Strafrecht overig

Verdachte is veroordeeld wegens het verwaarlozen van haar kat. Er was sprake van ondervoeding en het…

Gerechtshof Den Haag, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
22-002120-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2638
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte is veroordeeld wegens het verwaarlozen van haar kat. Er was sprake van ondervoeding en het onthouden van de nodige medische zorg. Dit is strafbaar gesteld bij de Wet dieren. De kat is kort na de inbeslagname overleden. Opgelegd is een taakstraf van 40 uur. Daarnaast is ook bij maatregel bevolen dat de verdachte gedurende een periode van 2 jaar geen dieren mag houden (artikel 8.11a Wet dieren). Die maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Partiele vrijspraak daar waar het ging om een tweede kat.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002120-25

Parketnummer: 09-010684-25

Datum uitspraak: 21 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan haar tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is aan de verdachte een houdverbod dieren opgelegd voor de duur van 2 jaren, dat dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarnaast is er beslist omtrent het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 21 september 2024 tot en met 26 september 2024, te [plaats] , gemeente Kaag en Braassem als houder van een of meer dieren, te weten twee katten (genaamd [naam kat 1] en [naam kat 2] ) de nodige verzorging aan dat/deze dier(en) heeft onthouden, door

- die katten onvoldoende te voorzien van een hygiënische en/of gezonde leefruimte en/of

- die katten onvoldoende te voorzien van kattenvoer en/of

- die katten geen en/of onvoldoende middel(en) tegen vlooien te geven en/of

- [naam kat 1] de nodige medische zorg te onthouden;

zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het aan haar tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat er aan de verdachte een houdverbod dieren voor de duur van twee jaren wordt opgelegd en dat de twee inbeslaggenomen katten verbeurd worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het vonnis moet worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in of omstreeks de periode van 21 september 2024 tot en met 226 september 2024, te [plaats] , gemeente Kaag en Braassem als houder van een of meer dieren, te weten een katten (genaamd [naam kat 1] en [naam kat 2]) de nodige verzorging aan dat/deze dier(en) heeft onthouden, door

- die katten onvoldoende te voorzien van een hygiënische en/of gezonde leefruimte en/of

- die katten onvoldoende te voorzien van kattenvoer en

- die katten geen en/of onvoldoende middel(en) tegen vlooien te geven en/of

- [naam kat 1] de nodige medische zorg te onthouden;

zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld krachtens artikel 2.2, achtste lid, van de Wet Dieren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verwaarlozing van haar kat [naam kat 1] . Zij heeft [naam kat 1] onvoldoende kattenvoer gegeven. Zij was als eigenaar van de kat ook verantwoordelijk voor de noodzakelijke medische zorg van [naam kat 1] en is daarin duidelijk tekort geschoten. Deze kater was zeer ernstig (en ook zichtbaar) ziek, en wel zodanig dat hij kort na de inbeslagneming is overleden. Het enkele feit dat [naam kat 1] meermalen bij een buurtgenoot verbleef en maar weinig bij de verdachte in huis verbleef, doet aan die verantwoordelijkheid niet af. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een e-mail van de Reclassering d.d. 7 juni 2025, inhoudende een aanvullend rapport waaruit onder meer blijkt dat er sprake is van persoonlijkheidsproblematiek en ADHD. In het verleden heeft de verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden een behandeling gevolgd bij Palier en onder reclasseringstoezicht gestaan. De meldplicht bij Fivoor heeft de verdachte in vrijwillig kader voortgezet.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij in een vrijwillig kader bij GGZ Fivoor loopt en dat dit goed verloopt, en dat zij werkt als bezorger.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof acht een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden niet geboden, nu de verdachte reeds in een vrijwillig kader bij GGZ Fivoor loopt. Om het recidiverisico te beperken legt het hof op een maatregel als bedoeld in artikel 8.11a, tweede lid, Wet Dieren en beveelt dat de veroordeelde geen dieren zal houden, voor de duur van 2 jaren.

Het hof zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadeelt. Uit het dossier blijkt dat de leefomgeving thuis van de verdachte niet geschikt is voor de welzijn van katten. Dat was ten tijde van het begaan van het feit het geval, en het hof is er niet van overtuigd dat die situatie inmiddels goed genoeg is verbeterd. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting niet heeft kunnen of willen inzien dat zij ten aanzien van haar kat [naam kat 1] ook maar iets verkeerds zou hebben gedaan. Een dergelijke grondhouding verhoogt de kans op recidive.

Beslag

Het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten een zwarte kat met wit befje en witte voorpootjes genaamd [naam kat 1] ( [nummer 1] ) op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welk het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren en is zich ervan bewust dat de kat inmiddels is overleden.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een witte kat met grijs/bruine rug genaamd [naam kat 2] ( [nummer 2] ) op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten. Het hof stelt vast dat het bewezenverklaarde niet is begaan ten opzichte van de kat [naam kat 2] . Deze kat dient derhalve te worden teruggegeven aan de verdachte, waarbij het Hof zich realiseert dat het houdverbod gehandhaafd blijft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 24, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.2 en 8.11a van de Wet dieren, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren geen dieren mag houden.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een witte kat met grijs/bruine rug genaamd [naam kat 2] ( [nummer 2] ).

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten een zwarte kat met wit befje en witte voorpootjes genaamd [naam kat 1] ( [nummer 1] ).

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, mr. A.E. Harteveld en mr. M.A.C.L.M. Bonn, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 juli 2026.

Mr. M.A.C.L.M. Bonn is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.