Strafrecht overig
Art. 48 Sr; art. 3 onder B Ow jo. art. 11 Ow; art. 311 Sr; Vrijspraak voor (medeplichtigheid aan) telen van…
Gerechtshof Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2900 · Gerechtshof Den Haag · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2900
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- 22-001794-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2900
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 48 Sr; art. 3 onder B Ow jo. art. 11 Ow; art. 311 Sr; Vrijspraak voor (medeplichtigheid aan) telen van hennep en voor diefstal door middel van verbreking. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende belastend bewijs is dat de verdachte daadwerkelijke betrokkenheid had bij de hennepkwekerij of daar wetenschap van heeft gehad en dat er evenmin voldoende bewijs is dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van stroom. De enkele omstandigheid dat de verdachte de huurder was van de woning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende.
Uitspraak
Rolnummer: 22-001794-25
Parketnummer: 10-096572-24
Datum uitspraak: 18 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
2 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2023 tot en met 4 februari 2024 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ), een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 299 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 oktober 2023 tot en met 4 februari 2024 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ), een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 299 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 7 oktober 2023 tot en met 4 februari 2024 te Zwijndrecht,
meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2023 tot en met 4 februari 2024 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam netbeheerder] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat er onvoldoende belastend bewijs is dat de verdachte daadwerkelijke betrokkenheid had bij de hennepkwekerij of daar wetenschap van heeft gehad en dat er evenmin voldoende bewijs is dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van stroom. De enkele omstandigheid dat de verdachte de huurder was van de woning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. De verklaring van de verdachte dat hij in de tenlastegelegde periode niet in de woning is geweest en slechts enkele malen post uit de brievenbus heeft gehaald, wordt niet door bewijsmiddelen weerlegd en is niet onaannemelijk, temeer nu een onderbuurvrouw heeft verklaard dat zij hem in het laatste half jaar van 2023 maar driemaal heeft gezien en dat zij hem dan tegenkwam als zij de hond ging uitlaten.
Vordering tot schadevergoeding [naam netbeheerder]
In het onderhavige strafproces heeft [naam netbeheerder] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 20.650,59.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [naam netbeheerder]
Verklaart de benadeelde partij [naam netbeheerder] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, als voorzitter, mr. M.E.L. Hendriks en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.L. Vollering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2026.