Strafrecht overig
Veroordeling mishandeling en bedreiging van de stiefzoon van verdachte. Noodweerverweer. Voorwaardelijk…
Gerechtshof Den Haag, 30 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3159 · Gerechtshof Den Haag · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3159
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- 22-000221-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3159
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling mishandeling en bedreiging van de stiefzoon van verdachte. Noodweerverweer. Voorwaardelijk verzoek afgewezen.
Uitspraak
Rolnummer: 22-000221-25
Parketnummers: 09-318752-24 en 09-041739-23 (TUL)
Datum uitspraak: 30 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 13 januari 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 1 week voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ook is een beslissing genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Leiden [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer]
- in zijn arm, althans het lichaam, te bijten en/of
- tegen zijn lichaam te duwen en/of
- op/tegen zijn kaak, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen;
2.
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Leiden [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [het slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak jullie af en het is nu klaar" en/of "ik ga jullie allebei dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverwegingen
De mishandeling
Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde mishandeling. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – primair aangevoerd dat er sprake is van een gebrek aan bewijs. Subsidiair is door de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De aangever heeft de verdachte naar de grond gewerkt en lag bovenop de verdachte. Vervolgens heeft de aangever enkele keren met zijn vuisten op het hoofd van de verdachte geslagen. In deze situatie voldeed het bijten aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit: er was immers geen andere uitweg en de verdachte kon zich niet onttrekken aan de situatie, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
De ten laste gelegde geweldshandelingen zien – kort gezegd – op bijten, duwen en slaan door de verdachte. Het hof acht het duwen en slaan niet bewezen. Het bijten ziet op een incident in de woning van de verdachte. Hierbij waren op dat moment drie personen aanwezig: de aangever, zijn moeder en de verdachte. Aangever heeft verklaard dat hij bovenop de verdachte lag, dat de verdachte hem vasthield en dat hij door de verdachte werd gebeten. Ook de moeder van de aangever heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte en haar zoon op de grond met elkaar in worsteling waren en dat de verdachte haar zoon probeerde te bijten. In het dossier bevindt zich een foto waarop op de arm van aangever bijtafdrukken te zien zijn.
Het beroep op noodweer
Naar het oordeel van het hof kan uit de verklaringen van de verdachte, de aangever en de moeder van de aangever niet méér worden afgeleid dan dat de aangever en de verdachte samen – in een worsteling – op de grond zijn terechtgekomen, waarbij de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht. De verdachte heeft niet duidelijk gemaakt tegen welke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangever hij zich moest verdedigen. Ook heeft hij niet duidelijk gemaakt dat dit noodzakelijk was. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van enige gewelddadige of dreigende gedraging van de zijde van de aangever jegens de verdachte waartegen verdediging geboden was.
Nu het hof van oordeel is dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, verwerpt het hof het beroep op noodweer.
Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om verbalisant [naam verbalisant] als getuige te horen, mocht het hof tot een bewezenverklaring van feit 1.
Aan de voorwaarde is voldaan, nu het hof komt tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 1. Het hof zal echter het verzoek tot het horen van [naam verbalisant] afwijzen, nu onvoldoende is toegelicht en niet valt in te zien waarom het recht op een eerlijk proces zou zijn geschaad, wanneer deze getuige niet zou worden gehoord. Het proces-verbaal van bevindingen van [naam verbalisant] wordt door het hof niet gebezigd voor het bewijs. Wel gebruikt het hof de door [naam verbalisant] gemaakte foto’s alsmede de eigen waarneming van het hof dat op die foto’s een bijtafdruk te zien is. In hoger beroep is een aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd, waaruit blijkt dat de foto’s achter het verhoor van de verdachte niet van de verdachte zijn, maar van de aangever, hetgeen de raadsvrouw ook van meet af aan heeft betoogd. Kortom, foto’s van de arm op grond waarvan de waarneming door het hof wordt gedaan, maakten van meet af aan deel uit van het dossier. De verdediging heeft volledig de gelegenheid gehad om zich uit te laten over hetgeen op die foto’s te zien is.
Gelet daarop wordt het verdedigingsbelang niet geschaad bij het niet horen van de getuige [naam verbalisant] . Het hof wijst het verzoek dan ook af.
De bedreiging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en de getuige [naam getuige 1] op enkele onderdelen inconsistent en tegenstrijdig zijn, hetgeen de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen aantast.
Anders dan de verdediging ziet het hof geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [naam getuige 1] . Zij heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris in hoofdlijnen consistent verklaard over het incident. De verklaringen van de getuige [naam getuige 1] vinden voorts in voldoende mate steun in de verklaring van de aangever en de getuige [naam getuige 2] . Dat de aangever en getuige [naam getuige 1] op ondergeschikte onderdelen wisselend hebben verklaard, maakt niet dat er aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en zal de getuigenverklaringen bezigen voor het bewijs.
Het hof is derhalve van oordeel dat de tenlastegelegde bedreiging wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Leiden [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer]
- in zijn arm, althans het lichaam, te bijten en/of
- tegen zijn lichaam te duwen en/of
- op/tegen zijn kaak, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen;
2.
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Leiden [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [het slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak jullie af en het is nu klaar" en/of "ik ga jullie allebei dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn stiefzoon. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel bezorgd, maar ook angst en schrik aangejaagd. Het hof rekent de verdachte bovendien aan dat de mishandeling en bedreiging in de gezamenlijke woning van de verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. In de eigen woning moet iedereen zich veilig en vertrouwd kunnen voelen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 oktober 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsfeiten.
Het hof heeft bij de straftoemeting tevens acht geslagen op een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 10 januari 2025. Daaruit volgt dat de reclassering mogelijkheden ziet om middels een verplicht reclasseringscontact met bijzondere voorwaarden te kunnen komen tot een gedragsverandering en verkleining van de recidivekans. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven positief te staan tegenover de voorgestelde bijzondere voorwaarden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur (waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest) een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 juni 2023 onder parketnummer 09-041739-23 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 13 (dertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1) de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering GGZ Fivoor, aan de Perzikweg 1-7, 2321 DG Leiden, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
2) de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Diagnostisch onderzoek kan, indien gewenst, onderdeel uitmaken van de behandeling.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 juni 2023, parketnummer 09-041739-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door, mr. S.M. Krans, als voorzitter, en mr. G. Knobbout en
mr. M.A.C.L.M. Bonn, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 oktober 2026.
Mr. M.A.C.L.M. Bonn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.