Strafrecht overig
In de ontnemingszaak heeft de rechtbank Noord-Nederland het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:3664 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-3664
Zaakgegevens
Op 26 april 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 26 april 2019
- Datum publicatie
- 26 april 2019
- Zaaknummer
- 21-001702-15
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:3664
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In de ontnemingszaak heeft de rechtbank Noord-Nederland het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 82.291,- en heeft veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dit geldbedrag aan de staat ter ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt de beslissing.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001702-15
Uitspraak d.d.: 26 april 2019
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 12 maart 2015 met parketnummer 18-850381-13 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 82.291,- en oplegging van de verplichting tot betaling aan veroordeelde van datzelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. M.J. van Essen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 12 maart 2015, waartegen het hoger beroep is gericht, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op
€ 82.291,- en heeft veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van een geldbedrag van € 82.291,- aan de staat ter ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof zal de beslissing dan ook met overneming van die gronden bevestigen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. A. van Holten, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. J. Dolfing, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K. van der Meulen, griffier,
en op 26 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. van Holten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen