Strafrecht overig

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep o.g.v. art. 416 lid 2 Sv. Aandacht voor verschil tussen…

Zaakgegevens

Op 19 juni 2025 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 juni 2025
Datum publicatie
15 juli 2025
Zaaknummer
22-003008-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:1334
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep o.g.v. art. 416 lid 2 Sv. Aandacht voor verschil tussen aantekening mondeling vonnis en uitgewerkt vonnis politierechter. Hof gaat uit van in uitgewerkt vonnis genoemde straf. Aanbeveling aan eerste rechter om in dergelijke gevallen zelf duidelijkheid te scheppen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-003008-24

Parketnummer: 09-259294-24

Datum uitspraak: 19 juni 2025

VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1996,

adres: [woonadres], [woonplaats] ([land]).

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2025 gevorderd dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

Procesgang

In eerste aanleg – zo blijkt uit de aantekening van het mondeling vonnis die is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting – is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Voorts is hij niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen, zodat evenmin mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. Zijn in hoger beroep – niet verschenen – raadsman J.M. van der Linden heeft per e-mail van 18 juni 2025 verklaard niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn om namens hem de verdediging op te voeren, zodat evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven.

Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarbij merkt het hof op dat het hof er oog voor heeft gehad dat er voor wat betreft de straf die aan de verdachte zou zijn opgelegd een verschil zit tussen de in deze zaak in de op grond van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) opgemaakte aantekening van het mondeling vonnis en de – na het instellen van hoger beroep - aantekening daarvan in het proces-verbaal van de terechtzitting (vier weken dan wel vier maanden).

Het hof gaat uit van de juistheid van de aantekening van het mondeling vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting. Het hof gaat er dus vanuit dat de politierechter een gevangenisstraf van 4 maanden heeft opgelegd. Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat als de politierechter alsnog een schriftelijk vonnis als bedoeld in artikel 379 lid 1 Sv wijst, moet worden aangenomen dat het stempelvonnis gelet op artikel 378a lid 5 in samenhang met artikel 378a lid 1 Sv komt te vervallen. Daar komt nog bij dat de straf van vier maanden ook (meer) in overeenstemming is met het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg, de inhoud van het apart geminuteerde bevel gevangenhouding (waarin geen opheffing van dat bevel wordt gelast ex artikel 72 lid 4 Sv) en de door de advocaat-generaal ter terechtzitting overlegde e-mail van de griffier J. R. Kist van 28 augustus 2024 te 16.43 uur, die aanwezig was bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg, die luidt:

“”Bijgaand het bevel gevangenhouding inzake [verdachte]. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest, plus vier keer schadevergoeding.””

Gelet op het voorgaande zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

Opmerking verdient dat, indien de eerste rechter bij het uitwerken van het vonnis bemerkt dat sprake is van een onjuistheid in de strafoplegging zoals die in de eerder opgemaakte aantekening van het mondeling vonnis is weergegeven, het ten behoeve van het voorkomen van onduidelijkheid op dit punt aanbeveling verdient om de eerdere misslag te benoemen in het uitgewerkte vonnis.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, voorzitter, en mr. O.E.M. Leinarts en mr. A. Postma, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juni 2025.

mr. A. Postma is buiten staat dit arrest te ondertekenen.