Civiel recht overig
Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter waarbij aan de vrouw verlof is verleend…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6943 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6943
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.364.266
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D. Rezaie, mr. A. Hashem Jawaheri
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6943
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter waarbij aan de vrouw verlof is verleend om de eerdere veroordeling van de man tot medewerking aan de Mubarat-echtscheiding ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang. Daarnaast veroordeelt het hof de man tot betaling van de proceskosten van de vrouw in hoger beroep.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.266
zaaknummer rechtbank Overijssel 341441
arrest in kort geding van 27 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D. Rezaie,
en
[verweerder] (de vrouw),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri.
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op 29 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep met de memorie van grieven en een incident;
-
de memorie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident, en
-
het arrest in het incident in kort geding van 10 maart 2026.
Op 18 september 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Aanwezig waren:
-
de man met zijn advocaat en een begeleider;
-
de vrouw met haar advocaat.
2 De kern van de zaak
Partijen zijn in 2019 in Iran getrouwd. In de huwelijksakte is een bruidsgave overeengekomen van honderd Bahar Azadi gouden munten. In een vonnis van 22 februari 2023 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de waarde van die munten, te weten 50.670,-, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Het huwelijk van partijen is op 17 juni 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 februari 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
In een vonnis van 4 november 2025 heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze Mubarat-echtscheiding (hierna: Mubarat-echtscheiding) zoals beschreven in dat vonnis, dit op verbeurte aan de vrouw van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man weigert aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 10.000,-. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis en heeft niet voldaan aan de veroordeling tot medewerking aan de Mubarat-echtscheiding. Die zaak (bij het hof bekend onder zaaknummer 200.362.315) is doorgehaald, omdat geen van de partijen heeft gefourneerd.
De vrouw heeft in onderhavige (tweede) procedure bij de voorzieningenrechter in kort geding, voor zover hier van belang, gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 november 2025 bij lijfsdwang toe te staan zolang de man niet voldoet aan de veroordeling zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Mubarat-echtscheiding, met veroordeling van de man in de proceskosten. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
In het bestreden vonnis van 29 december 2025 heeft de voorzieningenrechter de vrouw verlof verleend om, als de man niet binnen vier weken na betekening van dat vonnis heeft voldaan aan de bij vonnis van 4 november 2025 jegens hem uitgesproken veroordeling tot medewerking aan de Mubarat-echtscheiding, deze veroordeling ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang en dus de man in gijzeling te doen stellen totdat de man aan deze veroordeling heeft voldaan, met dien verstande dat de gijzeling maximaal zes maanden zal duren. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw vastgesteld op in totaal € 1.342,45. De voorzieningenrechter heeft die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 december 2025. Hij is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter. Hij wil dat het hof die beslissing ongedaan maakt, de vrouw in haar vorderingen alsnog niet-ontvankelijk verklaart althans deze afwijst en de vrouw veroordeelt in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en de procedure bij het hof.
De vrouw is het wel eens met de beslissing van de voorzieningenrechter. Zij wil dat het hof die beslissing in stand laat en de man veroordeelt in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en de procedure bij het hof.
Het hof beslist dat de beslissing van de voorzieningenrechter in stand blijft en het hof veroordeelt de man in de kosten van de procedure bij het hof. Het hof licht dat hierna toe.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse
rechter rechtsmacht heeft. Het toepasselijk recht is in hoger beroep niet in geschil. Ook het hof zal daarom Nederlands recht toepassen.
Behandeling in kort geding
Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat de vordering van de vrouw zich niet leent voor behandeling in kort geding. De vordering van de vrouw strekt tot nakoming van het vonnis van 4 november 2025 en in dat vonnis was de toepassing van lijfsdwang niet toegestaan. Daarom moest de vrouw haar vordering bij de voorzieningenrechter indienen en is in de wet voorgeschreven dat het ook wordt behandeld als een kort geding.
Wettelijk kader lijfsdwang
De rechter kan op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen, voor zover zij een veroordeling tot iets anders dan betaling van een geldsom inhouden. Voordat tenuitvoerlegging bij lijfsdwang kan worden bevolen, dient de vraag te worden beantwoord of het aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden én het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Uitvoerbaarheid bij lijfsdwang wordt niet uitgesproken indien de schuldenaar buiten staat is aan de verplichting waarvoor tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt verlangd, te voldoen. De tenuitvoerlegging van de lijfsdwang duurt ter zake van dezelfde verplichting ten hoogste een jaar.
Oordeel van het hof lijfsdwang
Het hof stelt voorop dat het in deze zaak gaat om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 november 2025, waarbij de man is veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Mubarat-echtscheiding. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op dit moment rust op de man de verplichting om aan dit vonnis te voldoen. De man heeft bezwaar tegen de veroordeling om mee te werken aan de Mubarat-echtscheiding, maar die veroordeling ligt in deze procedure niet aan het hof voor. Het gaat in deze zaak louter om de vraag of het hof de tenuitvoerlegging van dat vonnis bij lijfsdwang al dan niet moet toestaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende gesteld om aan te nemen dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting die hem in het vonnis van 4 november 2025 is opgelegd. Het enkele feit dat de man vindt dat hij niet kan meewerken aan de Murabat-echtscheiding omdat hij vindt dat deze echtscheidingsvariant niet van toepassing is, maakt niet dat hij niet in staat is mee te werken.
Naar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst zal bieden. De man heeft tot op heden niet meegewerkt, ondanks dat er dwangsommen verbeurd zijn. Bovendien heeft de man tijdens de zitting bij het hof uitdrukkelijk verklaard dat hij ‘met dwang nooit gaat meewerken’.
Daarnaast is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. De man stelt dat de vrouw in Nederland woont en geen enkele band meer heeft met Iran, maar dat heeft de vrouw naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd weerlegd. De vrouw heeft uitgelegd dat zij vrienden en familie in Iran heeft, die zij zou willen bezoeken en voor wie het nagenoeg onmogelijk is om haar in Nederland te bezoeken. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij beperkingen ervaart vanwege het voortduren van het huwelijk naar Iraans recht. Volgens de vrouw kan zij niet hertrouwen in Iran, zolang er naar Iraans recht nog sprake is van een huwelijk. Dit belemmert haar, nu zij de voorkeur geeft aan een relatie met een man van Iraanse afkomst. Bij het aangaan van een nieuwe relatie kan zij worden blootgesteld aan strafvervolging, omdat dit wordt beschouwd als overspel. Dat wordt volgens de vrouw in Iran als een misdrijf aangemerkt, op basis waarvan de doodstraf door steniging kan worden opgelegd. Daarnaast kan zij door het voortduren van het huwelijk niet onbezorgd een bezoek brengen aan haar familie en vrienden in Iran, omdat de man haar een uitreisverbod kan opleggen. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende weersproken dat sprake is van deze beperkingen. Ook afgezet tegen de door de man gestelde belangen, namelijk zijn (niet nader toegelichte) psychische toestand, het potentiële verlies van zijn uitkering en/of woning en de mogelijke financiële gevolgen van lijfsdwang, komt het hof tot de conclusie dat het belang van de vrouw om religieus te scheiden zwaarder weegt en dit belang de toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt.
Net als de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat aan alle vereisten voor tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt voldaan, zodat het hof het bestreden vonnis van 29 december 2025 zal bekrachtigen. De voorzieningenrechter heeft het middel lijfsdwang ook terughoudend toegepast, door de lijfsdwang te beperken tot een periode van ten hoogste zes maanden. Het hoger beroep slaagt niet.
Proceskosten
Omdat de man in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. De vrouw heeft het hof gevraagd de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Zij heeft echter geen incidenteel appel ingesteld tegen het bestreden vonnis van 29 december 2025. Het hof komt daarom niet toe aan een beoordeling van de proceskosten in eerste aanleg.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie
Almelo, van 29 december 2025;
veroordeelt de man tot betaling van de volgende proceskosten van de vrouw:
€ 373,- aan griffierecht;
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van de vrouw (2 procespunten x appeltarief II);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.