Strafrecht overig
Verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dat de raadsvrouw overeenkomstig art. 48 Sv geen afschrift…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 oktober 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:9191 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 oktober 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-9191
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2022
- Datum publicatie
- 27 oktober 2022
- Zaaknummer
- 21-004523-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:9191
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dat de raadsvrouw overeenkomstig art. 48 Sv geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen maakt dat niet anders nu de dagvaarding aan verdachte ip was betekend.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004523-21
Uitspraak d.d.: 12 oktober 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 30 april 2021 met parketnummer
05-030370-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [woonplaats]
thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Achterhoek te Zutphen.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 oktober 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn waarnemend raadsman,
mr. L.R. Waaijer, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep en/of terugwijzing naar de rechtbank
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte, mr. D. Schaddelee, heeft bij appelschriftuur verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling toe had mogen komen, aangezien de raadsvrouw, nadat zij zich bij de rechtbank had gesteld, geen stukken van de zaak heeft ontvangen en dus niet op de hoogte was van de zittingsdatum in eerste aanleg. Hierdoor is de procedure in eerste aanleg volgens de verdediging nietig.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het hoger beroep en dat derhalve niet wordt toegekomen aan de vraag of de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat op 2 februari 2021 de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 30 april 2021 aan verdachte in persoon is uitgereikt. Zijn raadsvrouw heeft vervolgens op 8 februari 2021 een stelmail aan de strafgriffie van de rechtbank gestuurd, waarna er geen stukken van de zaak aan haar zijn verstrekt. Zowel verdachte als zijn raadsvrouw zijn op 30 april 2021 niet ter terechtzitting verschenen. Die dag is een verstekvonnis gewezen. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na die uitspraak van het vonnis hoger beroep instellen en had daarvoor dus uiterlijk tot 15 mei 2021 de tijd. Het hoger beroep werd echter (ruim) na het verstrijken van die termijn ingesteld, te weten op 15 oktober 2021.
Hoewel de raadsvrouw ingevolge artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg na 6 februari 2021 afschrift had moeten krijgen van alle stukken die ter kennis van verdachte waren gebracht, waaronder de dagvaarding voor de zitting van 30 april 2021, is dit niet gebeurd. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar is overschreden nu de dagvaarding aan de verdachte in persoon was betekend.
Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. R.M. Maanicus, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,
en op 12 oktober 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.