Strafprocesrecht
Veroordeling voor art. 247 Sr (oud): het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met een 16-minner…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6838 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6838
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-001584-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6838
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor art. 247 Sr (oud): het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met een 16-minner. Betrouwbaarheid verklaringen.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001584-25
Uitspraakdatum: 22 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 4 april 2025 met parketnummer 18-108807-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
-
vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
-
veroordeling van verdachte voor het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met een 16-minner tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;
-
integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.P.W. Nijboer, hebben aangevoerd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partij door zijn advocaat, mr. R. Spoelstra, naar voren is gebracht.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:
-
verdachte voor het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met een 16-minner veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan ambulante behandeling;
-
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] integraal toegewezen tot het bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 1 juli 2021 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het (meermalen) zoenen/kussen op de mond van die [benadeelde] , en/of
- het laten betasten van haar, verdachtes, vagina met de hand van die [benadeelde] , en/of - het wrijven met haar, verdachtes, hand over de met (onder)broek bedekte penis van die [benadeelde] en/of (vervolgens) over de blote penis van die [benadeelde] , en/of
- het in de mond nemen van de penis van die [benadeelde] , en/of
- het zich door die [benadeelde] met de penis laten penetreren in haar, verdachtes, vagina.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verklaring van [benadeelde] is op hoofdlijnen consistent en wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] en in iets mindere mate door de verklaring van [getuige 2] . [benadeelde] en [getuige 1] hebben hun eerdere verklaringen ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. Verder kunnen als aanvullend bewijs aan de bewijsconstructie worden toegevoegd de TikTok-berichten tussen de moeder van [benadeelde] en verdachte. Er is geen enkele reden om eraan te twijfelen dat verdachte zelf berichten heeft verstuurd via TikTok.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het wettig bewijs weliswaar aanwezig is, maar dat de overtuiging ontbreekt. Er is sprake van een fors tijdsverloop tussen het incident en de later afgelegde verklaringen en de hoofdrolspelers verklaren zelf onder invloed te zijn geweest. De verklaringen van [benadeelde] en [getuige 1] moeten zeer behoedzaam worden gelezen, omdat er sprake is van discrepanties in hun verklaringen. Verdachte ontkent ten stelligste seks met [benadeelde] te hebben gehad. De TikTok-berichten kunnen niet in het nadeel van verdachte bij de bewijsbeslissing worden betrokken, omdat de authenticiteit daarvan door de politie niet vastgesteld kon worden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er onvoldoende steunbewijs is voor het meermalen plegen van ontuchtige handelingen. Voor zover het hof tot een bewezenverklaring zou komen, dient dat te worden beperkt tot eenmaal.
Oordeel hof
Bewijs in zedenzaken
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het gegeven dat slechts twee personen –aangever en verdachte – aanwezig waren bij de ten laste gelegde (seksuele of ontuchtige) handelingen. In deze zaak is dit (grotendeels) niet anders.
Voor een bewezenverklaring zijn de verklaringen van de aangever alleen onvoldoende. Er moet sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan aangever zelf. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ontucht niet als zodanig bevestiging hoeft te vinden in ander bewijs, maar dat het voldoende is dat de verklaring van aangever op bepaalde belangrijke punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Daarbij mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de aangifte en het overige bewijsmateriaal. Het vereiste van voldoende steun wordt wel omschreven als ‘een eis van inhoudelijk verband die er vooral toe strekt dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige’.
Beoordeling hof
Het hof acht de verklaringen van [benadeelde] bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris betrouwbaar en authentiek, nu hij daarin consistent en concreet verklaart over meermalen verrichte ontuchtige handelingen door verdachte.
De verklaring van [benadeelde] vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 1] . Hij heeft één keer gezien en gehoord dat verdachte en [benadeelde] seks met elkaar hadden op het bed van verdachte, omdat [getuige 1] toen op een matras lag naast het bed. Het hof acht ook [getuige 1] verklaring betrouwbaar. Hij heeft uitsluitend verklaard over de ene keer waarin hij zag dat verdachte en [benadeelde] seks met elkaar hadden en heeft die verklaring niet aangedikt. Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris heeft hij zijn eerder afgelegde verklaring bevestigd. De verbijstering van [getuige 1] over wat hij zag en hoorde, zoals die volgt uit diens beantwoording van de vragen bij zijn verhoor door de politie, draagt bij aan de authenticiteit van diens verklaring.
De verklaring van [benadeelde] wordt verder nog ondersteund door de verklaring van verdachte in haar politieverhoor. Daarin heeft zij verklaard dat verdachte en [getuige 1] zo’n zes à zeven keer bij haar in huis hebben geslapen in [plaats] . Ten tijde van de ten laste gelegde periode woonde naar eigen zeggen haar vriendin [getuige 2] bij haar in huis. Dat heeft [getuige 2] ten overstaan van de politie bevestigd. Zij heeft verklaard dat verdachte vanaf februari/maart 2021 in [plaats] woonde en dat zij ( [getuige 2] ) toen vier maanden lang bij haar inwoonde.
Dat er sprake is van tijdsverloop tussen het tenlastegelegde en de door [benadeelde] en [getuige 1] bij hun verhoren afgelegde verklaringen, doet gezien het voorgaande niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Dat tijdsverloop valt ook te verklaren uit het gegeven dat de moeder van [benadeelde] pas ongeveer anderhalf jaar na de pleegperiode berichten tussen [benadeelde] en verdachte op de tablet heeft gevonden, waarna zij het vermoeden kreeg dat er mogelijk sprake is geweest van ontuchtige handelingen en aangifte heeft gedaan. De inhoud van de verhoren van [benadeelde] en [getuige 1] geeft het hof geen aanleiding te veronderstellen dat dat tijdsverloop hen parten heeft gespeeld in hun herinnering van wat er is gebeurd.
De raadsman heeft nog betoogd dat zij beiden hebben verklaard onder invloed van drank en/of drugs te zijn geweest toen zij bij verdachte waren en dat dat maakt dat met hun verklaringen behoedzaam moet worden omgesprongen.
Nu niet is gebleken dat [benadeelde] en [getuige 1] bij hun verhoren door de politie en de rechter-commissaris onder invloed verkeerden, ziet het hof in het door de raadsman opgeworpen punt van aandacht geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van wat [benadeelde] en [getuige 1] hebben verteld. Hun verklaringen zijn concreet voor wat betreft de door hen beschreven handelingen en komen op onderdelen met elkaar overeen. Daaruit blijkt niet dat hun waarneming ten tijde van het tenlastegelegde dermate werd gehinderd dat niet kan worden afgegaan op wat zij daarover later hebben verklaard.
Aangezien het hof niet de TikTok berichten voor het bewijs gebruikt, behoeft het verweer van de raadsman met betrekking tot de betrouwbaar daarvan geen nadere bespreking.
Meermalen
Het verweer van de raadsman – dat voor bewijs van het ten laste gelegde meermalen plegen behalve de verklaring van [benadeelde] ook, zo begrijpt het hof het verweer, ondersteuning door een ander bewijsmiddel nodig is – vindt geen steun in het recht.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde] , die toen nog geen 16 jaar oud was.
Bewijsmiddelen
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen:
1. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 november 2022, opgenomen op pagina 33 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer FATSIA/ NNRBC23056, van 20 april 2023, inhoudend als verklaring van [benadeelde] .
(p. 34) V: Om wie gaat deze melding?
A: [verdachte] .
V: Vertel eens alles over de eerste keer dat er iets gebeurd is.
A: Ik was met een mattie daar. [getuige 1] . We gingen daar slapen. Hij sliep er naast en toen was het gebeurd.
(p. 36) V: Je zegt dat jullie daar seks hebben gehad. Vertel daar eens alles over.
A: We gingen zoenen, ik ging haar vingeren, zij ging mij pijpen en toen hebben we geneukt.
V: Toen zij jou ging aftrekken. Hoe zat het toen met jou korte broek?
A: Ze ging met haar hand erover heen wrijven. Daarna ging ze met haar hand in mijn broek),
(p. 37) A: Ze ging haar broék uitdoen. Ik ging mijn broek uit doen. Toen ging ik boven op haar. Toen lag ze op haar rug. Toen ging ik met mijn ding in haar.
V: Wat bedoel je met je ding?
A: Mijn piemel.
A: Ik was haar aan het neuken.
V: Je had het ook over pijpen. Wanneer heeft ze jou gepijpt dan?
A: Eerst liggen, toen ging ze wrijven, toen aftrekken, toen pijpen en toen ging ik bovenop.
(p. 38) V: Je zegt het is twee of drie keer gebeurd. Zijn ai die andere keer op dezelfde manier gebeurd. Of is het ook op een andere manier gebeurd.
A: Twee keer op dezelfde manier en een keer anders.
V: Hoe was de andere keer?
A: Dat was via achter.
A: Dat was doggy-style.
A: Vanaf achter bij de billen.
(p. 39) A: Ik ging mijn piemel in haar kut doen en toen ging ik heen en weer.
2. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [benadeelde] bij de rechter-commissaris in strafzaken van 5 juni 2024, in de zaak tegen verdachte:
(p. 2) Het gaat om mevrouw [verdachte] , hoe heb je haar leren kennen?
Zij woonde bij mij in de wijk.
Hoe oud was je toen?
13.
Was er een bijzondere reden dat jij bij [verdachte] in bed sliep?
Nee. We waren in de avond aan het chillen, toen is dat gebeurd. Zij ging aan mij zitten, daar werd ik wakker van. Ze begon mij te zoenen en ik zoende terug. Daarna heb ik seks gehad
met haar.
Hoe ging dat verder, qua volgorde?
Ze ging haar hand in mijn broek doen. Ik heb haar gevingerd, zij trok mij af en ging mij pijpen. Daarna wordt er geneukt.
Is dit vaker gebeurd?
Ja, drie keer, ofzo.
De eerste keer die je beschrijft, was de tweede keer kort na?
Daar zaten 3 of 4 dagen tussen.
3. Een proces-verbaal van verhoor van 18 januari 2023, opgenomen op pagina 44 e.v. van het dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
(p. 46) A: Zij (het hof begrijpt: verdachte) zoende met [benadeelde] . Zij heeft seksueel gedaan met [benadeelde] . Ze heeft geneukt met [benadeelde] terwijl ik er naast lag.
(p. 47) A: Ik sliep op een matras naast het bed. Ik kon het gewoon zien. Ik zag [benadeelde] zat met knieën op bed. Ik zag dat hij de benen van [verdachte] in zijn handen had. Ik hoorde dat de plaat van het bed tegen de muur aan sloeg. Hij was aan het neuken. Ik vond het niet 100. Op zijn minst hadden ze mij weg kunnen sturen. Dat had ik wel gehoopt.
(p. 48) Ik hoorde dat [verdachte] kreunde. Ik hoorde dat [verdachte] krijgt. Ik bedoel daarmee dat ze gewoon geneukt werd door [benadeelde] . Ik heb een kussen op mijn hoofd gedaan en heb ze zwaar genegeerd. Dat is echt een fucked up situatie om in te komen.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris in strafzaken van 5 juni 2024, in de strafzaak tegen verdachte:
(p. 2) In de slaapkamer van [verdachte] was een tweepersoonsbed, daar lagen zij in. Ik lag daarnaast op een matras op de grond.
Waarom lag [benadeelde] bij [verdachte] in bed?
Omdat zij een Relatie met elkaar hadden.
Wat moet ik mij daarbij voorstellen?
Gewoon een relatie, watje dan doet, zoenen en seks hebben. Ik kon het gewoon zien!
Wat zag je dan?
Ik zag haar benen in de lucht en [benadeelde] lag erachter.
5. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 16 februari 2023, opgenomen op pagina 61 e.v. van het dossier:
(p. 67) A: Ik heb ze (het hof begrijpt: [getuige 1] en [benadeelde] ) leren kennen in maart 2021. Tot juni of juli 2021 heb ik ze in mijn huis gehad.
(p. 70) A: Mijn beste vriendin. [getuige 2] , was er wel heel vaak bij. Zij heeft van februari 2021 tot juli 2021 bij mij in gewoond.
6. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 16 februari 2023, opgenomen op pagina 82 e.v. van het dossier:
(p. 83) V: Je vertelde dat [benadeelde] en [getuige 1] wel eens bij je bleven slapen.
(p. 84) V: Hoe vaak is dat gebeurd dat ze bij jou in huis sliepen?
A: Ik denk 6 of 7 keer.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2023, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op donderdag 16 februari 2023 hadden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , een
telefonisch gesprek met [getuige 2] naar aanleiding van een aangifte van ontucht met een minderjarige. [getuige 2] werd gehoord als getuige.
V: Wanneer woonde [verdachte] in [plaats] ?
A: Vanaf Febr (het hof begrijpt: februari)/maart 2021 tot afgelopen februari. Ik woonde bij haar vier maanden lang voorafgaan aan het moment dat zij naar [locatie] ging.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zij in de periode van 1 februari 2021 tot en met 1 juli 2021 te [plaats] , met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meermalen, op verschillende tijdstippen, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het (meermalen) zoenen/kussen op de mond van die [benadeelde] , en
- het laten betasten van haar, verdachtes, vagina met de hand van die [benadeelde] , en
- het wrijven met haar, verdachtes, hand over de met (onder)broek bedekte penis van die [benadeelde] en vervolgens over de blote penis van die [benadeelde] , en
- het in de mond nemen van de penis van die [benadeelde] , en
- het zich door die [benadeelde] met de penis laten penetreren in haar, verdachtes, vagina.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Daartoe komt de raadsman op basis van het Pro-Justitia-rapport (PJ-rapport) psychologisch onderzoek door drs. [GZ-psycholoog] van 30 april 2026.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal sluit zich aan bij de conclusies van de psycholoog uit het PJ-rapport om het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Oordeel hof
Uit het PJ-rapport van 30 april 2026 volgt dat verdachte lijdt aan een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitstoornis, een posttraumatische stresstoornis en stoornissen in middelengebruik. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit kampte verdachte met deze stoornissen. Ter zitting van het hof heeft verdachte bevestigd dat haar leven ten tijde van het plegen van het feit ontregeld was. Verdachte kwam destijds uit een relatie waarin haar ex-partner drugs gebruikte en zijzelf ook cannabis rookte.
Het hof concludeert op grond van het PJ-rapport, de inhoud van het dossier en het onderzoek op de zitting, dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof acht verdachte dus wel strafbaar.
Oplegging van straf
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. In verband met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, vordert de advocaat-generaal een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de rechtbank heeft opgelegd.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft, in geval van veroordeling, bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, in verband met haar persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop. Ter overweging van het hof heeft de raadsman de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf genoemd. Voor zover het taakstrafverbod van toepassing is, is bepleit om een gevangenisstraf van één dag op te leggen.
Oordeel hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van het feit
Het hof verenigt zich met de navolgende strafmaatoverwegingen van de rechtbank. Waar ‘de rechtbank’ staat dient ‘het hof’ te worden gelezen:
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontucht met een
dertienjarige jongen, waarbij sprake was van verregaande onbeschermde seksuele
handelingen, zoals bewezenverklaard. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk
gemaakt op de lichamelijke integriteit van dit jonge slachtoffer dat een normale seksuele
ontwikkeling met leeftijdsgenootjes had moeten doormaken, maar in plaats daarvan als
bedpartner fungeerde van de toen 31-jarige verdachte. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk seksueel misbruik de negatieve gevolgen daarvan nog lang met zich mee kunnen dragen.
Verder is een vijftienjarig vriendje van het slachtoffer éénmaal getuige van de ontucht
geweest, hetgeen mogelijk ook voor zijn (seksuele) ontwikkeling negatieve gevolgen heeft of heeft gehad.
De rechtbank acht het handelen van verdachte extra laakbaar vanwege de door verdachte
gecreëerde omstandigheden waarbinnen het misbruik heeft plaatsgevonden. De kinderen van verdachte waren uit huis geplaatst omdat zij de zorg voor hen niet aankon. Dit weerhield haar er niet van om haar huis open te stellen voor andermans kinderen, jonge jongens, die volgens haar opgroeiden in onwenselijke omstandigheden, maar die zij in haar woning ongestoord drank en drugs liet gebruiken. De eerste keer dat het misbruik heeft
plaatsgevonden verkeerde het slachtoffer naar eigen zeggen onder invloed van alcohol en
lachgas.”
De persoon van verdachte
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op het strafblad van verdachte van 3 september 202, waaruit volgt dat zij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan artikel 247 Sr (oud). Er is sprake van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Het handelen van verdachte heeft bovendien een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge gehad. Daarom is op grond van artikel 22b, eerste lid, Sr, de oplegging van een enkele taakstraf uitgesloten.
Het hof houdt verder rekening met het reclasseringsrapport van 28 september 2026, waaruit volgt dat verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft met geweld en misbruik. Voor de trauma’s die zij daarvan heeft opgelopen staat verdachte op de wachtlijst voor therapie bij de GGZ. Verdachte heeft vijf kinderen, waarvan de twee jongsten bij haar in huis wonen. Haar oudste kinderen zijn uithuisgeplaatst en onder toezicht gesteld. Verdachte leeft van een Wajong-uitkering en is voornemens in de toekomst weer te gaan werken. De gemotiveerde houding van verdachte ten opzichte van haar huidige begeleiding bij [organisatie] en toekomstige hulpverlening bij de GGZ acht de reclassering positief. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden. Er zijn contra-indicaties voor de oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat zou de begeleiding en behandeling van verdachte doorkruisen en daardoor zal zij vermoedelijk haar woning en de zorg over haar twee thuiswonende kinderen kwijtraken.
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en haar raadsman naar voren zijn gebracht. Bij de strafoplegging neemt het hof ook het hierboven beschreven PJ-rapport van 30 april 2026 mee in zijn overwegingen. Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal dit in strafverminderende zin meewegen.
De strafoplegging
Het hof is van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de rechtbank opgelegd op zijn plaats is. Gelet echter op verdachtes persoonlijke omstandigheden - die in hoger beroep ten opzichte van de rechtbankprocedure nader zijn geduid aan de hand van het PJ-rapport van 30 april 2026 en het reclasseringsadvies van 28 september 2026 - het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde gebeurtenissen en de toepassing van het taakstrafverbod, komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf van 420 dagen, waarvan 419 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Deze straf acht het hof passend en noodzakelijk. Dat betekent dat verdachte één dag naar de gevangenis moet. De taakstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf zijn nodig om de ernst van het feit uit te drukken. Het voorwaardelijke strafdeel is bovendien bedoeld verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag integraal toegewezen.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat (voor zover hier van belang) zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Uit de toelichting bij het verzoek om schadevergoeding is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Er is sprake van een inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij gemaakt en de aard en de ernst van de normschending brengen in dit geval mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zó voor de hand liggen, dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd tot het bedrag van € 3.000,00 en wijst de vordering tot dat bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De behandeling van het overige deel van de vordering van € 2.000,00 aan immateriële schade levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 420 (vierhonderdtwintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 419 (vierhonderdnegentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van €3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 juli 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. W. Foppen en mr. G.A. Versteeg, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 oktober 2026.