Strafrecht overig

Veroordeling voor meerdere diefstallen in vereniging (met braak). Oplegging van een voorwaardelijke…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
21-003961-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:7008
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor meerdere diefstallen in vereniging (met braak).

Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

Hoofdelijke toewijzing vordering benadeelde partij tot een bedrag van 368,93, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Veroordeling verdachte in de proceskosten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003961-25

Uitspraakdatum: 30 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 12 september 2025 met parketnummer 18-150916-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.670,78, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat verdachte kan worden veroordeeld in de helft van de proceskosten ten bedrage van

€ 121,30. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman,

mr. S.C. van Klaveren, is aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. De vordering van de benadeelde partij is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.670,80, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder is verdachte veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 121,30.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te [plaats 1] (ter hoogte van [straat 1] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gereedschap (te weten: een cirkelzaag en/of doppenset), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.
hij in de nacht van 3 op 4 februari 2025 te [plaats 1] (ter hoogte van de [straat 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gereedschap (te weten: een föhn/verhitter, stofzuiger, schuurmachine, multitool Makita, multitool Festool, slijptol, accuboormachihne, decoupeerzaag, schaaf in kist, kitspuithouder, accuboormachine zonder accu), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te [plaats 1] (ter hoogte van de [straat 3] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, paarden drinkbakken en/of een halster, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt onder feiten 1, 2 en 3 kortgezegd verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een drietal diefstallen in vereniging

Ten aanzien van feit 1

Het dossier bevat drie aangiften waaruit blijkt dat in de nacht van 3 op 4 februari 2025 in [plaats 1] goederen van de aangevers zijn weggenomen. Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij één van deze diefstallen samen met een ander heeft gepleegd. Hij heeft daarover verklaard dat de jongen met wie hij was het raam heeft ingeslagen en dat hij de bus is ingegaan en het gereedschap aan die jongen heeft aangegeven, waarna er werd geroepen door een man. Uit de inhoud van zijn verklaring en de aangifte van [benadeelde] volgt dat deze bekentenis de onder 1 tenlastegelegde diefstal betreft. Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feiten 2 en 3

Verdachte heeft ontkend dat hij bij de onder 2 en 3 tenlastegelegde diefstallen betrokken is geweest. Het hof overweegt hierover als volgt.

Blijkens de inhoud van het dossier zijn drie diefstallen gepleegd in de nacht van 3 op 4 februari 2025 in [plaats 1] . Goederen die daarbij zijn buitgemaakt, zijn kort daarna, op 4 februari om 11.00 uur aangetroffen in een Opel Combo bestelauto. Het hof ziet daarin een sterke aanwijzing dat de diefstallen door dezelfde dader of daders zijn gepleegd.

Voornoemd voertuig is door de politie gevolgd, tot het zich klemreed in [plaats 2] en twee inzittende mannen te voet vluchtten. Verdachte is vervolgens aangehouden en heeft erkend dat hij als bijrijder in dit voertuig had gezeten en, zoals hiervoor is overwogen, dat hij bij één van de diefstallen betrokken is geweest. Nadat verdachte was aangehouden, is hij op het politiebureau in [plaats 3] met [verbalisant] langs de in het voertuig aangetroffen goederen gelopen. Verdachte heeft toen bij meerdere goederen aangegeven dat hij deze in zijn handen heeft gehad en/of heeft overgegeven. De door hem aangewezen goederen betroffen goederen die van alle drie de diefstallen afkomstig waren.

Verdachte heeft bij de politie, bij de politierechter en ter zitting bij het hof verklaringen afgelegd, die inhouden dat hij op 3 februari 2025 door een jongen was gevraagd om geld te verdienen, dat zij gezamenlijk naar Friesland zijn gegaan en dat hij ervan op de hoogte was dat ze daar gereedschap gingen stelen. Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte verklaard over het gezamenlijke optreden; de andere jongen sloeg het raam van een bus in en verdachte heeft daaruit de goederen weggenomen. Bij de onder 2 en 3 tenlastegelegde diefstallen was verdachte naar eigen zeggen wel in de buurt en hij heeft de jongen met wie hij was ook met gereedschap terug zien komen bij de auto. Verdachte heeft in zijn politieverhoor op meerdere vragen in de wij-vorm geantwoord. Zo heeft hij verklaard dat “we gereedschap gingen stelen”, dat “wij samen waren” en “Dat is wat wij uit de bus in [plaats 1] hebben gestolen.” Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verder verklaard dat de opbrengst uit (de verkoop van) de totale buit van de diefstallen onder hen door de helft zou worden gedeeld.

Het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte bij alle drie de diefstallen in bewuste en nauwe samenwerking met een ander heeft gehandeld en dat zij deze feiten in vereniging hebben gepleegd. Zij zijn gezamenlijk naar Friesland gereden met het gedeelde oogmerk om goederen te stelen, zijn gezamenlijk ook weer teruggereden en hadden afspraken gemaakt over de gelijkelijke verdeling van de opbrengst. Bij ten minste één van die diefstallen heeft verdachte bovendien ook zelf uitvoeringshandelingen verricht.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, ook de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.
hij op 4 februari 2025 te [plaats 1] , ter hoogte van [straat 1] , tezamen en in vereniging met een ander gereedschap, te weten: een cirkelzaag en doppenset, die geheel of ten dele aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

2.
hij in de nacht van 3 op 4 februari 2025 te [plaats 1] , ter hoogte van de [straat 2] , tezamen en in vereniging met een ander gereedschap, te weten: een föhn/verhitter, stofzuiger, schuurmachine, multitool Makita, multitool Festool, slijptol, accuboormachine, decoupeerzaag, schaaf in kist, kitspuithouder, accuboormachine zonder accu, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.
hij op 4 februari 2025 te [plaats 1] , ter hoogte van de [straat 3] , tezamen en in vereniging met een ander paardendrinkbakken en een halster, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert (telkens) op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straffen

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een mededader binnen één nacht schuldig gemaakt aan drie diefstallen van verschillende gereedschappen, paardendrinkbakken en een halster. De weggenomen gereedschappen gebruikten de benadeelden bij de uitoefening van hun beroep. Dergelijke strooptochten veroorzaken niet alleen schade, maar zijn bovendien voor de eigenaren, die hun gereedschappen hard nodig hebben om hun werk te kunnen doen, zeer overlastgevend en vervelend. Verdachte heeft 2 van de 3 diefstallen ontkend en heeft niet willen verklaren met wie hij deze feiten heeft gepleegd. Zodoende heeft hij maar zeer gedeeltelijk de verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.

Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 11 september 2026, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld in verband met vermogensdelicten, meest recentelijk op 22 januari 2026 voor oplichting van een groot aantal slachtoffers in 2024. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.

Verder heeft het hof gelet op een advies van Reclassering Nederland van 24 december 2025, dat is opgemaakt ten behoeve van een andere strafzaak. Daarin is opgetekend dat verdachte onder invloed van schuldenproblematiek, overmatig alcoholgebruik en regelmatig cocaïnegebruik, zijn psychosociale functioneren en het ontbreken van stabiele dagbesteding tot het plegen van strafbare feiten is gekomen, maar dat het inmiddels beter met hem gaat. Verdachte kampt nog steeds met schulden, maar op de andere leefgebieden is er meer stabiliteit. Verdachte werkt fulltime, is gemotiveerd zich in zijn werk verder te ontwikkelen, heeft het sociale netwerk waarmee hij delicten pleegde achter zich gelaten en is intrinsiek gemotiveerd om de ingezette lijn vast te houden. Verdachte erkent dat hij in het verleden impulsief gedrag heeft vertoond, gebruikt geen cocaïne meer en drinkt af en toe in het weekend nog alcohol, aldus het reclasseringsrapport.

Driekwart jaar na de oplevering van voornoemd reclasseringsrapport heeft verdachte ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de ingezette positieve lijn nog steeds doorzet. Verdachte werkt zes dagen in de week als ZZP’er voor een groot bedrijf als verkoper en heeft een stabiel inkomen. Hij heeft zijn oude omgeving achter zich gelaten en ervaart naar eigen zeggen steun aan zijn nieuwe sociale netwerk. Het reclasseringstoezicht dat bij zijn vorige veroordeling is opgelegd, gaat binnenkort van start en verdachte heeft uit eerdere veroordelingen nog een hoeveelheid taakstraf te verrichten.

Het hof overweegt dat voor de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur in beeld komt als passende straf. Gelet op de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht het hof oplegging van een vrijheidsbenemende straf echter niet in het belang van de samenleving, noch in het belang van verdachte, nu dit de constructieve verandering die verdachte aan de inrichting van zijn leven heeft gegeven, zou doorkruisen. Het hof zal daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. Om voldoende recht te doen aan de aard en de ernst van de feiten, zal het hof een taakstraf van de maximale duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis opleggen. Om verdachte ervan te weerhouden dat hij opnieuw strafbare feiten pleegt, zal het hof daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 1 maand met een proeftijd van drie jaren. Het hof acht oplegging van deze straffen passend en noodzakelijk.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.670,78 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag geheel (hoofdelijk) toegewezen. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht verdachte te veroordelen in proceskosten à

€ 242,60. De politierechter heeft verdachte veroordeeld in de helft van deze kosten. Deze vordering is in hoger beroep gehandhaafd en dus opnieuw aan de orde.

De vordering betreft materiële schade en is opgebouwd uit de volgende schadeposten.

  • Eigen risico verzekering van glasschade € 75,--

  • Schade aan de deur van de bus € 63, 90

  • Makita schroefmaat + toebehoren € 208, 22

  • Niet werkbare uren + reiskosten € 1.323,66

Totaal materiële schade € 1.670,78

Aan proceskosten is een bedrag van € 242,60 opgevoerd, eveneens voor niet werkbare uren en reiskosten.

Verschillende van voornoemde schadeposten zijn door de verdediging betwist. Het hof zal hieronder op deze posten en verweren afzonderlijk ingaan.

De kosten voor het eigen risico zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Het hof zal deze dan ook toewijzen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de schade aan de bus niet is onderbouwd en dat het enkele stellen van schade onvoldoende is. Het hof overweegt dat uit de bewijsvoering volgt dat verdachte en zijn medeverdachte een ruit van de bus is ingeslagen om zich toegang te verschaffen tot gereedschappen in die bus. Het hof acht daarmee het ontstaan van de schade aan de deur en de hoogte van deze schade voldoende onderbouwd middels een factuur met nummer 2520949. Het gevorderde betreft het te betalen bedrag exclusief btw. Ook deze schadepost komt daarom voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de Makita schroefmaat en toebehoren heeft de benadeelde partij een afschrijving van drie jaren maal 14 procent toegepast. De verdediging heeft aangevoerd dat die afschrijving hoger zou moeten zijn, nu dit gereedschap blijkens de factuur niet drie, maar vier jaar oud was.

Het hof constateert dat de factuur die ter onderbouwing is overgelegd is gedateerd 27 februari 2021, terwijl de schade in 2025 is veroorzaakt. Het hof zal daarom een afschrijving op de nieuwprijs van € 359,-- toepassen van 4 jaren maal 14 procent. Het hof wijst deze post toe tot een bedrag van € 196,37.

De niet werkbare uren en reiskosten zijn eveneens betwist. De verdediging heeft aangevoerd dat niet is onderbouwd dat er op 4, 5, 6 en 7 februari daadwerkelijk werkzaamheden en dus gemiste inkomsten waren. Verder heeft de verdediging gesteld dat een uurtarief voor onder andere het wachten op de recherche op 4 februari niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ook wordt de tijdsduur voor het brengen van de bus naar het glasbedrijf op 5 februari betwist. Ten aanzien van het sluitend maken van de deur wordt de tijdsduur betwist, alsook dat verdachte deze schade heeft veroorzaakt. Verder is gesteld dat deze schade niet is onderbouwd en dat er een factuur is overgelegd over de reparatie van de deur, waarmee deze schade dubbel lijkt te worden gevorderd.

Ten slotte wordt de gevorderde reistijd voor het ophalen van gereedschap betwist, nu de reistijd minder lang zou zijn dan wordt gesteld.

De reiskosten naar [plaats 3] zijn niet betwist.

Het hof overweegt over deze posten als volgt. De reiskosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt voor het reizen naar [plaats 3] van € 33,66 zijn niet betwist, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het overige zijn de gemiste uren onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het hof overweegt daarbij dat het in dit stadium een onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren om dat benadeelde partij nogmaals in de gelegenheid te stellen deze posten nader te onderbouwen.

Met betrekking tot de proceskosten heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de hier opgevoerde niet werkbare uren en reiskosten naar de zitting niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook de tijdsduur van de zitting bij de politierechter is betwist.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, en artikel 239 Rv, in onderlinge samenhang bezien, komen alleen voor vergoeding in aanmerking reis-, verlet- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verlet- en verblijfskosten - zoals voor een bezoek aan de politie, aan leden van het openbaar ministerie en een advocaat - kent de proceskostenregeling geen vergoeding.

De benadeelde partij heeft in persoon geprocedeerd en heeft proceskosten opgevoerd die vallen onder reis- en verletkosten voor het bijwonen van de zitting. Deze komen dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de opgevoerde proceskosten acht het hof aannemelijk. Het hof verdachte dan ook (hoofdelijk) veroordelen in deze kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 368,93 (driehonderdachtenzestig euro en drieënnegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 242,60 (tweehonderdtweeënveertig euro en zestig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 368,93 (driehonderdachtenzestig euro en drieënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 februari 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. M.C. van Linde en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 oktober 2026.