Strafprocesrecht
Veroordeling voor mishandeling, meermalen gepleegd en bedreiging van echtgenote. Oplegging van een…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6705 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6705
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-000500-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6705
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor mishandeling, meermalen gepleegd en bedreiging van echtgenote.
Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf weken met een proeftijd van 3 jaren,
een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, en een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contact- en locatieverbod. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000500-26
Uitspraakdatum: 16 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 6 februari 2026 met parketnummer 16-216875-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats 1] (Egypte),
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld en dat aan hem wordt opgelegd:
-
een gevangenisstaf voor de duur van 5 weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
-
een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;
-
een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van 5 jaren, waarbij voor iedere overtreding hechtenis voor de duur van 2 weken kan worden opgelegd met een maximum van 6 maanden.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. D.R. Zoon, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. N. Pronk, is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld en aan hem opgelegd:
-
een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
-
een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;
-
een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 jaren, inhoudende een contact- en locatieverbod betreffende [benadeelde]
De politierechter heeft verder de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest op onderdelen tot een andere bewezenverklaring en tot een andere beslissing ten aanzien de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 tot en met 24 november 2024 te [plaats] [benadeelde] , heeft mishandeld, door
- een of meermalen haar keel dicht te knijpen en/of
- een opscheplepel tegen haar hoofd te gooien,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 tot en met 24 november 2024 te [plaats] - [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
- door die [benadeelde] een mes op haar keel te zetten en daarbij dreigend de woorden toe te voegen "moet ik je afslachten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- door die [verdachte] eenmaal of meermalen dreigend de woorden toe te voegen: “ik maak je dood” en/of “ik vermoord je” en/of “ik zorg dat je een miskraam krijgt”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen
Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij zijn echtgenote heeft mishandeld en onder feit 2 dat hij haar heeft bedreigd. Verdachte heeft de feiten ontkend en namens hem heeft de raadsvrouw vrijspraak van beide feiten bepleit. Daartoe is, kortgezegd, aangevoerd dat er onvoldoende steunbewijs is voor de aangifte van [benadeelde] . In dit verband is gewezen op verschillen tussen haar aangifte enerzijds en de verklaringen van het neefje respectievelijk de moeder van aangeefster anderzijds.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
In haar aangifte van 8 mei 2025 heeft aangeefster een verklaring afgelegd waarin zij schetst hoe zij verdachte op 20 juni 2024 voor het eerst heeft ontmoet, dat zij op 22 augustus 2024 met hem is getrouwd en dat de relatie gaandeweg steeds slechter werd. In de periode van augustus tot en met november 2024 hadden zij bijna dagelijks ruzie, waarbij verdachte aangeefster regelmatig bij de keel pakte en haar keel dichtkneep. Aangeefster heeft in dit verband als specifiek voorbeeld genoemd dat verdachte haar keel heeft dichtgeknepen op 8 september 2024, na een bezoek aan de [locatie] in verband met de verjaardag van verdachte, en dat haar neefje dit toen heeft gezien. Verder heeft aangeefster verklaard dat verdachte op enig moment een metalen opscheplepel naar het hoofd van aangeefster gegooid, waaraan zij een bult op haar voorhoofd heeft overgehouden.
Ten slotte beschrijft aangeefster dat verdachte haar half november een mes op de keel heeft gezet en haar met de dood heeft bedreigd. Naar de moeder van aangeefster deed hij dit af als een geintje, volgens aangeefster een standaard antwoord van verdachte als hij ergens op wordt aangesproken. Aangeefster heeft verder verklaard dat verdachte haar een dag later opnieuw heeft bedreigd met de dood en met het veroorzaken van een miskraam (aangeefster was op dat moment zwanger), nadat zij hem had verzocht de woning te verlaten. Verdachte heeft uiteindelijk op 24 november 2024 de woning verlaten, aldus aangeefster.
Het hof stelt voorop dat de betrouwbaarheid van de aangifte niet door de verdediging is betwist en dat het hof ook geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen. De aangifte bevat een innerlijk consistente verklaring van aangeefster die authentiek overkomt en waarin ten aanzien van de tenlastegelegde gedragingen gedetailleerde beschrijvingen zijn opgenomen.
De verdediging heeft bestreden dat het dossier voldoende steunbewijs voor de aangifte bevat. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het hof is van oordeel dat in deze zaak de aangifte niet op zichzelf staat, maar dat deze steun vindt in de verklaringen van het neefje en van de moeder van aangeefster. Het hof licht dat hierna oe.
Op 22 mei 2025 is het neefje van aangeefster als getuige gehoord bij de politie. Hij heeft toen verklaard dat hij op de verjaardag van verdachte aanwezig was in de woning van aangeefster en verdachte en dat hij toen van een afstand van 5 tot 6 meter heeft gezien dat verdachte aangeefster vastgreep bij de keel.
De raadsvrouw heeft erop gewezen dat de verklaringen van aangeefster en haar neefje verschillen wat betreft de locatie in de woning waar zij zich ten tijde van dit door hen beschreven incident bevonden. Het hof constateert met de verdediging dat deze verschillen er zijn. Ook bevat het dossier geen plattegrond om hun beschrijving van de situatie beter te kunnen duiden. Het hof kan dan ook niet uitsluiten dat het neefje van verdachte over een ander incident in de woning heeft verklaard dan waarover aangeefster in haar aangifte rept. Dit doet er echter niet aan af dat de verklaring van deze getuige steun biedt aan de aangifte, nu aangeefster daarin heeft benoemd dat zij regelmatig bij de keel werd gepakt in de tenlastegelegde periode. De getuige heeft uit eigen waarneming over één van die incidenten verklaard zonder dit aan te dikken; hij verklaart ontkennend als hem gevraagd wordt of hij letsel en/of ander geweld heeft gezien. Dit maakt een waarheidsgetrouwe indruk en het hof ziet dan ook geen reden om de juistheid en betrouwbaarheid van deze getuige-verklaring te twijfelen. De enkele omstandigheid dat de getuige familie is van aangeefster doet aan dat oordeel niet af. Het hof ziet in deze getuigenverklaring daarom steun voor de aangifte met betrekking tot de onder feit 1 tenlastegelegde mishandeling.
De moeder van aangeefster is ook op 25 mei 2025 door de politie gehoord als getuige. Zij heeft het door aangeefster beschreven incident met de opscheplepel niet zelf gezien, maar heeft daarover verklaard dat aangeefster een dikke bult op haar hoofd had en een blauwe plek bij de haargrens en dat aangeefster daarover vertelde dat verdachte met een lepel naar haar hoofd had gegooid. Vervolgens heeft de getuige aan verdachte gevraagd of hij met een lepel heeft gegooid, waarop verdachte heeft geantwoord dat het een grapje was.
Het hof constateert met de verdediging dat het dossier geen foto’s van dit letsel bij aangeefster bevat. De verdediging heeft niet betwist dat de waarneming van deze getuige onjuist is geweest, maar heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld hoe de bult bij aangeefster is ontstaan.
Het hof heeft hiervoor al overwogen dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen en dat deze op onderdelen steun in de verklaring van het neefje van aangeefster. Het hof acht de verklaring van aangeefster met betrekking tot het incident met de opscheplepel – zoals hierboven is opgenomen - zeer specifiek. Het hof acht het op grond van algemene ervaringsregels aannemelijk dat daardoor een bult en een blauwe plek op het hoofd is ontstaan. Dat de moeder van aangeefster een bult en een blauwe plek bij haar dochter heeft waargenomen, sluit daarom goed aan bij de aangifte, te meer nu van een andere oorzaak voor dergelijk letsel uit het dossier niet is gebleken. Daar komt bij dat zowel aangeefster als de getuige benoemen dat verdachte na confrontatie met zijn gedrag de gewoonte had om het af te doen als een grapje. Naar het oordeel van het hof biedt de getuigenverklaring van de moeder van aangeefster dan ook verdere steun aan de aangifte met betrekking tot feit 1.
Verder heeft deze getuige verklaard dat zij een paar keer bij ruzies en bedreigingen van verdachte aanwezig is geweest en deze heeft gehoord. Ook heeft zij haar dochter op enig moment aan de telefoon gehad en heeft zij verdachte toen horen zeggen “ik ga je slachten met het mes.” Zij heeft ook over dit incident concreet, gedetailleerd en logisch verklaard. De raadsvrouw heeft ook met betrekking tot dit incident gewezen op verschillen in de beide verklaringen, nu aangeefster heeft verklaard dat zij pas ná dit incident haar moeder heeft gebeld. Naar het oordeel van het hof doet dit echter niet af aan de inhoud van de aangifte. Zowel aangeefster als haar moeder hebben aangegeven dat verdachte aangeefster meermalen heeft bedreigd met de dood en uit de verklaring van haar moeder blijkt dat aangeefster hierover regelmatig contact zocht met haar moeder en haar dan vertelde wat er was gebeurd. Uit de aangifte en de verklaring van de getuige blijkt dat het incident met het mes en de bedreiging die daar bij hoort in ieder geval door aangeefster direct na het incident telefonisch is gedeeld met haar moeder. Het verschil in de verklaringen over het moment van bellen doet daaraan niet af. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuige ook met betrekking tot dit incident concreet verklaart met verdachte te hebben gesproken aan de telefoon en dat verdachte ook dit incident afdeed als een grapje. Naar het oordeel van het hof biedt deze getuigenverklaring dan ook steun voor de aangifte met betrekking tot de onder feit 2 tenlastegelegde bedreigingen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het dossier ten aanzien van beide feiten voldoende steunbewijs bevat voor de aangifte. Op grond van de hiervoor besproken verklaringen acht het hof het onder 1 en 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Met betrekking tot feit 2 overweegt het hof verder nog dat de woorden “ik zorg dat je een miskraam krijgt” een bedreiging met zware mishandeling van aangeefster opleveren, mede gelet op de context van de daarmee gepaard gaande doodsbedreiging.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in de periode van 20 juni 2024 tot en met 24 november 2024 te [plaats] [benadeelde] , heeft mishandeld, door
- meermalen haar keel dicht te knijpen en
- een opscheplepel tegen haar hoofd te gooien,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
2.
hij in de periode van 20 juni 2024 tot en met 24 november 2024 te [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
- door die [benadeelde] een mes op haar keel te zetten en daarbij woorden toe te voegen van dreigende aard of strekking en
- door die [benadeelde] eenmaal of meermalen dreigend de woorden toe te voegen: “ik maak je dood” en “ik vermoord je” en “ik zorg dat je een miskraam krijgt.”
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet
bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zijn echtgenote meermalen mishandeld door haar bij de keel te pakken en door een opscheplepel tegen haar hoofd te gooien. Daarnaast heeft hij een mes op haar keel gezet en haar woordelijk bedreigd. Het gaat om ernstig huiselijk geweld dat zich gedurende een langere periode heeft voorgedaan. Dergelijke vormen van geweld en bedreiging in de huiselijke sfeer, bij uitstek op een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen, hebben vaak ingrijpende gevolgen voor slachtoffers. Uit het dossier en de slachtofferverklaring die ter zitting in hoger beroep is voorgedragen, is gebleken dat ook voor het slachtoffer in deze zaak de impact groot is geweest en dat tot op de dag van vandaag nog is.
Het hof heeft gelet op een uitdraai van het strafblad van verdachte van 1 september 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verder heeft het hof gelet op een advies van Reclassering Nederland van 6 februari 2026, waarin de reclassering schetst dat sprake is van een zeer zorgelijke situatie waarin de houding, het gedrag en het recidiverisico niet kan worden ingeschat bij een eventueel hernieuwd contact of bij een nieuwe partnerrelatie. De reclassering merkt in dat verband op dat verdachte ten tijde van de feiten geen zinvolle dagbesteding had, dat er sprake was van schuldenproblematiek, dat verdachte sinds eind november 2025 staat ingeschreven bij de dag- en nachtopvang en dat er geen zicht is op een eventueel steunend sociaal netwerk, op mogelijk middelenmisbruik en/of op het sociaal functioneren van verdachte.
Verdachte is in hoger beroep niet ter zitting van het hof verschenen, omdat hij in Egypte verblijft en hem, in verband met een daar lopende alimentatieprocedure een uitreisverbod is opgelegd. Van zijn raadsvrouw heeft het hof vernomen dat de zorgen rondom huisvesting en dagbesteding nog niet volledig zijn weggenomen, maar dat verdachte contact heeft over het aflossen van zijn schulden met [bedrijf] en dat hij zicht heeft op huisvesting in [plaats] als hij terugkomt uit Egypte.
Het hof deelt de zorgen van de reclassering nu verdachte zich enerzijds gedurende een ruime periode schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten jegens aangeefster, terwijl er anderzijds nauwelijks sprake lijkt te zijn van stabiliteit in het leven van verdachte en er weinig zicht is op mogelijke oorzaken van zijn gedrag. Daar komt bij dat in een proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2026 is opgetekend dat door een andere ex-partner van verdachte meerdere meldingen bij de politie zijn gedaan van huiselijk geweld in 2022, 2024 en 2025. Hoewel verdachte in verband met deze meldingen niet is vervolgd, ziet het hof in combinatie met de onderhavige zaak wel een zorgelijk patroon van meldingen over soortgelijk gedrag van verdachte gedurende meerdere jaren. In samenhang bezien, brengen voornoemde omstandigheden het hof tot het oordeel dat de kans op herhaling hoog moet worden geacht. Het hof ziet daarin aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een langere proeftijd dan is gevorderd, alsmede een vrijheidsbeperkende maatregel van langere duur dan door de politierechter is opgelegd.
Alles afwegend acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 weken met een proeftijd van 3 jaren noodzakelijk, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten zal het hof daarnaast een taakstraf opleggen van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het voorliggende strafdossier is het hof van oordeel dat – ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten aan verdachte tevens een maatregel die strekt tot de beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v moet worden opgelegd.
Met name gelet op de ernst, intensiteit, duur en impact van het bewezenverklaarde, te weten het structureel mishandelen en bedreigen van aangeefster over een periode van meerdere maanden, is het hof van oordeel dat niet volstaan kan worden met de op te leggen straf. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte en aangever samen een kind hebben en dat verdachte zijn gewelddadige gedrag ontkent en niet mee heeft gewerkt aan het tot stand brengen van een reclasseringsrapportage en eventueel daaruit voortkomende behandeling(en) waarmee recidive voorkomen zou kunnen worden. Uit voorgaande leidt het hof af dat sprake is van een groot risico op herhaling. Het hof acht het daarom noodzakelijk om ook een contact- en locatieverbod op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd dat deze maatregel al van kracht is geweest. Op deze manier kan direct worden ingegrepen als de verdachte contact zou zoeken met het slachtoffer of zich in de buurt van haar woning op zou houden. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte acht het hof oplegging van een dergelijke maatregel voor de bepaalde duur noodzakelijk en proportioneel en kan niet met een kortere duur worden volstaan.
Het hof zal deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren nu er, gelet op de reeds benoemde aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster. Dat de reclassering het risico op herhaling niet in kan schatten maakt dit niet anders, nu dit het gevolg is van de omstandigheid dat verdachte niet met de reclassering in gesprek is gegaan over het hem verwetene.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd.
Uit het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Naast dat de benadeelde partij met een brief van een psycholoog heeft onderbouwd geestelijk letsel te hebben opgelopen in de vorm van PTSS, brengen ook de aard en de ernst van de normschending mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat verdachte nog altijd psychische klachten ervaart ten gevolge van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Zij is in behandeling bij een psycholoog, heeft schematherapie en is aangemeld voor EMDR.
De hoogte van de gevorderde schade is niet betwist en komt het hof niet onaannemelijk voor. Het hof zal de vordering daarom geheel toewijzen tot het gevorderde bedrag van
€ 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Wetsartikelen
De straffen en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Heft op de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel van 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contact- en gebiedsverbod.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde
-
voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in een straal van 500 meter van de woning, gelegen aan de [adres 2] te [plaats] ;
-
voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] , met uitzondering van het contact via/met advocaten en/of hulpverleningsinstanties betreffende hun gezamenlijke kind.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 september 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. T.H. Bosma en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 oktober 2026.