 6

Artikel 6:265 lid 1 BW.

Voetnoot 7

Artikel 6:271 BW.

Voetnoot 8

artikelen 6:230m BW en 6:230o BW

Voetnoot 9

Zie ook Hof Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1157.

Voetnoot 10

Richtlijn 2011/83/EU van 25 oktober 2011.

Voetnoot 11

Het gaat hier namelijk om een overeenkomst met een consument anders dan op afstand en buiten de verkoopruimte

Voetnoot 12

Artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv).

Voetnoot 13

Artikel 700 lid 3 Rv.

Voetnoot 14

Zie HR 9 februari 2007, ECLI:NL:2007:AZ2587, NJ 2007/13 (Wessex/Itera).

Voetnoot 15

Zie ook HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6082.