Strafrecht overig
Tussenarrest. Beslissing op verzoek contra-expertise.
ECLI:NL:GHARL:2016:8716 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 oktober 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2016-8716
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2016
- Datum publicatie
- 31 oktober 2016
- Zaaknummer
- 21-001980-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2016:8716
Samenvatting
Tussenarrest. Beslissing op verzoek contra-expertise.
Procesgang
Rechtbank Gelderland · 24 maart 2016
ECLI:NL:RBGEL:2016:1715Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 oktober 2016deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2016:8716
Overig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 19 juli 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:6616Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 13 maart 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:2271(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001980-16
Uitspraak d.d.: 27 oktober 2016
TEGENSPRAAK
Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 24 maart 2016 met parketnummer 05-780070-13 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in [PPC] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr. A.H.T. de Haas, naar voren is gebracht.
Het hof heeft tevens kennis genomen van het standpunt van de advocaat-generaal.
Onderzoekswensen
Op 24 maart 2016 heeft de rechtbank Gelderland vonnis gewezen. Van dit vonnis is verdachte op 6 april 2016 in hoger beroep gekomen. Bij brieven van 19 april 2016 en 11 mei 2016 heeft de raadsman de redenen opgegeven van het hoger beroep en voorts zijn onderzoekswensen kenbaar gemaakt.
Ter terechtzitting heeft de raadsman de onderzoekswensen toegelicht.
De verdediging heeft verzocht om:
-
een contra-expertise te laten verrichten door prof. Gøtzsche over de mogelijke relatie tussen de door verdachte gebruikte medicatie en de door verdachte gepleegde geweldshandelingen op 2 oktober 2013;
-
een nieuw multidisciplinair gedragskundig onderzoek te laten verrichten door twee andere gedragsdeskundigen dan de gedragsdeskundigen drs. H.T.J. Boerboom (psychiater) en drs. B. Koudstaal (psycholoog) die reeds over verdachte hebben gerapporteerd.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen de benoeming van prof. Gøtzsche voor het verrichten van een contra-expertise. Voor zover het hof het noodzakelijk acht een deskundige te benoemen kan de advocaat-generaal zich vinden in benoeming van een Nederlandse deskundige.
De advocaat-generaal heeft zich tevens verzet tegen een nieuw multidisciplinair gedragskundig onderzoek door gedragsdeskundigen die niet eerder over verdachte hebben gerapporteerd. Naar het oordeel van de advocaat-generaal kan worden volstaan met het laten verrichten van een aanvullend onderzoek door de gedragsdeskundigen Boerboom en Koudstaal.
Oordeel van het hof
De raadsman heeft expliciet verzocht om het instellen van de contra-expertise door prof. Gøtzsche.
Het hof ziet de noodzaak tot het instellen van een contra-expertise en wijst het verzoek op zich toe. Anders dan de raadsman heeft verzocht, is het hof van oordeel dat dit onderzoek niet dient te geschieden door prof. Gøtzsche maar door een andere deskundige.
Prof. Gøtzsche heeft in zijn rapport van 2 februari 2016 onder meer als volgt geconcludeerd:
‘Ik vind het zeer aannemelijk dat de moorden zich niet zouden hebben voorgedaan als [verdachte] geen paroxetine had gebruikt en ik heb een aantal voorbeelden van ernstige medische fouten van de zijde van haar behandelende artsen gevonden. Dat betekent dat zij gedeeltelijk verantwoordelijk moeten gehouden worden voor de misdaden die [verdachte] gepleegd heeft onder invloed van een geneesmiddel waarvan bekend is dat het gevaarlijk is.
Ik denk dat met het oog op een eerlijke rechtsgang voor [verdachte] , specifiek nader onderzoek in de vorm van een contra-expertise nodig zal zijn ter overtuigende en definitieve weerlegging van het centrale bewijsmateriaal en de advies van Professor Loonen, met name met betrekking tot het punt van de acathisie (mijn punt 8) en zijn gebruik van de schaal van Naranjo (mijn punten 20 en 43).’
Gelet op het rapport van prof. Gøtzsche en met name zijn hiervoor aangehaalde conclusies heeft hij al een bepaalde visie op de zaak geponeerd zodat niet zonder meer gesteld kan worden dat hij thans nog onbevangen en onbevooroordeeld aan een onderzoek in deze zaak kan beginnen. Het hof is van oordeel dat een contra-expertise moet worden verricht door een deskundige die nog niet eerder bij deze zaak betrokken is geweest.
Het hof zal de stukken in handen van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris stellen teneinde een deskundige te benoemen voor het opstellen van een contra-expertise over de mogelijke relatie tussen de door verdachte gebruikte medicatie en de door verdachte gepleegde geweldshandelingen op 2 oktober 2013.
Het hof geeft de raadsheer-commissaris in overweging om te benoemen:
- prof. dr. R.-J. Verkes, forensisch psychiater en klinisch farmacoloog, verbonden aan de Radboud Universiteit;
of
- prof. dr. H.-J. Guchelaar, apotheker-klinisch farmacoloog, verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum.
Het hof wijst het verzoek tot het opmaken van een nieuw multidisciplinaire rapportage toe door twee andere gedragsdeskundigen dan drs. H.T.J. Boerboom (psychiater) en drs. B. Koudstaal (psycholoog).
BESLISSING
Het hof:
Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof voor:
- het laten opstellen van een contra-expertise over de mogelijke relatie tussen de door verdachte gebruikte medicatie en de door verdachte gepleegde geweldshandelingen op 2 oktober 2013, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
- het laten opstellen van een multidisciplinaire rapportage over verdachte met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. H.H.M. van Dijk en mr. Z.J. Oosting, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,
en op 27 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 27 oktober 2016.
Tegenwoordig:
mr. H.H.M. van Dijk, voorzitter,
mr. M.J.M van der Mark, advocaat-generaal,
mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte
[verdachte] ,
geboren te Apeldoorn op [1979] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in [PPC] ,
is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het tussenarrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.