Socialezekerheidsrecht

Uit hetgeen de getuige-deskundige heeft verklaard, volgt dat er wel degelijk sprake is van behandeling van…

Gerechtshof Arnhem, 13 juni 2006

Zaakgegevens

Op 13 juni 2006 heeft het Gerechtshof Arnhem in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13 juni 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
PIJ 2006\085
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARN:2006:AX8921
E-mail

Samenvatting

Uit hetgeen de getuige-deskundige heeft verklaard, volgt dat er wel degelijk sprake is van behandeling van betrokkene, zij het dat deze, gezien de hechtingsproblematiek van betrokkene, minder was dan wenselijk en nodig werd geacht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat gebreken die in het algemeen zouden kleven aan behandelingen in een bepaalde kliniek, niet rechtstreeks kunnen worden gerelateerd aan een concreet geval. Het hof acht het openbaar ministerie dientengevolge ontvankelijk in zijn vordering. Betrokkene zal met proefverlof gaan. Op deze manier kan betrokkene gefaseerd en goed begeleid en voorbereid terugkeren in de maatschappij. Het hof is van oordeel dat met name voor het realiseren en het afronden van het resocialisatieprogramma nog enige tijd nodig is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

PIJ 2006\085

Beslissing d.d. 13 juni 2006

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[pijgestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 14 maart 2006, houdende verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het hof recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken en mede op grond van hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard.

De raadsman van betrokkene heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege het te kort schieten in de tenuitvoerlegging van de maatregel. Naar de mening van de raadsman heeft het openbaar ministerie het recht tot het indienen van een verlengingsvordering verspeeld door betrokkene te plaatsen in Harreveld, alwaar vervolgens geen behandeling zou hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit hetgeen de getuige-deskundige ter zitting heeft verklaard, volgt dat er wel degelijk sprake is van behandeling van betrokkene, zij het dat deze, gezien de hechtingsproblematiek van betrokkene, minder was dan wenselijk en nodig werd geacht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat gebreken die in het algemeen zouden kleven aan behandelingen in een bepaalde kliniek, niet rechtstreeks kunnen worden gerelateerd aan een concreet geval. Betrokkene heeft onder meer creatieve therapie, groepstherapie, delictanalyse en individuele gesprekken. Ook het verblijf op de groep is therapie. Het hof acht het openbaar ministerie dientengevolge ontvankelijk in zijn vordering.

In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist. Uit het verlengingsadvies volgt dat betrokkene niet goed in staat is om met gevoelens van angst, vrees en onzekerheid om te gaan. Deze gevoelens en onmacht hebben vanaf de puberteit geleid tot grensoverschrijdend gedrag. Het versterken van de identiteit van betrokkene zal de kans op recidive verminderen. De getuige-deskundige heeft ter zitting verklaard dat de kans op recidivegevaar hoger wordt bij onverwachte situaties in de maatschappij. Betrokkene krijgt dan problemen met zijn gevoelens en met autoriteit. Het hof is derhalve, anders dan de raadsman, van oordeel dat er voor de verlenging van de maatregel wel degelijk gronden bestaan. Vanaf augustus 2006 zal betrokkene met proefverlof gaan. Op deze manier kan betrokkene gefaseerd en goed begeleid en voorbereid terugkeren in de maatschappij. Het hof is van oordeel dat met name voor het realiseren en het afronden van het resocialisatieprogramma nog enige tijd nodig is.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat een verlenging van de plaatsing in

een inrichting voor jeugdigen voor de duur van vijftien maanden is geïndiceerd en dat

een dergelijke verlenging in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van

de jeugdige.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 14 maart 2006 met betrekking tot de betrokkene.

Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van vijftien maanden.

Aldus gedaan door

mr Lensing als voorzitter,

mrs Stikkelbroeck en Lauwaars als raadsheren,

en drs Poll en drs Boon als raden,

in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2006.

Mr Lauwaars en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.