Strafprocesrecht
Onderzoek Mierleeuw. Opiumwet, drugslijn naar het buitenland. Vrijspraak van feit 3: door verklaringen in de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 december 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:8507 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-8507
Zaakgegevens
Op 22 december 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 december 2025
- Datum publicatie
- 22 december 2025
- Zaaknummer
- 21-004788-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:8507
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Mierleeuw. Opiumwet, drugslijn naar het buitenland. Vrijspraak van feit 3: door verklaringen in de zaken van de medeverdachten is het hof er niet van overtuigd dat de geheime ruimte in de auto was bedoeld voor harddrugs, maar voor softdrugs. Veroordeling voor overige Opiumwet-feiten en overwegingen over de wetenschap van de inhoud van de verzonden pakketten. Schakelbewijs. Gevangenisstraf van 30 maanden.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004788-20
Uitspraakdatum: 22 december 2025
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2020 met parketnummer 18-950039-17 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 november 2025 en 22 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, primair strekkende tot het niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 14 december 2020. Verdachte is niet verschenen ter terechtzitting van het hof en heeft geen bezwaren opgegeven tegen het vonnis. Het hof ziet echter redenen die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken, te weten het feit dat de rechtbank een onjuiste tenlastelegging aan het vonnis ten grondslag heeft gelegd. Verdachte is om die reden ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.
Het vonnis
De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ten aanzien van hetgeen hem onder 1, 2 en 3(a) ten laste is gelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft verdachte (partieel) vrijgesproken van hetgeen hem overigens onder feit 3 ten laste is gelegd, te weten onder feit 3(b). Ook heeft de rechtbank de onder verdachte in beslag genomen Renault Trafic verbeurd verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Ook ten aanzien van de Renault Trafic komt het hof tot een andere beslissing. Gelet daarop en omdat de aan het vonnis ten grondslag liggende tenlastelegging onjuist is, zal het hof het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Omvang van het hoger beroep
De onder verdachte als 3a en 3b ten laste gelegde feiten laten zich, door de woorden ‘en/of’ in de tenlastelegging, zowel als alternatief als cumulatief ten laste gelegde feiten lezen. Gelet op de inhoud van het dossier vat het hof het onder 3a en 3b tenlastegelegde op als alternatieve tenlastelegging.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2016 tot en met 14 september 2016 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1001 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 19526 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
1. subsidiair
[medeverdachte 1] en/of één of meer medeverdachten in of omstreeks de periode van 13 september 2016 tot en met 14 september 2016 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1001 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 19526 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; tot/bij het plegen van welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 12 september 2016 te [plaats 2] en/of elders in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte labels besteld en/of betaald (ten behoeve van de verzending van de pakketten met bovenvermelde middelen);
2. primair
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of [plaats 4] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, meermalen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, meerdere pakketten (met een gewicht van in totaal bruto 178,1 kilo, naar [locatie 1] in Denemarken ) te weten de pakketten met ordernummers:
- [ordernummer 1]
- [ordernummer 2]
- [ordernummer 3]
- [ordernummer 4]
- [ordernummer 5]
- [ordernummer 6]
- [ordernummer 7]
bevattende (onder meer) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of heroïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
subsidiair
[medeverdachte 1] en/of een of meer medeverdachten in of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of [plaats 4] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, meermalen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, meerdere pakketten (met een gewicht van in totaal bruto 178,1 kilo, naar [locatie 1] in Denemarken ) te weten de pakketten met ordernummers:
- [ordernummer 1]
- [ordernummer 2]
- [ordernummer 3]
- [ordernummer 4]
- [ordernummer 5]
- [ordernummer 6]
- [ordernummer 7]
bevattende (onder meer) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of heroïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; tot/bij het plegen van welk feit hij, verdachte, op of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 te [plaats 2] en/of elders in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte labels besteld en/of betaald (ten behoeve van de verzending van de bovenvermelde pakketten met bovenvermelde middelen);
3(a)
hij op of omstreeks 26 april 2017 te [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (o.a. MDMA en/of amfetamine) voor te bereiden en/of te bevorderen een Renault Trafic met kenteken [kenteken] , met daarin een verborgen ruimte, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die Renault bestemd was tot het plegen van dat/die feit(en);
en/of
3(b)
hij op of omstreeks 26 april 2017 te [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, vervoermiddelen, ruimten, voorhanden heeft gehad, te weten een Renault Trafic met kenteken [kenteken] , met daarin een verborgen ruimte, waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 3
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Ter terechtzitting van het hof zijn de zaken van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak van verdachte behandeld. Uit de verklaringen van beide medeverdachten is gebleken dat er grote hoeveelheden hennep werden vervoerd met de Renault Trafic en dat medeverdachte [medeverdachte 3] dat samen met verdachte deed. Medeverdachte [medeverdachte 2] is ter terechtzitting als getuige gehoord in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] en heeft in die zaak verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 3] hem de in zijn loods gevonden 77 kilo hennep had gebracht op de datum van aanhouding. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bekend dat hij met de Renault Trafic hennep van A naar B bracht, tezamen met verdachte. In de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] heeft de advocaat-generaal om die reden de tenlastelegging gewijzigd om daar onder 3a aan toe te voegen het vervoeren, bewerken en afleveren van de betreffende hoeveelheid hennep. Het hof heeft medeverdachte [medeverdachte 3] heden veroordeeld voor het daadwerkelijk vervoeren van hennep en vrijgesproken van het eveneens onder 3a tenlastegelegde voorbereiden van het vervoeren van harddrugs.
In de zaak van verdachte is de tenlastelegging echter ongewijzigd gebleven. Het hof heeft door de genoemde verklaringen van de medeverdachten, die overigens niet in de zaak van verdachte zijn afgelegd, niet de overtuiging bekomen dat de geheime ruimte in de Renault Trafic bestemd was voor het vervoeren van harddrugs, zoals verdachte onder 3a ten laste is gelegd, maar voor het vervoeren van hennep, zoals verdachte onder 3b ten laste is gelegd. Dit feit is hem als volgt ten laste gelegd: verdachte moet de Renault Trafic voorhanden hebben gehad terwijl hij wist dat deze bestemd was voor het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf bewerken, verwerken, vervoeren, et cetera, van hennep (derde lid), dan wel deze handelingen verrichten, terwijl dit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennep (vijfde lid). De verklaringen van de medeverdachten zijn, als hiervoor opgemerkt, niet afgelegd in de zaak van verdachte. Het hof kan daarom in de zaak van verdachte op grond van het voorliggende dossier niet aan de hand van wettig bewijs vaststellen dat verdachte het feit als ten laste gelegd onder 3b heeft gepleegd, terwijl dit in de uitoefening van een beroep of bedrijf geschied is dan wel dat dit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Gelet hierop zal het hof verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder 3a ten laste is gelegd, omdat het hof niet de overtuiging bekomen heeft dat de geheime ruimte bestemd was voor harddrugs, en ook van hetgeen hem onder 3b ten laste is gelegd, wegens het ontbreken van wettig bewijs.
Bewijsoverwegingen feit 1 en 2
In hoger beroep zijn er door of namens verdachte geen verweren gevoerd tegen hetgeen hem ten laste is gelegd. Het hof zal verdachte veroordelen voor hetgeen hem onder 1 primair en 2 primair ten laste is gelegd. Aan de hand van de in de noten genoemde bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, zet het hof zijn overwegingen uiteen.
Bewijsmiddelen
Op 13 september 2016 zijn door medeverdachte [medeverdachte 1] twee pakketten aangeboden aan [pakketservice] gevestigd te [plaats 1] . Vóór het aanbieden van de pakketten heeft [medeverdachte 3] de medewerkster van de shop om een schaar gevraagd, waarna hij de pakketten op de achterbank van zijn auto heeft dichtgeplakt. De labels die voor deze pakketten zijn gebruikt, zijn op 12 september 2016 aangevraagd. Uit onderzoek naar de identiteit van de besteller van de pakketlabels is gebleken dat deze zijn besteld vanaf een IP-adres dat geregistreerd staat onder de naam van verdachte. Hierbij is het bankrekeningnummer van verdachte gebruikt om de labels te betalen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze labels in opdracht van [medeverdachte 3] heeft besteld en betaald. Het bestemmingsadres op de pakketten was [locatie 1] , [e-mailadres] . Het betrof een adres in Denemarken.
Naar aanleiding van de mededeling van de medewerkster van de [pakketservice] dat de jongeman die de pakketten heeft ingeleverd zich verdacht gedroeg, zijn de pakketten op 14 september 2016 in het distributiecentrum van [pakketservice] te [plaats 1] geopend. Bij het openen van een van de pakketten bleek dat er een doos in zat. In deze doos zat een groot, op een ovale bal lijkend voorwerp in een vacuümverpakking. Bij het opensnijden van de verpakking met een stanleymes, kwam er wit poeder uit. De politie is hierna gewaarschuwd en heeft de pakketten die dag in beslag genomen.
Tijdens het onderzoek op het politiebureau bleek dat in de twee pakketten 20 bakjes met een natte witte substantie en een samengeperst blok witte substantie zaten. Het totaal nettogewicht van de natte witte substantie was 19.526 gram. Het totaal nettogewicht van het blok was 1.001,19 gram. Uit nader onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat de substantie in de bakjes amfetamine bevat en dat het blok witte substantie cocaïne bevat.
Naar aanleiding van de eerdergenoemde pakketten die in beslag zijn genomen, is een onderzoek ingesteld binnen het bedrijf [pakketservice] te [plaats 1] . Uit het bedrijfssysteem bleek dat, inclusief de twee in beslaggenomen pakketten, in totaal 14 pakketten zijn ingeleverd om op het bedoelde adres in Denemarken te worden bezorgd. In bijna alle gevallen werden de pakketten per twee aangeboden. Uit het overzicht van de afleveringen blijkt het volgende:
-
Op 10 augustus 2016 is een pakket met [label 1] , ordernummer [ordernummer 1] , afgeleverd te [plaats 3] . Afzender op label: [afzender 1] t.n.v. [naam 1] ;
-
Op 15 augustus 2016 is een pakket met [label 2] , ordernummer [ordernummer 2] , afgeleverd te [plaats 3] . Afzender op label: [afzender 2] t.n.v. [naam 2] ;
-
Op 24 augustus 2016 zijn twee pakketten met labels [labels 1] , ordernummer [ordernummer 3] , afgeleverd te [plaats 1] . Afzender op labels: [afzender 3] t.n.v. [naam 3] ;
-
Op 29 augustus 2016 zijn twee pakketten met labels [labels 2] , ordernummer [ordernummer 4] , afgeleverd te [plaats 3] . Afzender op labels: [afzender 4] t.n.v. [naam 4] ;
-
Op 5 september 2016 zijn twee pakketten met labels [labels 3] , ordernummer [ordernummer 5] , afgeleverd te [plaats 4] . Afzender op labels: [afzender 5] t.n.v. [naam 5] ;
-
Op 12 september 2016 om 15:13 uur zijn twee pakketten met labels [labels 4] , ordernummer [ordernummer 7] , afgeleverd te [plaats 4] . Afzender op labels: [afzender 6] t.n.v. [naam 6] ;
-
Op 12 september 2016 om 14:29 uur zijn twee pakketten met labels [labels 5] , ordernummer [ordernummer 6] , afgeleverd te [plaats 3] . Afzender op labels: [afzender 6] t.n.v. [naam 6] .
De labels van de pakketten die zijn verstuurd op 24 augustus 2016, 29 augustus 2016 en 12 september 2016 zijn besteld vanaf het IP-adres dat geregistreerd staat onder de naam van verdachte. Deze labels zijn betaald met een bankrekeningnummer dat ook van verdachte is. De labels die horen bij de pakketten die op 10 augustus 2016, 15 augustus 2016 en 5 september 2016 zijn besteld vanaf een IP-adres waarvan de tenaamstelling onbekend is en zijn betaald met het bankrekeningnummer van medeverdachte [medeverdachte 3] . Het totaal bruto gewicht van de pakketten die naar Denemarken zijn verzonden is 178,1 kilo.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij een aantal van voornoemde pakketten heeft ingeleverd om te verzenden. Verdachte erkent dat hij de labels voor voornoemde pakketten heeft besteld en betaald. Hij heeft dit in opdracht van [medeverdachte 3] gedaan. Hij heeft niet aan [medeverdachte 3] gevraagd wat er met de pakketten werd verstuurd. Het geld dat verdachte voor de labels heeft betaald, kreeg hij van [medeverdachte 3] terug met wat extra. Als een pakketje bijvoorbeeld € 30,- kostte, kreeg hij € 50,- van [medeverdachte 3] .
Uit nader onderzoek is gebleken dat geen van de bereikbare bedrijven die op de labels als afzender stonden genoteerd, de bedoelde pakketten hebben verstuurd. De op de pakketten genoemde medewerkers van de respectievelijke bedrijven waren bij die bedrijven onbekend. Met de bedrijven [afzender 5] en [afzender 1] heeft de politie geen contact kunnen krijgen.
Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het opsporingsonderzoek in Nederland heeft de politie in Denemarken op 16 september 2016 onderzoek ingesteld op het adres te [locatie 2] in Denemarken. Bij de huiszoeking trof de Deense politie verschillende verdovende middelen aan, waaronder ongeveer 15 kg amfetamine en 803 gram cocaïne. Ook werden een laptop, twee vacuümapparaten en een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal aangetroffen. De bewoner [persoon] werd aangehouden.
Bij een laboratoriumonderzoek in Denemarken zijn zowel het verpakkingsmateriaal als de amfetamine uit Nederland en Denemarken met elkaar vergeleken. Uit het onderzoek is gebleken dat de verpakkingszakken gelijk waren wat betreft uiterlijk en materiaal. De amfetamine uit beide landen had hetzelfde chemische profiel.
Onderzoek op de laptop wees uit dat alle pakketten met hun unieke labelnummers die vanuit Nederland naar Denemarken waren verzonden, gevolgd werden via track and trace. In hoger beroep heeft [persoon] verklaard dat hij alle 12 pakketten uit Nederland heeft ontvangen. Ook is gebleken dat [persoon] een vooraankondiging heeft gekregen van de twee pakketten die [medeverdachte 3] op 13 september 2016 te [plaats 1] heeft ingeleverd.
Overwegingen
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wist dat de op 13 september 2016 ingeleverde pakketten harddrugs bevatten en tevens of vast is komen te staan dat de onder feit 2 tenlastegelegde pakketten eveneens harddrugs bevatten.
Onder omstandigheden is het gebruik van onder andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal voor die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.
Op 13 september 2016 heeft medeverdachte [medeverdachte 3] twee pakketten ingeleverd bij de [pakketservice] in [plaats 1] , waarin amfetamine en cocaïne zaten. Deze pakketten moesten op het adres [locatie 1] in Denemarken worden bezorgd. Als afzender stond vermeld [afzender 7] , een bedrijf dat met de zending niets te maken had. De labels voor deze pakketten zijn door verdachte besteld en betaald. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem de adressen had opgegeven. Vaststaat dat er tussen 10 augustus 2016 en 12 september 2016 nog 12 pakketten naar voornoemd adres in [locatie 2] zijn verstuurd. De labels voor deze pakketten zijn afwisselend door verdachte en [medeverdachte 3] besteld en betaald. Op de labels van de 12 eerder verzonden pakketten stonden telkens bedrijfsnamen en verzonnen namen van personen die niets met de verzending te maken hadden. De pakketten hadden elk een soortgelijke omvang als de onderschepte pakketten en veelal een gewicht van rond de 15 à 16 kilogram. De verzendingen vonden plaats in een relatief korte periode na elkaar. Op het adres in Denemarken is amfetamine aangetroffen met hetzelfde chemische profiel als de amfetamine die [medeverdachte 3] op 13 september 2016 heeft getracht te versturen. Ook was het in Denemarken aangetroffen verpakkingsmateriaal gelijk aan het verpakkingsmateriaal dat op 13 september 2016 is gebruikt.
Hieruit volgt dat de werkwijze (‘modus operandi’) steeds eenzelfde was en de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Deze overeenkomsten zijn dusdanig specifiek dat het hof veronderstelt, en er niet aan twijfelt, dat in de niet onderschepte pakketten dezelfde soort drugs zaten. Daarbij moeten alle omstandigheden in samenhang worden bezien. Van dusdanige verschillen in handelswijze dat deze veronderstelling wordt ondergraven, is niet gebleken en eventuele verschillen doen geen afbreuk aan de redengevendheid van voornoemde omstandigheden. Dat bij de geadresseerde van de drugs ook andersoortige drugs en soortgelijke drugs met een andere samenstelling zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid laat zich ook op andere wijze verklaren. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat [persoon] , naast verdachten, ook andere drugsleveranciers had.
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat in de 12 pakketten die tussen 10 augustus 2016 en 12 september 2016 naar Denemarken zijn verstuurd ook verdovende middelen hebben gezeten.
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de pakketten verdovende middelen zaten, door zonder te vragen wat er in de pakketten zat of hiernaar onderzoek te doen, in opdracht van [medeverdachte 3] pakketlabels te bestellen en te betalen, terwijl hij op de labels telkens andere gegevens dan die van [medeverdachte 3] moest opnemen en daarvoor ook telkens een vergoeding ontving. Bij verdachte is sprake geweest van voorwaardelijk opzet en verdachte heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, nauw en bewust samengewerkt met [medeverdachte 3] bij het uitvoeren van verdovende middelen naar Denemarken. Het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wordt daarom wettig en overtuigend bewezen geacht.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.primair
hij in de periode van 13 september 2016 tot en met 14 september 2016 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1001 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 19526 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2.
primair
hij in de periode van 10 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 te [plaats 3] en [plaats 1] en [plaats 4] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, meermalen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, meerdere pakketten (met een gewicht van in totaal bruto 178,1 kilo, naar [locatie 1] in Denemarken ) te weten de pakketten met ordernummers:
- [ordernummer 1]
- [ordernummer 2]
- [ordernummer 3]
- [ordernummer 4]
- [ordernummer 5]
- [ordernummer 6]
- [ordernummer 7]
bevattende (onder meer) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en cocaïne, zijnde amfetamine en cocaïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd ook in hoger beroep deze straf op te leggen.
Het hof overweegt als volgt. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid harddrugs, te weten amfetamine en cocaïne, door tezamen met medeverdachte [medeverdachte 3] in augustus en september 2016 veertien postpakketten met harddrugs naar een adres in Denemarken te versturen. Daarvan zijn twee pakketten onderschept. Dit zijn ernstige feiten. Harddrugs zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving. Zo kan het leiden tot geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. De verspreiding van en handel in die stoffen gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben die drugs op de markt te brengen, dienen dan ook te worden bestraft. Het is ernstig en kwalijk dat verdachte zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen.
Het hof heeft gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten niet eerder is veroordeeld, en ook na het plegen van onderhavige feiten niet opnieuw is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof heeft ook gekeken naar de straffen die ter zake van het in- en uitvoeren van (dit soort hoeveelheden) harddrugs plegen te worden opgelegd. In de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het in georganiseerd verband uitvoeren van een hoeveelheid harddrugs van 20 kilo of meer een gevangenisstraf vanaf 72 maanden als uitgangspunt genomen.
In het voordeel van verdachte weegt het hof mee dat, hoewel hij wel een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd aan de uitvoeringshandelingen, zijn aandeel daarin kleiner was dan dat van de medeverdachte. Ook houdt het hof er bij de strafoplegging rekening mee dat verdachte in hoger beroep wordt vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 ten laste is gelegd. Voorts wordt er in strafmatigende zin rekening mee gehouden dat de verdachte toebehorende auto zal worden onttrokken aan het verkeer.
Al het bovenstaande in overweging genomen hebbend acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden. Het hof moet echter ook constateren dat de zaak erg lang heeft stilgelegen en dat daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 17 van de Grondwet en artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof niet gebleken. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg op 26 april 2017 is aangevangen. De rechtbank heeft op 9 december 2020 vonnis gewezen. De redelijke termijn is hiermee in eerste aanleg overschreden met een jaar en bijna acht maanden. Verdachte heeft vervolgens op 14 december 2020 hoger beroep ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 22 december 2025 zijn meer dan 5 jaren verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 3 jaren in hoger beroep.
Het hof zal rekening houden met deze forse overschrijding en acht alles afwegend in dit geval een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden. Het hof zal daar de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op in mindering brengen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Onder verdachte is voorts in beslag genomen een aan verdachte toebehorende Renault Trafic met daarin een gecreëerde verborgen ruimte bestemd voor het vervoer van drugs. Het ongecontroleerde bezit van een bestelbus met een verborgen vak, bestemd voor het vervoeren van drugs, is, in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik ervan, in strijd met de wet of met het algemeen belang. In de zaak van de medeverdachte is, zoals hierboven overwogen, de tenlastelegging ter zitting bij het hof gewijzigd. In de zaak van verdachte is dat niet gebeurd. Hoewel verdachte van het hem onder 3 tenlastegelegde (om de formele reden dat de tenlastelegging niet is gewijzigd) wordt vrijgesproken omdat het hof op basis van het dossier niet kan vaststellen dat verdachte op de bewuste tenlastegelegde dag de bedoeling had daarmee harddrugs dan wel beroeps- of bedrijfsmatig grote hoeveelheden weed te vervoeren, is het evident dat deze bus is gebruikt bij het vervoer van drugs en daarvoor ook bestemd was. Het hof zal dit voorwerp daarom onttrekken aan het verkeer, omdat het om een voorwerp gaat dat bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten is aangetroffen en waarmee in de toekomst een soortgelijk feit kan worden begaan of voorbereid, dan wel dat kan dienen tot belemmering van de opsporing daarvan, en het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. Het hof houdt rekening met de draagkracht van verdachte en zal de beslissing tot onttrekking in die zin betrekken in de afweging ten aanzien van de strafoplegging.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 24, 36b-d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
Renault Trafic met kenteken [kenteken] .
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. J. Dolfing en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.