Strafprocesrecht
Veroordeling voor dwang door het dulden van handelingen. Dit bestond uit het onverhoeds met de hand over de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6837 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6837
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-000358-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6837
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor dwang door het dulden van handelingen. Dit bestond uit het onverhoeds met de hand over de benen van het slachtoffer wrijven en het plaatsen van de hand op de benen, ter hoogte van de lies. Daarnaast sprake van strafbepaling op grond van artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000358-26
Uitspraakdatum: 22 oktober 2026
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 22 januari 2026 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-282291-25 en 18-286579-25, tegen
[verdachte] ,
(ook bekend als [naam 1]
geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
thans zonder vaste woon- of verblijfsplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak in de zaak met parketnummer 18-282291-25. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen de veroordeling in de zaak met parketnummer 18-286579-25.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
-
niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep inzake parketnummer 18-286579-25;
-
veroordeling van verdachte voor de ten laste gelegde dwang onder parketnummer 18-282291-25 tot een gevangenisstraf van 2 weken;
-
toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van
€ 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van wat mevrouw [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij heeft aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep in de (gevoegde) zaak met parketnummer 18-286579-25.
Verdachte is door de politierechter veroordeeld voor de ten laste gelegde winkeldiefstal onder parketnummer 18-286579-25. Het hoger beroep is door verdachte beperkt ingesteld en gericht tegen deze veroordeling. Verdachte is niet op de zitting van het hof verschenen. Uit het strafdossier en het onderzoek op de zitting is gebleken dat er geen grieven kenbaar zijn gemaakt.
Het hof ziet daarom aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de niet verschenen maar wel rechtsgeldig opgeroepen verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen de hiervoor genoemde veroordeling en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van dit parketnummer noodzakelijk maken.
Het vonnis in de (gevoegde) zaak met parketnummer 18-282291-25
Bij het hierboven genoemde vonnis, heeft de politierechter:
-
verdachte vrijgesproken voor de ten laste gelegde dwang onder parketnummer 18-282291-25;
-
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-282291-25:
hij, op of omstreeks 30 augustus 2025 te [plaats] , een ander, te weten [benadeelde] door enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door één of meerdere malen:
- met zijn hand over de benen (ter hoogte van de lies) van die [benadeelde] te wrijven en/of
- zijn (verdachtes) hand te plaatsen op de benen (ter hoogte van de lies) van die [benadeelde] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bespreking standpunt OM ten laste gelegde dwang
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde dwang wettig en overtuigend bewezen kan worden, op basis van de verklaring van aangeefster, de verklaring van [getuige] en de camerabeelden. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van haar collega [getuige] . Uit de camerabeelden volgt dat verdachte aan de open kant van de stoel stond waar aangeefster op zat, waardoor het voor aangeefster niet mogelijk was om zich te onttrekken. Door plotseling het been van aangeefster aan te raken, werd zij gedwongen om die aanraking te dulden door het onverhoedse karakter. Aangeefster had niet de gelegenheid de aanraking te voorkomen. Het aanraken van de bovenbenen en het plaatsen van de handen ter hoogte van de lies zijn maatschappelijk onbetamelijke gedragingen.
Oordeel hof
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, zoals die hierna zijn uitgewerkt, vast dat verdachte op 30 augustus 2025 te [plaats] onverhoeds zijn hand op het blote been van aangeefster heeft geplaatst en over haar been heeft gewreven, ter hoogte van de lies. Dat leidt het hof af uit de verklaring van aangeefster, de verklaring van getuige [getuige] , de verklaring van verdachte en de beschrijving door de politie, alsmede ‘s-hofs eigen waarneming, van de camerabeelden.
Kern van de aan het tenlastegelegde ten grondslag liggende strafbepaling is te voorkomen dat iemand op een wederrechtelijke manier in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt doordat dwang op hem/haar wordt uitgeoefend.
In dit geval maakt de context waarin c.q. de wijze waarop verdachte met zijn hand aan de benen en in de liesstreek van aangeefster heeft gezeten dat de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van dwang in de zin van artikel 284 Wetboek van Strafrecht.
Verdachte was een voor aangeefster wildvreemde man. Aangeefster lag op het bewuste moment in een heel kort broekje op een behandelstoel in de tattooshop en zonder noemenswaardige aanleiding – laat staan toestemming van aangeefster – zat verdachte aan de blote benen van aangeefster waarbij hij haar zelfs in de liesstreek heeft aangeraakt. Het onder die omstandigheden op die wijze (bewust) aanraken door een wildvreemd persoon zonder dat de aangeraakte daarvoor toestemming geeft, moet als maatschappelijk onbetamelijk worden gezien. Aangeefster was het met die aanraking niet eens, blijkens de gebaren die zij richting verdachte heeft gemaakt bij de eerste aanraking van haar been (nog voor hij aan haar lies zat). Daarmee is de wederrechtelijkheid gegeven. Verdachte moet zich gelet op de aard van de gedraging en de gebaren van aangeefster ervan bewust geweest zijn dat hij haar de aanrakingen opdrong. Doordat het plotseling gebeurde, kon aangeefster zich aan die handelingen van verdachte niet meer onttrekken waardoor hij haar dwong die betastingen te dulden. Het onverhoedse van verdachtes optreden volgt ook uit de beschrijving van de camerabeelden in het proces-verbaal van de politie, waarin is opgenomen dat te zien is dat aangeefster verstijft en een schrikreactie laat zien. De eigen waarneming van het hof van die beelden stemt met die beschrijving overeen.
Bewijsmiddelen
1. Proces-verbaal van aangifte van 30 augustus 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025235144 van 25 november 2025, inhoudende de verklaring van [benadeelde] :
Ik ben leerling tatoeëerder bij tattooshop [naam 3] welke gesitueerd is op de [adres] in [plaats] . Rond 09.30 uur was ik aanwezig in de shop. Ik werd hier zelf getatoeëerd aan mijn rechterbeen door [naam 4] . Dit duurde tot 12.00 uur. De tweede klant van [naam 4] welke om 17.00 uur een afspraak had kwam niet opdagen, hierdoor besloten wij om verder te gaan met de tatoeage op mijn rechterbeen.
Omstreeks 17.20 uur nam ik plaats in de tattoostoel. [naam 4] was de zaak nog even aan het vegen, gezien deze ook inmiddels gesloten was. Kort daarna kwamen twee mannen de zaak binnen, rond 17.30 uur.
Ik kan de mannen als volgt omschrijven:
Man 1:
- man,
- vermoedelijk [land] komaf,
- donkerkleurig haar, kort kapsel,
- glad geschoren,
- pet met groen letter erop THC,
- wit t-shirt,
- donkerkleurige bodywarmer,
- korte blauwe spijkerbroek,
- blauw kleurige schoenen.
Man 1 is ook de man welke mij heeft betast.
Man 2:
- man,
- vermoedelijk [land] komaf,
- grijs kleurige pet,
- zwart kleurige joggingbroek,
- zwart kleurig t-shirt,
- beige kleurig vest.
Ik zag dat deze twee mannen de zaak binnenkwamen. Ik hoorde dat de twee mannen tegen elkaar praatten in een andere taal dan Nederlands. Ik hoorde dat de twee mannen via translate met ons probeerde te communiceren.
Ik zag dat man 1 mijn kant op kwam. Ik zag dat deze man foto's van zijn shirtloze
lichaam aan mij toonde. Ik voelde dat man 1 aan mijn rechter boven- en onderbeen zat. Ik zei tegen deze man: "Doe maar niet." En gebruikte hierbij handgebaren welke duidelijk over moesten zijn gekomen als stop, gezien ik mijn beide handen van links naar rechts bewoog. Ik voelde dat man 1 hierna aan de binnenkant van mijn been zat ter hoogte van mijn lies. Ik zag dat man 1 wederom foto's van zijn lichaam liet zien en een foto van bokshandschoenen, welke van zijn sport MMA waren. Ik wilde dat de man wegging en vertelde hem dat ik aan kickboksen deed. Dit zei ik om hem weg te jagen. Hierna ben ik opgestaan en liep ik naar de balie, want mijn sleutels lagen daar. Ik en [naam 4] zeiden wederom tegen beide mannen in de Engelse taal: "Please leave!" Na meerdere malen aandringen zag ik dat beide mannen de shop verlieten.
Ik ben erg geschrokken en nog steeds van slag door het incident. Ik verstijfde terwijl de man aan mijn lichaam zat. Het voelt voor mij niet veilig gezien de mannen nog steeds hier in de buurt rondlopen.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 31 augustus 2025, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :
Op zaterdag 30 november 2025, omstreeks 17.30 was ik in de tattoo shop, [naam 3]
aan de [adres] in [plaats] . Ik ben de eigenaar van dit bedrijf en was aan
het werk. Er kwamen twee mannen binnen, ze vroegen wat er gebeurt met de inkt in je huid, ze hadden het ook over een prostaatkliniek. Dit ging allemaal via translate, ze spraken
namelijk geen Nederlands. Ik stond op het punt om mijn collega [benadeelde] te tatoeëren, die zat in een kort broekje op de tattoo stoel. Beide mannen kwamen bij ons staan, één man naast de stoel bij [benadeelde] en de andere man bij mij. Ik zag dat de eerste man de schouder aantikte van
collega [benadeelde] . De tweede man hield zich bezig door met mij te praten. Ik vertrouwde
het niet en liep naar de balie toe waar mijn tas ligt. Op het moment dat ik bij de
balie stond zat de man bij mijn collega [benadeelde] , welke nog op de tattoo stoel zat, aan
mijn collega. De eerste keer zag ik niet daadwerkelijk dat hij aan haar bovenbeen
zat. Hierop keek ik goed naar mijn collega en zag ik dat de hand van de man
verplaatste naar het andere been van mijn collega [benadeelde] . Ik zag dat hij zijn hand
plaatste ter hoogte van het kruis dan wel liesstreek van [benadeelde] . Ik vroeg aan [benadeelde] of
hij aan haar zat. Ik hoorde haar zeggen dat hij inderdaad aan haar zat. Hierop werd
ik boos. Ik begon te schreeuwen tegen ze en zei dat ze weg moesten. Ik hoorde dat [benadeelde] ook
begon te schreeuwen. Ze gingen niet weg, hierop liep ik naar de buren waar een
kapsalon zit. Ik zag dat ik achtervolgd werd door de mannen.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 31 augustus 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 1] (het hof begrijpt: [verdachte] :
V: Wat heeft u in de tattoo shop gedaan?
A: Ik ben daar naar binnen gegaan, samen met een vriend. Er zat een meisje dat een
tattoo kreeg op haar been, de plakker zat er al op. Ik wilde haar vragen, ik wilde
google translate aanzetten.
V: Wie waren in de tattoo shop aanwezig?
A: Daar waren twee meisjes, 1 meisje bracht een tattoo aan en de andere had een
plakker op haar been.
4. Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden gericht op de tattoostoelen uit de [naam 3] in [plaats] met bestandsnaam 1756627671014, inhoudende:
Het betreft een opname van beeld van 30 augustus 2025, vanaf 17.30 uur. Te zien is dat aangeefster op de tattoostoel zit in een kort broekje, dat links naast de tattoostoel een hoge tafel staat met een stoel. Verdachte draagt blauwe schoenen, een korte spijkerbroek, een wit-shirt, een bodywarmer, een schoudertasje en een zwarte pet. Op een gegeven moment staat verdachte dichtbij aangeefster, met zijn rug naar de camera aan de open linkerkant van de tattoostoel. Vervolgens is te zien dat de verdachte zijn armen beweegt waarna aangeefster verstijft, schrikt en kennelijk een enorm ongemak ervaart.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten laste gelegde inzake parketnummer 18-282291-25 heeft begaan, te weten dat:
hij op 30 augustus 2025 te [plaats] , een ander, te weten [benadeelde] , door een feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, door:
- met zijn hand over de benen (ter hoogte van de lies) van die [benadeelde] te wrijven en
- zijn (verdachtes) hand te plaatsen op de benen (ter hoogte van de lies) van die [benadeelde] .
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het inzake parketnummer 18-282291-25 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets dulden.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat hij niet strafbaar is.
Oplegging van straf (parketnummer 18-282291-25)
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dwang. Hij heeft het slachtoffer enorm laten schrikken door plotseling aan haar benen en liesstreek te komen zonder dat zij dat verwachtte. Aangeefster ging ervan uit dat, ook wanneer zij getatoeëerd werd op haar been en daarom met een kort broekje aan op een behandelstoel lag, zelfbepalend zou zijn. Verdachte heeft haar het vertrouwen daarin ontnomen. Uit de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer daar nog langdurige psychische gevolgen van heeft ondervonden.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op het strafblad van verdachte van 3 september 2026, waaruit volgt dat hij eerder voor andere strafbare feiten (winkeldiefstallen) onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden ook onderhavig strafbaar feit te plegen. Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is verder weinig bekend, nu er geen rapportage over verdachte is opgemaakt en hij in hoger beroep niet ter zitting is verschenen. Zowel ten tijde van de berechting bij de politierechter als in hoger beroep is geen verblijfplaats van verdachte bekend.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 2 weken een passende en noodzakelijke bestraffing voor de door verdachte toegepaste dwang.
Strafbepaling op grond van artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering
Door de politierechter is één hoofdstraf opgelegd voor twee gevoegde zaken. Het hoger beroep is, als gevolg van de niet-ontvankelijk verklaring van verdachte ter zake van het feit onder parketnummer 18-286579-25, alleen gericht tegen het onder parketnummer 18-282291-25 ten laste gelegde. Het hof moet in dit geval de straf bepalen voor het feit ten aanzien waarvan het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarom bepaalt het hof de straf voor het onder parketnummer 18-286579-25 bewezenverklaarde op een gevangenisstraf van 2 weken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.125,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof stelt vast dat niet met stukken is onderbouwd dat bij aangeefster sprake is (geweest) van psychisch letsel.
Het hof is van oordeel dat desondanks in dit geval kan worden vastgesteld dat er sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij slapeloze nachten heeft vanwege het incident, waardoor het haar niet lukt om ochtenddiensten te draaien op haar werk. Ze ervaart wantrouwen richting mannen. Door de huisarts is ze doorverwezen naar de psycholoog, waarvoor ze op de wachtlijst staat.
Op de zitting is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat zij nog steeds angsten ervaart door het incident en niet meer ergens alleen naar toe durft te gaan. Het hof ziet geen reden om aan de door aangeefster beschreven gevolgen te twijfelen en die gevolgen zijn ook niet betwist door de verdediging.
Gelet op de aard en ernst van de normschending, in samenhang beschouwd met de aard en ernst van de geschetste en niet betwiste gevolgen daarvan voor aangeefster, neemt het hof een ‘persoonsaantasting op andere wijze’ aan en wijst het hof de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 600,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025. De benadeelde partij wordt voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het inzake 18-282291-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het inzake 18-282291-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.
Bepaalt de door de politierechter opgelegde straf voor het in de zaak met parketnummer 18-286579-25 bewezenverklaarde op:
een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-282291-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-282291-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 augustus 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. W. Foppen, mr. T.H. Bosma en mr. G.A. Versteeg, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 oktober 2026.