Civiel recht overig

Incidenteel spoedverzoek door een belanghebbende in een verzoekschriftprocedure tot schorsing van een door de…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
200.371.769/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.I. Krikke te Amsterdam, mr. K.E.L. van Haastrecht te Amsterdam, mr. M.C. Pinto te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6991
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Incidenteel spoedverzoek door een belanghebbende in een verzoekschriftprocedure tot schorsing van een door de rechtbank gelast getuigenverhoor. Spoedverzoek wordt afgewezen.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 april 2026

    ECLI:NL:GHARL:2026:2351
  2. Rechtbank Noord-Nederland · 22 juni 2026

    ECLI:NL:RBNNE:2026:2437
  3. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 13 augustus 2026

    ECLI:NL:GHARL:2026:5284
  4. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 30 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:6991

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.371.769/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 251280

beschikking in het incident van 30 oktober 2026

in de zaak van

1 Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG)

die is gevestigd in Groningen

2. Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V. (OZG)

die is gevestigd in Scheemda

3. Stichting Treant Zorggroep (Treant Bestuurder)

die is gevestigd in Hoogeveen

4. Stichting Treant Ziekenhuiszorg (Treant Ziekenhuiszorg)

die is gevestigd in Hoogeveen

hierna gezamenlijk: UMCG c.s., waarbij Treant Bestuurder en Treant Ziekenhuiszorg tezamen ook als Treant worden aangeduid

bij de rechtbank: verweerders

advocaat: mr. J.I. Krikke te Amsterdam

en

Chipsoft B.V. (Chipsoft)

die is gevestigd in Amsterdam

bij de rechtbank: verzoekster

advocaat: mr. K.E.L. van Haastrecht te Amsterdam

en

Epic Den Bosch B.V. (Epic)

gevestigd te Den Bosch

belanghebbende

advocaat: mr. M.C. Pinto te Amsterdam

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

UMCG c.s. hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op

22 juni 2026 tussen hen en Chipsoft is gegeven door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

1.2

UMCG c.s. hebben in hun beroepschrift een incident opgeworpen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking, zowel wat betreft het toegewezen verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor als wat betreft het toegewezen verzoek tot het overleggen van bescheiden. Chipsoft heeft daarop een verweerschrift ingediend waarna dit incident door het hof op 29 juli 2026 mondeling is behandeld.

1.3

In een beschikking in dat incident van 13 augustus 2026 zijn UMCG c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de toewijzing van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor en is de tenuitvoerlegging van de beschikking van 22 juni 2026 geschorst wat betreft het toegewezen verzoek tot het overleggen van bescheiden.

1.4

In de beschikking van 13 augustus 2026 is verder in de hoofdzaak bepaald dat de griffier Epic op de voet van artikel 272 Rv (in samenhang met artikel 362 Rv) zal oproepen.

1.5

De griffier heeft per brief van 27 augustus 2026 Epic (via haar advocaat) in kennis gesteld van deze procedure onder toezending van het beroepschrift van UMCG c.s. en de bijlagen daarvan.

1.6

Chipsoft heeft op 1 september 2026 een verweerschrift ingediend op het beroepschrift van UMCG c.s. en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 22 juni 2026. Chipsoft heeft in dat verband haar verzoek vermeerderd.

1.7

De griffier heeft per brief van 8 september 2026 het verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift van Chipsoft aan Epic gezonden en haar gelegenheid geboden zich daarover uit te laten uiterlijk op 20 oktober 2026.

1.8

Op 20 oktober 2026 hebben UMCG c.s. verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend en daarbij gereageerd op de vermeerdering van het verzoek van Chipsoft.

1.9

Op 20 oktober 2026 is op de griffie van het hof van Epic een reactie ontvangen getiteld ‘verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep en spoedverzoek tot schorsing getuigenverhoor 3 en 17 november 2026’.

1.10

Op 26 oktober 2026 is een regiegesprek gehouden met de advocaten van partijen.

1.11

Op 28 oktober 2026 heeft Chipsoft op voormeld spoedverzoek van Epic een verweerschrift ingediend.

2 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten

2.1

UMCG heeft in 2015 haar elektronisch patiëntendossier (EPD) aanbesteed en gegund aan Epic. De ziekenhuizen OZG en Treant willen aansluiten bij dit systeem. Volgens Chipsoft kan dit niet zonder nieuwe aanbesteding door UMCG van het hele alsdan ontstane regionale EPD.

2.2

Het hof heeft op 21 april 2026 in kort geding geoordeeld dat de aanbesteding uit 2015 ook de optie van een regionaal EPD omvatte en heeft bepaald dat OZG niet als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. De vorderingen van Chipsoft in dat kort geding zijn alsnog afgewezen. Daartegen heeft Chipsoft beroep in cassatie ingesteld.

2.3

Ook heeft Chipsoft tegen UMCG c.s. twee bodemprocedures bij de rechtbank aangespannen. Chipsoft heeft, voordat die bodemprocedures waren aangebracht, een verzoekschrift tot het toestaan van voorlopige bewijsverrichtingen ingediend. Hierin heeft Chipsoft de rechtbank verzocht om te bepalen dat UMCG c.s. de door Chipsoft verzochte informatie aan haar dienen te verstrekken en om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Beide bodemprocedures zijn naar de slaaprol verwezen dan wel is daartoe door Chipsoft een verzoek gedaan, dit in afwachting van de uitkomst van de voorlopige bewijsverrichtingen die Chipsoft in de bodemprocedure wil kunnen verwerken. In de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank is Epic niet betrokken, ook niet als belanghebbende.

2.4

De rechtbank heeft in haar beschikking van 22 juni 2026 op de verzoeken als volgt beslist: UMCG c.s. moeten een afschrift verstrekken van een groot aantal stukken, opgesomd in r.o.v. 4.23 van de beschikking, met dien verstande dat voor zover in die stukken financiële gegevens worden vermeld, die mogen worden zwartgelakt. De afgifte van deze stukken diende uiterlijk 20 juli 2026 plaats te vinden. De rechtbank heeft hieraan een dwangsomveroordeling verbonden van € 2.500 per dag met een maximum van 50.000, die hoofdelijk aan alle verweerders in die procedure is opgelegd. Ook heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Per brief van 8 september 2026 heeft de rechtbank het verzoek van UMCG c.s. van 14 juli 2026 om hoger beroep toe te staan tegen het bevolen voorlopig getuigenverhoor afgewezen.

2.5

UMCG c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. UMCG heeft deels uitvoering gegeven aan de beschikking en ongeveer 80, al dan niet deels zwartgelakte documenten, aan Chipsoft ter beschikking gesteld.

2.6

De op verzoek van Chipsoft gelaste getuigenverhoren bij de rechtbank zijn gepland op 3 en 17 november 2026.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

3.1

Epic heeft in een incident het hof gevraagd de tenuitvoerlegging van het al bepaalde getuigenverhoor te schorsen. Dat verzoek zal hierna worden beoordeeld, in welk verband het hof vooropstelt dat een oordeel en al wat daartoe wordt overwogen aangaande een incidentele vordering tot schorsing (op grond van artikel 351 Rv) geen gezag van gewijsde (als bedoeld in artikel 236 Rv) toekomt voor de hoofdzaak.

3.2

Gelet op de aard en de achtergrond van de tussen UMCG c.s. en Chipsoft aanhangige bodemprocedures en de inzet van de voorlopige bewijsverrichtingen, waarmee kennelijk ook concurrentiegevoelige stukken en informatie aangaande (de producten van) Epic zijn gemoeid, heeft Epic als een belanghebbende te gelden in de zin van artikel 271 Rv, niet alleen wat betreft het inzageverzoek maar ook wat betreft het verzoek van Chipsoft om een voorlopig getuigenverhoor.

3.3

Epic is in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 22 juni 2026 niet als een belanghebbende aangemerkt en niet als zodanig opgeroepen. Zij is ook niet anderszins in die procedure verschenen. Dit leidt er (mogelijk) toe dat de beschikking niet in overeenstemming met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen en na (tijdige) aanwending van een rechtsmiddel aan vernietiging bloot staat. In dat geval kan tevens een appelverbod worden doorbroken.

3.4

Epic is, nadat zij door de griffier is opgeroepen, op 20 oktober 2026 in deze procedure verschenen. Het vervolgens door haar ingediende stuk beoogt de volledige afwijzing alsnog van de door Chipsoft verzochte voorlopige bewijsverrichtingen, voor zover toegewezen door de rechtbank. In het verlengde daarvan heeft Epic ‘met spoed’ de schorsing verzocht van de beschikking van 22 juni 2026 en meer in het bijzonder om te bepalen dat de voor 3 en 17 november 2026 geplande getuigenverhoren worden geschorst. Dat stuk is daarmee een principaal en geen incidenteel beroep voor zover dat ziet op wat door de rechtbank op 22 juni 2026 is toegewezen, waaronder het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. De toewijzing van dat verzoek wordt door Chipsoft in dit hoger beroep immers niet bestreden; het hoger beroep van Chipsoft richt zich enkel tegen de gedeeltelijke afwijzing van hun verzoek om een bevel te geven tot het overleggen van bescheiden. Door UMCG c.s. zijn wél grieven gericht tegen het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Op dat onderdeel van het hoger beroep van UMCG c.s. heeft het hof op 13 augustus 2026 echter al beslist. Daarbij heeft het hof UMCG c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep voor zover dat gericht is tegen de toewijzing van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor.

3.5

Of een beroep tijdig is ingesteld, moet de rechter als van openbare orde ambtshalve beoordelen. Als dat beroep buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend, is er al geen grond om in verband met dat beroep de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen. Die situatie is naar het oordeel van het hof hier aan de orde.

3.6

Wat betreft de hier geldende termijn voor beroep bepaalt artikel 200 lid 2 Rv, in afwijking van de in artikel 358 lid 2 Rv bepaalde termijn, dat de termijn voor het instellen van een hogere voorziening tegen een toegewezen voorlopige bewijsverrichting in voorkomende gevallen vier weken bedraagt. Die termijn geldt onverkort als het gaat om een niet door de rechter in eerste aanleg gehoorde belanghebbende die de toewijzende beslissing in beroep wil bestrijden met een beroep op een doorbrekingsgrond. Uit lid 2 van artikel 358 Rv volgt dat voor niet verschenen belanghebbenden de geldende beroepstermijn gaat lopen ‘na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden’.

3.7

Van Epic mocht – omdat zij met een ‘spoedverzoek’ vraagt om onmiddellijke opschorting van de getuigenverhoren – worden verwacht dat zij in haar processtuk van 20 oktober 2026 kenbaar had gemaakt op welk tijdstip zij met (de inhoud van) de beschikking bekend is geworden. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft in haar processtuk echter wel onbesproken gelaten wat UMCG c.s. daarover in hun beroepschrift van 17 juli 2026 hadden vermeld, te weten dat Epic in reactie op het toegewezen verzoek tot verstrekking van stukken het aan UMCG c.s. heeft verboden daartoe over te gaan. Dat beroepschrift met onder meer als bijlage de bestreden beschikking is op 27 augustus 2026 aan (de advocaat van) Epic toegezonden.

3.8

Uit een en ander volgt dat Epic geacht moet worden – zo al niet op 17 juli 2026, maar in ieder geval – op 28 augustus 2026, dan wel zeer kort nadien, bekend te zijn geworden met de beschikking. Dit leidt ertoe dat het hof het er nu, in het kader van dit incident, voor houdt dat Epic met haar processtuk van 20 oktober 2026 buiten de daarvoor geldende termijn van vier weken is opgekomen tegen het toegewezen verzoek tot het gelasten van een getuigenverhoor en zij dus ook buiten die termijn verzocht heeft om de tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Er is daardoor al geen voldoende reden om vooruitlopend op een inhoudelijk oordeel ter zake, de tenuitvoerlegging van de beslissing tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor te schorsen. Het daartoe strekkend verzoek van Epic zal daarom worden geweigerd.

3.9

Voor zover Epic met een beroep op lid 5 van artikel 358 Rv meent dat zij na het verstrijken van beroepstermijn nog tijdig in hoger beroep kon komen, is dat onjuist. Dat artikellid regelt alleen het instellen van incidenteel hoger beroep, waarvan in haar geval geen sprake is (zie rov. 3.4). Voor zover in de stellingen van Epic met het oog op de haar in de brief van 8 september 2026 door het hof geboden gelegenheid, een beroep op een ‘apparaatsfout’ is te lezen, die de termijnoverschrijding verschoonbaar zou doen zijn, wordt Epic daarin evenmin gevolgd. De tot 20 oktober 2026 geboden gelegenheid zag op het mogen reageren op het door Chipsoft ingestelde incidenteel hoger beroep en hield geen instructie of uitstel in aangaande een door Epic in te stellen rechtsmiddel.

De conclusie

3.10

Gezien het voorgaande komt het hof niet toe aan een verdere beoordeling van het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het toegewezen verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor conform de daarvoor geldende criteria. Bij de beoordeling van haar schorsingsverzoek voor zover dat ziet op het toegewezen verzoek tot het verstrekken van bepaalde bescheiden, heeft Epic, gezien de beschikking van 13 augustus 2026, geen voldoende belang. De in die beschikking gelaste schorsing blijft onverminderd gelden totdat het hof in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan.

3.11

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de eindbeschikking. De hoofdzaak wordt voorgezet in de stand waarin deze zich volgens het journaal civiel gerechtshoven bevindt. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

4.1

weigert de door Epic verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 juni 2026;

4.2

bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

4.3

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het journaal civiel gerechtshoven bevindt;

4.4

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, J. Smit en A.A.J. Smelt, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

ECLI:NL:RBNNE:2026:2437. ECLI:NL:GHARL:2026:5284. ECLI:NL:GHARL:2026:2351. Vgl. HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3086. Vgl. HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, en HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918. Vgl. HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1809. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.