Strafprocesrecht

Onderzoek Mierleeuw. Opiumwet, drugslijn naar het buitenland en vervoeren softdrugs. Overwegingen over…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 december 2025

Zaakgegevens

Op 22 december 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
22 december 2025
Datum publicatie
22 december 2025
Zaaknummer
21-004950-20
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:8504
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onderzoek Mierleeuw. Opiumwet, drugslijn naar het buitenland en vervoeren softdrugs. Overwegingen over geloofwaardigheid verklaringen van verdachte en over opzet. Schakelbewijs. Redelijke termijn. Gevangenisstraf 48 maanden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004950-20

Uitspraakdatum: 22 december 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2020 met parketnummer 18-950040-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

ingeschreven te [postadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 november 2025 en 11 december 2025, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Schuurman, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ten aanzien van wat hem onder 1, 2 en 3 (onder 3a) ten laste is gelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte is partieel vrijgesproken van feit 3, te weten van hetgeen hem onder 3b ten laste is gelegd.

In hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Omvang van het hoger beroep

De onder verdachte als 3a en 3b ten laste gelegde feiten laten zich, door de woorden ‘en/of’ in de tenlastelegging, zowel als alternatief als cumulatief ten laste gelegde feiten lezen. Gelet op de inhoud van het dossier vat het hof het onder 3a en 3b tenlastegelegde op als alternatieve tenlastelegging.

Tenlastelegging

Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2016 tot en met 14 september 2016 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1001 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 19526 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; PV bevindingen uitvoer drugs lijst 1 d.d. 6 januari 2019

2.
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 te [plaats 2] en/of [plaats 1] en/of [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, meermalen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, meerdere pakketten (met een gewicht van in totaal bruto 178,1 kilo, naar [locatie 1] in Denemarken) te weten de pakketten met ordernummers:

- [ordernummer 1]

- [ordernummer 2]

- [ordernummer 3]

- [ordernummer 4]

- [ordernummer 5]

- [ordernummer 6]

- [ordernummer 7]

bevattende (onder meer) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of heroïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; PV bevindingen uitvoer drugs lijst 1 d.d. 6 januari 2019 (Overzicht blz. 288 t/m 290)

3.

(3a)
hij op of omstreeks 26 april 2017 te [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (o.a. MDMA en/of amfetamine) voor te bereiden en/of te bevorderen een Renault Trafic met kenteken V 153-DX, met daarin een verborgen ruimte, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die Renault bestemd was tot het plegen van dat/die feit(en);

en

hij op of omstreeks 26 april 2017, dan wel in de periode 2016 tot en met 26 april 2017 te [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging (telkens) met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt, verwerkt, verstrekt en/of vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad ongeveer 77 kilo hennep, dan wel (telkens) een grote hoeveelheden hennep zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

(3b)

hij op of omstreeks 26 april 2017 te [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, vervoermiddelen, ruimten, voorhanden heeft gehad, te weten een Renault Trafic met kenteken [kenteken] , met daarin een verborgen ruimte, waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting is namens verdachte aangevoerd dat deze moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd en partieel van hetgeen hem onder 3 ten laste is gelegd, te weten onder 3a voor zover het gaat om voorbereiden van het vervoeren van harddrugs. Verdachte had naar zijn zeggen geen wetenschap van de inhoud van de pakketten. Niet verdachte maar medeverdachte [medeverdachte 1] was het brein achter het sturen van de pakketten. In [medeverdachte 1] woning zijn aantekeningen gevonden, onder meer over de grensbewaking in Denemarken. Verdachte deed enkel de pakketten op de post en was een katvanger, terwijl [medeverdachte 1] buiten schot bleef. Ten aanzien van feit 1 was het verdachte die een aantal keren de pakketten afleverde. [medeverdachte 1] had hem verteld dat hij een handeltje in PGP-telefoons had en dat hij daarom pakketten met dit soort telefoons onder valse namen verstuurde. De labels zijn besteld en betaald door [medeverdachte 1] . Uit de foto’s blijkt dat er een hele lading piepschuimbolletjes over de inhoud van de pakketten zat. Al zou verdachte de pakketten al hebben dichtgeplakt, dan nog kon hij niet zien wat er in zat. Van vol opzet is geen sprake, en evenmin van voorwaardelijk opzet. Het is geen reële mogelijkheid dat je drugs naar het buitenland verstuurt als je bij wijze van vriendendienst een pakketje voor een vriend verstuurt. Hooguit was dat onvoorzichtig, maar culpoos handelen is geen opzettelijk handelen. Evenmin kan aan de hand van het gedrag van verdachte bij het inleveren van de pakketten wetenschap worden vastgesteld, nu getuige [getuige 1] enkel verklaart dat verdachte heel aardig was, vroeg om plakband en een schaar en de pakketten dichtmaakte en aangeeft dat dat wel vaker gebeurde.

Ook ten aanzien van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de inhoud van de pakketten. Subsidiair kan niet worden vastgesteld dat in die pakketten eveneens drugs hebben gezeten. Dat het in Denemarken aangetroffen verpakkingsmateriaal overeenkomt met het in Nederland aangetroffen verpakkingsmateriaal zegt daar niets over, er staat immers vast dat er pakketten uit Nederland naar hetzelfde adres zijn verzonden. Ook is het enkele gegeven dat een deel van de in Denemarken aangetroffen amfetamine uit dezelfde productie komt nietszeggend. Bij productie van amfetamine worden vele honderden kilo’s geproduceerd met dezelfde samenstelling. Daarbij heeft [persoon 1] verklaard geen drugs uit Nederland te hebben ontvangen. Ook kan niet middels schakelbewijs worden vastgesteld dat er daadwerkelijk drugs in de eerdere pakketten zaten, indien het hof tot een bewezenverklaring van feit 1 komt. Er zijn weliswaar overeenkomsten te vinden in de handelswijze bij het versturen van de pakketten, maar dit zegt niets over de inhoud ervan. Daarbij staat van veel pakketten niet vast wie ze daadwerkelijk ingeleverd heeft. Ook middels schakelbewijs kan dus niet tot een bewezenverklaring van feit 2 worden gekomen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte weliswaar hennep heeft vervoerd met de Renault Trafic, maar dat zijn geen harddrugs. Verdachte dient van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Voor wat betreft de handel/het aanwezig hebben van 77 kilo hennep, blijkt onvoldoende uit het dossier dat over de hele ten laste gelegde periode sprake is geweest van handel in hennep. Nu verdachte deze levering erkent en ook aangeeft dit vaker te hebben gedaan, refereert de verdediging zich voor wat betreft de periode aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde grotendeels wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn opgenomen. Aan de hand van deze bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, zet het hof zijn overwegingen uiteen.

Bewijsmiddelen en overwegingen

Feit 1 en 2

Op 13 september 2016 zijn door verdachte twee pakketten aangeboden aan [pakketservice] gevestigd te [plaats 1] . Vóór het aanbieden van de pakketten heeft verdachte de medewerkster van de shop om een schaar gevraagd, waarna hij de pakketten op de achterbank van zijn auto heeft dichtgeplakt. Verdachte heeft toen de labels van [pakketservice] op de pakketten geplakt. Deze labels waren op 12 september 2016 aangevraagd en geregistreerd onder ordernummer [ordernummer 8] . Het bestemmingsadres op de pakketten was [locatie 1] , [e-mailadres] . Het betrof een adres in Denemarken.

Uit onderzoek naar de identiteit van de besteller van de pakketlabels is gebleken dat deze zijn besteld vanaf een IP-adres dat geregistreerd staat onder de naam van medeverdachte [medeverdachte 1] . Hierbij is het bankrekeningnummer van [medeverdachte 1] gebruikt om de labels te betalen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze labels in opdracht van verdachte heeft besteld en betaald.

Naar aanleiding van de mededeling van de medewerkster van de [pakketservice] dat de jongeman die de pakketten heeft ingeleverd zich verdacht gedroeg, zijn de pakketten op 14 september 2016 in het distributiecentrum van [pakketservice] te [plaats 1] geopend. Bij het openen van een van de pakketten bleek dat er een doos in zat. In deze doos zat een groot, op een ovale bal lijkend voorwerp in een vacuümverpakking. Bij het opensnijden van de verpakking met een stanleymes, kwam er wit poeder uit. De politie is hierna gewaarschuwd en heeft de pakketten die dag in beslag genomen.

Tijdens het onderzoek op het politiebureau bleek dat in de twee pakketten 20 bakjes met een natte witte substantie en een samengeperst blok witte substantie zaten. Het totaal nettogewicht van de natte witte substantie was 19.526 gram. Het totaal nettogewicht van het blok was 1.001,19 gram.

Uit nader onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat de substantie in de bakjes amfetamine bevat en dat het blok witte substantie cocaïne bevat.

Naar aanleiding van de eerdergenoemde pakketten die in beslag zijn genomen, is een onderzoek ingesteld binnen het bedrijf [pakketservice] pakkettendienst te [plaats 1] . Uit het bedrijfssysteem bleek dat, inclusief de twee in beslaggenomen pakketten, in totaal 14 pakketten zijn ingeleverd om op het bedoelde adres in Denemarken te worden bezorgd. In bijna alle gevallen werden de pakketten per twee aangeboden. Uit het overzicht van de afleveringen blijkt het volgende:

  • Op 10 augustus 2016 is een pakket met label [label 1] , ordernummer [ordernummer 1] , afgeleverd te [plaats 2] . Afzender op label: [afzender 1] t .n.v. [naam 1] ;

  • Op 15 augustus 2016 is een pakket met label [label 2] , ordernummer [ordernummer 2] , afgeleverd te [plaats 2] . Afzender op label: [afzender 2] t.n.v. [naam 2] ;

  • Op 24 augustus 2016 zijn twee pakketten met labels [labels 1] , ordernummer [ordernummer 3] , afgeleverd te [plaats 1] . Afzender op labels: [afzender 3] t.n.v. [naam 3] ;

  • Op 29 augustus 2016 zijn twee pakketten met labels [labels 2] , ordernummer [ordernummer 4] , afgeleverd te [plaats 2] . Afzender op labels: [afzender 4] t.n.v. [naam 4] ;

  • Op 5 september 2016 zijn twee pakketten met labels [labels 3] , ordernummer [ordernummer 5] , afgeleverd te [plaats 3] . Afzender op labels: [afzender 5] t.n.v. [naam 5] ;

  • Op 12 september 2016 om 15:13 uur zijn twee pakketten met labels [labels 4] , ordernummer [ordernummer 7] , afgeleverd te [plaats 3] . Afzender op labels: [afzender 6] t.n.v. [naam 6] ;

  • Op 12 september 2016 om 14:29 uur zijn twee pakketten met labels [labels 5] , ordernummer [ordernummer 6] , afgeleverd te [plaats 2] . Afzender op labels: [afzender 6] t.n.v. [naam 6] .

De labels van de pakketten die zijn verstuurd op 24 augustus 2016, 29 augustus 2016 en 12 september 2016 zijn besteld vanaf het IP-adres dat geregistreerd staat onder de naam van [medeverdachte 1] . Deze labels zijn betaald met een bankrekeningnummer dat ook van [medeverdachte 1] is. De labels die horen bij de pakketten die op 10 augustus 2016, 15 augustus 2016 en 5 september 2016 zijn besteld vanaf een IP-adres waarvan de tenaamstelling onbekend is en zijn betaald met het bankrekeningnummer van verdachte. Het totaal bruto gewicht van de pakketten die naar Denemarken zijn verzonden is 178,1 kilo. Verdachte heeft verklaard dat hij de pakketten heeft opgehaald in de buurt van waar hij ze vervolgens inleverde om te verzenden.

Uit nader onderzoek is gebleken dat geen van de bereikbare bedrijven die op de labels als afzender stonden genoteerd, de bedoelde pakketten heeft verstuurd. De op de pakketten genoemde medewerkers van de respectievelijke bedrijven waren bij die bedrijven onbekend. Met de bedrijven [afzender 5] en [afzender 1] heeft de politie geen contact kunnen krijgen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de adresgegevens van de afzenders steeds afkomstig waren van verdachte.

Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het opsporingsonderzoek in Nederland heeft de politie in Denemarken op 16 september 2016 onderzoek ingesteld op het adres te [locatie 2] in Denemarken. Bij de huiszoeking trof de Deense politie verschillende verdovende middelen aan, waaronder ongeveer 15 kg amfetamine en 803 gram cocaïne. Ook werden een laptop, twee vacuümapparaten en een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal aangetroffen. De bewoner [persoon 1] werd aangehouden.

Bij een laboratoriumonderzoek in Denemarken zijn zowel het verpakkingsmateriaal als de amfetamine uit Nederland en Denemarken met elkaar vergeleken. Uit het onderzoek is gebleken dat de verpakkingszakken gelijk waren wat betreft uiterlijk en materiaal. De amfetamine uit beide landen had hetzelfde chemische profiel.

Onderzoek op de laptop wees uit dat alle pakketten met hun unieke labelnummers die vanuit Nederland naar Denemarken waren verzonden, gevolgd werden via track and trace. In hoger beroep heeft [persoon 1] verklaard dat hij alle 12 pakketten uit Nederland heeft ontvangen. Ook is gebleken dat [persoon 1] een vooraankondiging heeft gekregen van de twee pakketten die verdachte op 13 september 2016 te [plaats 1] heeft ingeleverd.

Overwegingen ten aanzien van feit 1 en 2

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wist dat de door hem op 13 september 2016 ingeleverde pakketten harddrugs bevatten en tevens of vast is komen te staan dat de onder feit 2 tenlastegelegde pakketten eveneens harddrugs bevatten. Daartoe zet het hof allereerst het volgende uiteen.

Het hof stelt vast dat verdachte ten aanzien van de pakketten steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door verdachte afgelegde verklaringen. Bij de politie heeft verdachte onder meer het volgende verklaard. Op 27 april 2017 zou verdachte verklaard hebben dat hij er wellicht bij genaaid zou worden. Verdachte is dan in verzekering gesteld op verdenking van handel in dan wel vervoer van harddrugs, maar is nog niet gevraagd naar de pakketten. Wanneer de politie hem op 28 april 2017 vraagt wat hij ermee bedoelde dat “hij er wellicht bij genaaid wordt”, verklaart hij uit zichzelf dat het enige wat hij zich kan herinneren gaat over pakketten versturen. Hij verklaart dat hij een keer in [plaats 1] was en toen door een man die pech had met de auto is gevraagd of hij twee dozen weg wilde brengen. Hij had dit in zijn naïviteit toen ook gedaan. Hij verklaart dat hij nooit pakketten stuurt, behalve online bestellingen retourneren. Hem wordt dan voorgehouden dat het label van de pakketten is betaald door medeverdachte [medeverdachte 1] en dat er meerdere labels zijn besteld, die ook af en toe zijn betaald door verdachte. Verdachte verklaart dan dat dat wellicht via klanten van zijn werk bij [bedrijf] is geweest. Op 30 april 2017 verklaart hij bij de politie dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] eenmaal betaald heeft voor de labels en dat hij dacht dat het voor diens bedrijf was. Dan verklaart hij dat het misschien toch tweemaal was. [medeverdachte 1] had schulden, daarom deed hij dat. Verdachte verklaart daarom ook andere pakketjes voor [medeverdachte 1] te hebben weggebracht. Hij verklaart tweemaal in [plaats 1] te hebben afgeleverd, in [plaats 2] en in [plaats 3] . Hij heeft nooit de inhoud van de pakketten gekend. Ook verklaart hij dat hij [medeverdachte 1] de hand boven het hoofd had gehouden maar dat hij daarmee op zou houden. Hij verklaart op 10 mei 2017 dat de pakketten van een vriend waren, namelijk [medeverdachte 1] . Hij verklaart nooit van zijn leven te hebben geweten wat erin zat.

Bij de rechtbank verklaart verdachte dat hij slechts éénmaal pakketten die niet van hem zijn heeft ingeleverd bij een tankstation. Wanneer hem zijn verklaring bij de politie wordt voorgehouden verklaart hij dat hij meerdere malen pakketten heeft ingeleverd voor [medeverdachte 1] . Het kan vijf keer zijn geweest. Hij haalde die pakketten altijd op in de buurt van waar hij ze ook verzond. De pakketten waren niet heel zwaar. [medeverdachte 1] had verteld dat hij in mobiele telefoons handelde en daarom had hij nooit argwaan. Hij had de onderschepte pakketten opgehaald bij [medeverdachte 1] in [plaats 6] . Hij heeft ze in [plaats 1] ingeleverd, omdat hij onderweg was naar zijn moeder in [plaats 5] en [plaats 1] op de route lag. Hij betaalde de labels voor [medeverdachte 1] omdat [medeverdachte 1] geen geld had.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] hem had verteld dat hij handelde in PGP-telefoons en dat hij (verdachte) dacht dat die telefoons in de pakketten zaten. [medeverdachte 1] heeft verdachte één keer gevraagd te betalen omdat [medeverdachte 1] geen geld had. Voor de rest heeft [medeverdachte 1] alles zelf gedaan. [medeverdachte 1] had hem verteld dat het een soort groothandel in telefoons was en dat hij verkocht aan ‘resellers’. Verdachte heeft hem wel eens een controlevraag gesteld omdat de pakketten best zwaar waren. Verdachte is korte tijd daarna, na vragen van het hof, gelijk weer teruggekomen op die verklaring en zei toen dat hij alleen een controlevraag heeft gesteld over de inhoud, niet omdat de pakketten zwaar waren. Verdachte zond die pakketten als vriendendienst, zo verklaart hij. Wanneer hem wordt voorgehouden dat hij enerzijds verklaart dat [medeverdachte 1] te weinig geld had om een label te bestellen en betalen, maar dat deze anderzijds wel voor grote bedragen telefoons zou in- en verkopen, verklaart hij dat hij daar destijds niet over nagedacht heeft. Verder verklaart verdachte dat het toch niet klopt wat hij in eerste aanleg verklaarde, te weten dat hij de pakketten in [plaats 1] had ingeleverd omdat hij op weg was naar zijn moeder. [plaats 5] ligt inderdaad niet op de route naar [plaats 1] . Verdachte weet niet meer waarom hij de pakketten in [plaats 1] heeft ingeleverd. Hij is twee of drie keer voor [medeverdachte 1] op pad geweest. Dat hij vijf keer heeft gezegd bij de behandeling in eerste aanleg klopte niet, ook daar komt hij op terug.

Ook in zijn overige verklaringen is verdachte naar het oordeel van het hof niet consistent. Zo verklaart hij bij de rechtbank dat ‘ [bijnaam] ’ een oud-collega van hem was, voor wie hij energiecontracten verkocht. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart verdachte in eerste instantie medeverdachte [medeverdachte 2] eenmaal te hebben gezien. Hij heeft hem eenmaal hennep gebracht. Wanneer hem op een later moment tijdens de zitting wordt gevraagd wie [bijnaam] is, beroept verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht. Als de in de zaal aanwezige medeverdachte [medeverdachte 2] vervolgens in diens eigen zaak verklaart dat hij [bijnaam] is, verklaart verdachte, nadat hem de uitspraak van [medeverdachte 2] wordt voorgehouden, dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] inderdaad als [bijnaam] kent. Hij heeft hem twee of drie keer hennep gebracht, zo verklaart hij. Het is niet zo dat hij voor hem werkte met energiecontracten zoals hij eerder verklaarde, hij bracht hem hennep.

Daarbij stelt het hof vast dat verdachtes verklaringen over de vraag of hij een PGP-telefoon had niet overeenkomt met hetgeen uit het dossier blijkt. Verdachte verklaart ter terechtzitting van het hof dat hij slechts één telefoon heeft. Hij had geen PGP-telefoon. De BlackBerry waarmee hij werd aangehouden was niet van hem. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie anders verklaard, namelijk dat verdachte twee telefoons had: een iPhone en een BlackBerry. Die laatste was een PGP-telefoon. Verdachte had volgens [medeverdachte 1] altijd twee telefoons bij zich. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 6 april 2017 [medeverdachte 1] een bericht stuurt dat hij onderweg is, maar dat hij de andere telefoon was vergeten. In de woning van verdachte wordt bovendien een doosje van een BlackBerry PGP aangetroffen, met code [code] . Dit PGP-adres komt voor in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] . Ook noemt verdachte dit PGP-adres in een tapgesprek met [naam 7] .

Het hof constateert dat verdachte op talloze vlakken inconsistent, wisselend en niet zelden aantoonbaar onjuist heeft verklaard. Het hof stelt zijn verklaringen over feit 1 en 2 als volstrekt ongeloofwaardig terzijde. Het hof is van oordeel dat verdachte wel degelijk wist dat de hem onder 1 ten laste gelegde pakketten harddrugs bevatten. Dat blijkt temeer uit het feit dat verdachte bij de politie ongevraagd een volstrekt onjuiste verklaring aflegt over de herkomst van de door hem verstuurde pakketten. Dat hij dit gedaan zou hebben om de – op zichzelf niet illegale – telefoonhandel van medeverdachte [medeverdachte 1] te verbloemen acht het hof onnavolgbaar en ongeloofwaardig, in het bijzonder omdat verdachte op dat moment al wel bekend was met het feit waar hij van verdacht werd. Het hof acht het, net als de rechtbank, eveneens ongeloofwaardig dat de pakketten bij medeverdachte [medeverdachte 1] vandaan kwamen. Verdachte verklaarde deze in [plaats 6] bij de medeverdachte te hebben opgehaald en vervolgens in [plaats 1] te hebben ingeleverd. Verdachte heeft de labels in [plaats 1] op de pakketten geplakt, terwijl de labels door [medeverdachte 1] besteld en betaald zouden zijn. Wanneer de pakketten en labels van [medeverdachte 1] afkomstig zouden zijn, zou het voor de hand hebben gelegen dat [medeverdachte 1] de labels al op de pakketten zou hebben geplakt en tevens dat de pakketten dan in [plaats 6] zouden zijn ingeleverd. Verdachte verklaarde immers de pakketten telkens ingeleverd te hebben in de buurt waar hij ze ophaalde.

Tegenover de verklaringen van verdachte staan onder meer de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft vanaf het begin af aan consistent verklaard dat hij in opdracht van verdachte handelde. Alhoewel het hof oog heeft voor de mogelijkheid dat [medeverdachte 1] zijn eigen rol kleiner houdt dan de rol die hij gehad heeft, draait hij niet om zijn betrokkenheid heen en beschrijft [medeverdachte 1] de gang van zaken feitelijk en vanuit zijn eigen invalshoek, geeft hij uitleg op nadere vragen en is hij in zijn antwoorden concreet en consistent. De verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd vinden ook steun in de overige inhoud van het dossier. Bijvoorbeeld in de telefoontaps, zoals bijvoorbeeld over de PGP-telefoon die verdachte in zijn bezit heeft gehad. Het hof zal daarom uitgaan van de verklaringen van [medeverdachte 1] . Verdachtes verklaringen vinden hun weerlegging, naast in ander bewijs, in de verklaringen van [medeverdachte 1] .

Onder ‘uitvoeren’ van drugs, te weten het buiten het grondgebied van Nederland brengen, is mede begrepen het ten vervoer aanbieden van die drugs. Om die reden is het inleveren van postpakketten met drugs bij een postservice zoals [pakketservice] , om die naar het buitenland te verzenden, een gedraging die valt onder het uitvoeren van drugs.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of daarmee ook voldoende vaststaat dat de andere pakketten die via een [pakketservice] door verdachten zijn verzonden, de onder 2 ten laste gelegde drugs bevatten, nu die pakketten niet onderschept zijn en niet feitelijk geconstateerd is wat daarin zat. Onder omstandigheden is het gebruik van onder andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal voor die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.

Het gaat om 12 pakketten die elk naar hetzelfde adres in Denemarken als op de ingeleverde, maar onderschepte pakketten was vermeld. Steeds is daarbij valselijk een afzender van een ander bedrijf vermeld met steeds verzonnen namen van medewerkers van die bedrijven. De labels voor die pakketten werden steeds dan wel door verdachte dan wel door medeverdachte [medeverdachte 1] aangemaakt en/of betaald. De pakketten hadden elk een soortgelijke omvang als de onderschepte pakketten en veelal een gewicht van rond de 15 à 16 kilogram. Voor de verzending werd steeds gebruik gemaakt van een [pakketservice] . De verzendingen vonden plaats in een relatief korte periode na elkaar. Op het adres in Denemarken werd amfetamine aangetroffen die voor een groot deel hetzelfde chemische profiel had als de amfetamine in de onderschepte pakketten. Ook werd er verpakkingsmateriaal gevonden dat overeenkwam met het verpakkingsmateriaal van de onderschepte pakketten.

Hieruit volgt dat de werkwijze (‘modus operandi’) steeds eenzelfde was en de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Deze overeenkomsten zijn dusdanig specifiek dat het hof veronderstelt, en er niet aan twijfelt, dat in de niet onderschepte pakketten dezelfde soort drugs zaten. Daarbij moeten alle omstandigheden in samenhang worden bezien. Van dusdanige verschillen in handelswijze dat deze veronderstelling wordt ondergraven, is niet gebleken en eventuele verschillen doen geen afbreuk aan de redengevendheid van voornoemde omstandigheden. Dat bij de geadresseerde van de drugs ook andersoortige drugs en soortgelijke drugs met een andere samenstelling zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid laat zich ook op andere wijze verklaren. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat [persoon 1] , naast verdachten, ook andere drugsleveranciers had.

Het hof is derhalve van oordeel dat genoegzaam vast is komen te staan dat in de 12 pakketten die tussen 10 augustus 2016 en 12 september 2016 naar Denemarken zijn verstuurd eveneens verdovende middelen hebben gezeten. Dat verdachte wetenschap had van de inhoud van deze pakketten blijkt ook uit het gegeven dat hij – al dan niet via [medeverdachte 1] – labels voor de pakketten heeft besteld en betaald en heeft (doen) voorzien van valse gegevens van de afzenders. Op de labels stonden steeds namen van door verdachte bedachte bedrijven en personen die niets te maken hadden met de verzending. Dit heeft verdachte gedaan om de gegevens van de echte verzenders te verhullen. Verdachte was betrokken bij de aflevering van alle verzendingen bij een [pakketservice] . Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte bekend moet zijn geweest met de inhoud van de pakketten. Daarmee acht het hof opzet bewezen.

Het hof gelooft verdachte derhalve niet in zijn scenario inhoudende - kort gezegd - dat zijn betrokkenheid niet verder ging dan een beperkt aantal malen vervoeren en posten van een pakket zonder kennis te hebben van de inhoud.

Het voorgaande vraagt om een behoedzame beoordeling van de verklaringen van verdachte. Dit betekent dat waar het hof onderdelen van verdachtes verklaring bezigt voor bewijs dit enkel wordt gedaan wanneer deze onderdelen ondersteuning vinden in ander bewijs.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen en opzettelijk verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Beide feiten zijn daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen feit 3

Het hof volstaat ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit met een opgave van bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte het feit dat het hof bewezen zal verklaren ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit. Het hof heeft hierboven verdachtes verklaring als ongeloofwaardig terzijde gesteld en zal de verklaring van verdachte ten aanzien van zijn bekentenis van feit 3 dan ook met behoedzaamheid beoordelen. Het hof stelt hieronder vast dat de verklaring van verdachte op dit onderdeel van de tenlastelegging – anders dan hierboven – ondersteuning vindt in verschillend ander bewijs en zal de verklaring voor wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging gebruiken als bewijs. Ten aanzien van dit feit neemt het hof als bewijsmiddel het volgende op:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 11 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb hennep vervoerd. Ik bracht het van A naar B. Ik wist dat het hennep was doordat ik dat heb gezien en soms ook geroken. [medeverdachte 1] ging wel eens met mij mee. Hij wist ervan. De dag dat ik ben aangehouden heb ik ook hennep vervoerd. De afleverplek was in [plaats 2] bij de loods. De hennep zat in de verborgen ruimte in de auto. De hennep was verpakt in grote zwarte zakken. Die gingen dan in de verborgen ruimte. Toen ik naar [plaats 2] ging zat het in doorzichtige zakken in dozen. Dat waren kartonnen dozen. Ik heb dat afgeleverd bij [medeverdachte 2] . Het klopt dat ik hielp met het vacumeren.

2. De verklaring van getuige [medeverdachte 2] afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 11 november 2025.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal 26 april 2017 (als bijlage op pagina 770 van het proces-verbaal).

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij (als bijlage op pagina 830 van het proces-verbaal).

Overwegingen feit 3

In hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd in die zin dat er onder feit 3a, dat kort gezegd ziet op het voorbereiden van het vervoeren van harddrugs, nog een feit is toegevoegd, te weten het daadwerkelijk bewerken, verstrekken en vervoeren van hennep.

Op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting en hetgeen medeverdachte [medeverdachte 2] , ter terechtzitting bij het hof gehoord als getuige in de zaak van verdachte, heeft verklaard, komt het hof tot een bewezenverklaring van het bewerken, verstrekken en vervoeren van hennep. Hoewel het hof onder feit 1 en 2 aan de verklaringen van verdachte weinig geloof heeft gehecht, ligt dit anders voor zover zijn verklaring ziet op het vervoeren van hennep, nu dat deel van zijn verklaring wordt gesteund door de verklaring van medeverdachte en getuige [medeverdachte 2] en ook overigens steun vindt in het dossier, waaronder de telefoontaps met [naam 7] en het feit dat de door verdachte vervoerde hennep bij medeverdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen. Het hof zal verdachte daarom veroordelen voor het bewerken, verstrekken en vervoeren van hennep. Het hof kan niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verborgen ruimte eveneens bedoeld was om harddrugs mee te vervoeren en zal verdachte daarom vrijspreken van hetgeen hem onder 3a daaromtrent ten laste is gelegd.

Omdat het hof verdachte veroordeelt voor hetgeen hem alternatief onder feit 3a ten aanzien van de hennep ten laste is gelegd, komt het hof niet meer toe aan de behandeling van feit 3b. Om die reden zal het hof de vrijspraak van de rechtbank voor het onder 3b ten laste gelegde in stand houden in die zin dat ook het hof verdachte daarvan vrijspreekt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 13 september 2016 tot en met 14 september 2016 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.001 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 19.526 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en amfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.


2.
hij in de periode van 10 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 te [plaats 2] en [plaats 1] en [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, meermalen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, meerdere pakketten (met een gewicht van in totaal bruto 178,1 kilo, naar [locatie 1] in Denemarken) te weten de pakketten met ordernummers:

- [ordernummer 1]

- [ordernummer 2]

- [ordernummer 3]

- [ordernummer 4]

- [ordernummer 5]

- [ordernummer 6]

- [ordernummer 7]

bevattende (onder meer) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en cocaïne, zijnde amfetamine en cocaïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.


3a.

hij op 26 april 2017 te [plaats 3] en [plaats 4] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verwerkt, verstrekt en vervoerd ongeveer 77 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd ook in hoger beroep deze straf op te leggen. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan waartoe hij door de rechtbank is veroordeeld. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van een forse schending van de redelijke termijn. Alles wijst erop dat hij niet een van de grote jongens was, maar een ondergeschikte. Daarbij is ervoor gekozen verdachte binnen een paar weken vrij te laten, zodat hij onevenredig getroffen wordt indien het hof zou besluiten hem nu een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op het feit dat hij inmiddels zijn leven goed op orde heeft. Verdachte is namelijk niet meer gerecidiveerd, heeft twee jonge kinderen en eigen bedrijven en zou zijn werk en inkomsten verliezen bij het moeten ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof overweegt als volgt. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid harddrugs, waaronder amfetamine en cocaïne. Verdachte heeft in augustus en september 2016 veertien postpakketten met harddrugs naar een adres in Denemarken verstuurd, waarvan twee pakketten zijn onderschept. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het vervoeren, verstrekken en verwerken van een grote hoeveelheid hennep. Dit zijn ernstige feiten. Hard- en softdrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving. Zo kan het leiden tot geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij een overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. De verspreiding van en handel in die stoffen gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben die drugs op de markt te brengen dienen dan ook te worden bestraft. Het is ernstig en kwalijk dat verdachte zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen en zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin, terwijl hij evenmin openheid van zaken heeft gegeven en/of verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten niet eerder is veroordeeld, en ook na het plegen van onderhavige feiten niet opnieuw is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel heeft hij een geldboete voor een snelheidsovertreding opgelegd gekregen in de vorm van een onherroepelijke strafbeschikking.

Het hof heeft ook gekeken naar de straffen die ter zake van het in- en uitvoeren van (dit soort hoeveelheden) harddrugs en het vervoeren, verstrekken en verwerken van softdrugs plegen te worden opgelegd. In de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het in georganiseerd verband uitvoeren van een hoeveelheid harddrugs van 20 kilo of meer een gevangenisstraf vanaf 72 maanden als vertrekpunt genomen. Voor het vervoeren, verstrekken en verwerken van softdrugs bestaan geen oriëntatiepunten, echter wel voor het aanwezig hebben van softdrugs. Vanaf 25 kilo wordt een gevangenisstraf van 12 maanden als vertrekpunt genomen.

In het voordeel van verdachte weegt het hof mee dat blijkens het reclasseringsrapport uit juni 2020 bij verdachte geen criminogene factoren naar voren zijn gekomen en dat de recidivekans laag wordt ingeschat. Dit strookt met het gegeven dat het hof niet is gebleken dat verdachte sinds de bewezenverklaarde feiten is gerecidiveerd. Verder houdt het hof er ook rekening mee dat evenmin is gebleken dat verdachte, behoudens ten aanzien van het hiervoor genoemde transporteren, een leidende rol in die keten van de handel heeft gehad.

Al het bovenstaande in overweging genomen hebbend acht het hof in beginsel, net als de rechtbank, een gevangenisstraf van 5 jaren passend en geboden. Het hof moet echter ook constateren dat de zaak erg lang heeft stilgelegen en dat daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 17 van de Grondwet en artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof niet gebleken. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg op 26 april 2017 is aangevangen. De rechtbank heeft op 9 december 2020 vonnis gewezen. De redelijke termijn is hiermee in eerste aanleg overschreden met een jaar en bijna acht maanden. Verdachte heeft vervolgens op 16 december 2020 hoger beroep ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 22 december 2025 zijn ruim 5 jaren verstreken. Een deel van dit tijdsverloop is echter te wijten aan het handelen van de verdediging, nu de raadsheer-commissaris, ondanks meerdere herinneringen, lang heeft moeten wachten op de (uiteindelijk geheel uitblijvende) reactie van de raadsman van de verdachte op het verzoek de vragen die gesteld moesten worden aan een door de verdediging gewenste getuige, aan te leveren. Dat neemt niet weg dat de redelijke termijn nog steeds met bijna 3 jaar in hoger beroep is overschreden. Het hof betreurt dit en ziet de nadelen daarvan voor de verdachte.

Het hof zal rekening houden met deze forse overschrijding. Het hof is van oordeel dat de verlaging van de straf door de rechtbank (als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg) met 20 % al dusdanig fors was, dat er geen reden is om nog tot een verdere verlaging van de straf te komen, ondanks de ook in hoger beroep significante overschrijding van de redelijke termijn. Het hof acht alles afwegend in dit kader een gevangenisstraf van 48 maanden passend en geboden. Het hof zal daar de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op in mindering brengen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. J. Dolfing en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2016264196, rechercheonderzoek NN3R01676-Mierleeuw, gesloten en getekend op 18 december 2017 door verbalisant [verbalisant] , tenzij anders is vermeld. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 24 november 2020 van de meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (als bijlage op pagina 357 van het proces-verbaal). Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 24 november 2020 van de meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] (als bijlage op pagina 345 van het proces-verbaal), inclusief de daarbij overgelegde e-mail op pagina 347. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen [pakketservice] (als bijlage op pagina 492 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] (als bijlage op pagina 133 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] (als bijlage op pagina 345 van het proces-verbaal) en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 483 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verdovende middelen (als bijlage op pagina 461 van het proces-verbaal). De deskundigenrapporten NFiDENT (als bijlage op pagina 477-481 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen [pakketservice] (als bijlage op pagina 492 van het proces-verbaal) en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal vordering verstrekking histo (als bijlage op pagina 1906 van het proces-verbaal) en een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een email d.d. 20 oktober 2016 (als bijlage op pagina 1950 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen foto’s en gewicht aangetroffen pakketten (als bijlage op pagina 546 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] (als bijlage op pagina 70 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal benaderen afzenders pakketten (als bijlage op pagina 1094 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] (als bijlage op pagina 133 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen over onderzoeksresultaten Denemarken (als bijlage op pagina 632 van het proces-verbaal). Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen over onderzoeksresultaten Denemarken (als bijlage op pagina 632 van het proces-verbaal) en een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een voorwerpenoverzicht, opgenomen als bijlage op pagina 99 en 100 van het losbladige en in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Deense Stukken met opschrift 4, gesloten en getekend op 5 oktober 2018 door [districtrecherche] . Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een proces-verbaal uit Denemarken, opgenomen als bijlage op pagina 21 van het losbladige en in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Deense Stukken II met opschrift 5, gesloten en getekend op 6 januari 2019 door [districtrecherche] . Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen over onderzoeksresultaten Denemarken (als bijlage op pagina 632 van het proces-verbaal) Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een arrest in hoger beroep (Denemarken) van 8 augustus 2017 (als bijlage op pagina 1689 van het proces-verbaal). Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten vooraankondigingen, opgenomen als bijlage op pagina 299 en 301van het losbladige en in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Deense Stukken III met opschrift 1, gesloten en getekend op 26 februari 2019 door [districtrecherche] .