Strafrecht overig

Artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het…

Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
22-003741-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3079
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een patroonmagazijn en aan een poging tot het verhandelen van vuurwapens, terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Vrijspraak voor medeplegen, medeplichtigheid aan een poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en van voorbereiding daartoe. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 7 oktober 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:16038
  2. Gerechtshof Den Haag · 15 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3079

Uitspraak

Rolnummer: 22-003741-24

Parketnummers: 09-137570-24 (DV I) en 09-228419-24 (DV II)

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 09-137570-24) onder 1 primair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II (met parketnummer: 09-228419-24) onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid in hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen bij dagvaarding II onder 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:

Dagvaarding I:

1.
primair


hij op of omstreeks 27 februari 2024 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zijn mededader(s), de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was

- zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres] en/of naburige woningen heeft begeven en/of

- en terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voor de deur van die woning gelegen op/aan de [adres] stond(en) telefonisch en/of via videoverbinding bij zijn mededader(s) geverifieerd of zij/hij bij het juiste adres waren/was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere daders op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of hun mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan:

- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten hun mededader(s), de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was,

immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of hun mededader(s)

- zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of

- terwijl die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich voor de deur van die woning gelegen op/aan de [adres] stond(en) telefonisch en/of via videoverbinding bij die [medeverdachte 5] en/of hun mededader(s) geverifieerd of hij/zij bij het juiste adres was/waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij welk misdrijf verdachte toen en daar, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en/of hun mededader(s) naar de (nabije) omgeving van de [adres] te vervoeren en/of de vlucht mogelijk te maken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten

- een aansteker

- een vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk) en/of

- een telefoon(s) (om contact met mededader(s) te onderhouden), in contact stond (en) met zijn mededader(s),

- een voertuig, te weten een Volkswagen Golf ( [kenteken] ), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 30 april 2024 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Sig Sauer, model P320, kaliber 7.65 mm (.32 Auto)zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool

en/of

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 17 stuks pistoolmunitie van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 x 19 mm

en/of

patroonmagazijn van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, van het merk Glock, kaliber 9 x 19 mm

voorhanden heeft gehad.

Dagvaarding II:


1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2024 tot en met 29 april 2024 te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem verdachte voorgenomen misdrijf een of meer wapen(s) van categorie II en III van de Wet wapens en munitie over te dragen en/of zonder erkenining te verhandelen,

aan een of meer perso(o)n(en)

- afbeeldingen en/of filmmateriaal van deze en/of andere vuurwapens en/of onderdelen en/of munitie heeft verzonden en/of

- berichten over de vraagprijs en/of functie en/of beschikbaarheid van bovengenoemde wapens en/of onderdelen van deze wapens en/of munitie verzonden,

zulks terwijl, hij, verdachte van het zonder erkenning verhandelen van wapens een beroep of gewoonte heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde en ter zake het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte, vanwege het vervoeren van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar plaats delict, opzettelijk behulpzaam is geweest bij de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en dat de verdachte derhalve als medeplichtige betrokken is geweest bij het strafbare feit.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier geen concrete gedragingen of verklaringen volgen die de verdachte in verband kunnen brengen met de poging tot het tot stand brengen van een ontploffing aan de [adres] . De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat van medeplegen geen sprake is, wat in de eerste plaats ook besloten ligt in het gebrek aan bewijs van wetenschap dan wel opzet bij de verdachte. In aanvulling daarop geldt ook dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Gelet op het ontbreken van opzet op het teweegbrengen van een ontploffing, is er dan ook geen sprake van medeplegen, medeplichtigheid en van een concrete, wezenlijke en opzettelijke bijdrage in de voorbereiding van het strafbare feit.

Beoordeling

Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 27 februari 2024 geprobeerd hebben om een vuurwerkbom tot ontploffing te brengen in het portiek van de woning gelegen aan de [adres] in Den Haag.

Zij zijn met de vuurwerkbom het portiek binnengegaan en een van hen heeft bij de voordeur van de woning middels een video/telefoongesprek geverifieerd of zij bij het goede adres waren. Voordat zij tot het aansteken van de vuurwerkbom konden overgaan zijn zij betrapt door twee verbalisanten die op dat moment het pand bewaakten.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte als medepleger dan wel als medeplichtige of in de voorbereiding betrokken is geweest bij de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing op voornoemd adres.

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen moet worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is geweest van dubbel opzet. Bewezen moet worden dat hij zowel opzet heeft gehad op de onderlinge samenwerking enerzijds als op de verwezenlijking van het grondfeit, het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, anderzijds.

Op basis van de processtukken kan naar het oordeel van het hof alleen buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een auto heeft gezeten van Schiedam naar Rotterdam. Voor zover op grond het dossier al kan worden vastgesteld dat de verdachte ook samen met [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Den Haag is gereden, kan daaruit niet worden afgeleid dat hij wist van het voorgenomen misdrijf. Evenmin biedt het dossier voldoende steun voor de conclusie dat de verdachte wetenschap had van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dat door de medeverdachten een poging zou worden gedaan een ontploffing teweeg te brengen en dat hij die kans vervolgens bewust heeft aanvaard. Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de verdachte wetenschap had van wat er in Den Haag stond te gebeuren, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict, te weten het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, ook niet in voorwaardelijke zin.

De enkele omstandigheid dat de verdachte met een of meer van de medeverdachten omging en zich op enig moment in hun gezelschap bevond, is daarvoor onvoldoende. Uit die omstandigheden kan zonder nadere, voor het hof ontbrekende, aanwijzingen niet worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen misdrijf, laat staan dat hij dit voornemen heeft gedeeld of de aanmerkelijke kans op de uitvoering daarvan bewust heeft aanvaard.

Daarmee ontbreekt het voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde vereiste opzet. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over het opzet van de verdachte, volgt dat medeplichtigheid aan dit misdrijf evenmin kan worden bewezen. Ook bij medeplichtigheid dient het opzet bij de medeplichtige op het gronddelict immers te kunnen worden vastgesteld.

Ten slotte kan ook het meer subsidiair tenlastegelegde naar het oordeel van het hof niet bewezen worden verklaard. Voor een bewezenverklaring daarvan moet onder meer komen vast te staan dat de verdachte een of meer van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen of het voertuig heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd of voorhanden heeft gehad én dat zijn opzet was gericht op de criminele bestemming daarvan. Nog daargelaten of de verdachte over de voorwerpen en het voertuig kon beschikken, daarover zeggenschap had of überhaupt van het bestaan daarvan op de hoogte was, kan – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over zijn wetenschap van het strafbare feit – niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte het voor een bewezenverklaring vereiste opzet had.

Het hof zal de verdachte dan ook van het meer subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding I onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – zoals bepleit door de verdediging - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-137570-24 onder 2 en in de zaak met parketnummer 09-228419-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Dagvaarding I:

2.
hij op of omstreeks 30 april 2024 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Sig Sauer, model P320, kaliber 7.65 mm (.32 Auto) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 17 stuks pistoolmunitie van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 x 19 mm en/of een patroonmagazijn van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, van het merk Glock, kaliber 9 x 19 mm voorhanden heeft gehad.

Dagvaarding II:


1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2024 tot en met 29 april 2024 te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem verdachte voorgenomen misdrijf een of meer wapen(s) van categorie II en III van de Wet wapens en munitie over te dragen en/of zonder erkenning te verhandelen, aan een of meer perso(o)n(en)

- afbeeldingen en/of filmmateriaal van deze en/of andere vuurwapens en/of onderdelen en/of munitie heeft verzonden en/of

- berichten over de vraagprijs en/of functie en/of beschikbaarheid van bovengenoemde wapens en/of onderdelen van deze wapens en/of munitie heeft verzonden,

zulks terwijl, hij, verdachte van het zonder erkenning verhandelen van wapens een beroep of gewoonte heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging van het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte degene is geweest die de in het dossier genoemde berichten heeft verstuurd. Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat de pleegplaats op basis van het dossier onvoldoende kan worden bepaald en dat er geen bewijs is dat de verdachte de (aangeboden) wapens daadwerkelijk voorhanden heeft gehad, daarover kon beschikken of deze daadwerkelijk kon leveren. Nu niet is vast te stellen dat het tenlastegelegde overdragen c.q. verhandelen ook tot stand kon komen of dat daartoe feitelijk een poging is gedaan, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat het de verdachte is geweest die wapens te koop heeft aangeboden in de periode van 8 februari 2024 tot en met 29 april 2024. In de telefoon van de verdachte zijn immers de foto’s en video’s aangetroffen van vuurwapens. Ook zijn er op de telefoon van de verdachte diverse chatgesprekken aangetroffen, waarbij de gebruiker van het account ‘ [gebruikersnaam] ’ vuurwapens te koop aanbiedt. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte de gebruiker van dit account is geweest en degene die deze vuurwapens te koop aanbiedt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het dossier niet blijkt van enige concrete aanwijzing dat een ander dan de verdachte toegang had tot het betreffende account of de betreffende telefoon en daarvan gebruik heeft gemaakt. Evenmin bevat het dossier anderszins aanwijzingen voor de gedachte dat een ander als afzender van deze berichten kan worden aangemerkt. De verdachte heeft ook op geen enkel moment een verklaring afgelegd over deze verdenking en het belastende materiaal dat daaraan ten grondslag ligt, laat staan dat hij daarvoor een aannemelijke en hem ontlastende verklaring heeft gegeven.

Daarnaast kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte zich voornamelijk in Nederland heeft bevonden in de periode waarin hij de gesprekken over wapens voerde. De verdachte volgde in Nederland een opleiding, liep in Nederland stage en had in Capelle aan den IJssel zijn woonadres. De verdachte heeft in die periode dit adres ook zelf als zijn adres opgegeven en hij stond daar destijds ook ingeschreven. Overigens heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, desgevraagd, (in ieder geval impliciet) bevestigd dat hij in Nederland woonde door te verklaren: “u weet waar ik woon en heb daar mijn hele leven gewoond”. Voor een (langer) verblijf in het buitenland biedt het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzingen. Voorts kan op grond van het dossier, door onderzoek naar de verkeersgegevens, worden vastgesteld dat de verdachte op 27 februari 2024 in Nederland was.

Deze omstandigheden bieden, in onderlinge samenhang bezien, zonder meer voldoende grond voor de vaststelling dat de verdachte gedurende de in de tenlastelegging genoemde periode in Nederland verbleef en de berichten heeft verstuurd terwijl hij zich in Nederland bevond. Het hof betrekt daarbij tevens dat zich in het dossier geen enkele aanwijzing bevindt dat de berichten waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze door de verdachte zijn verzonden, vanuit een ander land zijn verzonden. Door of namens de verdachte is ook niet gesteld dat hij zich ten tijde van het verzenden van de berichten buiten Nederland bevond of dat de berichten vanuit het buitenland zijn verzonden.

Wet en jurisprudentie bieden geen steun voor de stelling van de verdediging dat voor een bewezenverklaring vereist is dat ook bewezen moet worden dat de verdachte de door hem aangeboden wapens daadwerkelijk voorhanden heeft gehad, daarover kon beschikken of deze daadwerkelijk kon leveren. Daarbij wijst het hof op de tweede volzin van artikel 9 lid 1 WWM: “Dit verbod is ook van toepassing op het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie (…)”. Gelet op de aard en inhoud van de chatberichten over de beschikbaarheid en prijzen van wapens, is het hof van oordeel dat de verdachte, minst genomen als een tussenpersoon, heeft onderhandeld over transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie. Daarmee heeft hij - gelet op de hiervoor genoemde uitbreiding van het toepassingsbereik - wapens verhandeld in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM.

Gezien de bewezenverklaring van het op dagvaarding I, feit 2 tenlastegelegde staat overigens vast dat de verdachte wel degelijk een vuurwapen voorhanden heeft gehad en uit onderzoek van de politie blijkt dat de verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode geprobeerd heeft zo’n zelfde vuurwapen te verhandelen (zie daarvoor onderzoek Tamarin p. 808-809).

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-137570-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

(pistool Sig Sauer)

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

(patroonmagazijn)

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III;

en

(munitie)

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van Wet wapens en munitie;

Het in de zaak met parketnummer 09-228419-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

poging tot handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III, terwijl hij daarvan een gewoonte maakt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een patroonmagazijn en aan een poging tot het verhandelen van vuurwapens, terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt. De verdachte heeft in een groot aantal chatgesprekken meerdere malen vuurwapens aangeboden. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat wapens een gevaar voor de samenleving vormen blijkt wel uit het feit dat regelmatig vuurwapenincidenten plaatsvinden, in sommige gevallen met dodelijke afloop of met zwaar letsel tot gevolg. Ter voorkoming daarvan wordt tegen ongecontroleerd wapenbezit streng opgetreden.

Het hof kent aan de ernst van de genoemde feiten zwaarwegende betekenis toe bij de bepaling van de straf die zij aan de verdachte oplegt. Daar komt nog bij dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 september 2025. Hieruit volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat het sociaal netwerk, de houding van de verdachte en zijn psychosociaal functioneren risicoverhogende factoren zijn. De verdachte beschikt niet over stabiliteit op het gebied van huisvesting, inkomen en dagbesteding en omringt zich met personen met een pro crimineel gedachtegoed. Daarbij is mogelijk sprake van een cognitieve beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte momenteel gedetineerd zit vanwege eerder aan hem opgelegde straffen en dat hij nog een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren open heeft staan in België.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en geboden. Deze gevangenisstraf komt overeen met de duur van de door de verdachte in deze zaak ondergane voorlopige hechtenis.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind, door hen vertegenwoordigd, zich als benadeelde partijen gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 106.701,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering gematigd tot een bedrag van € 105.521,29. Dit bedrag bestaat uit € 9.456,79 aan materiële schade en € 96.064,50 aan immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partijen tot een bedrag van € 15.456,79, bestaande uit

€ 9.456,79 aan materiële schade en € 6.000,- (driemaal € 2.000,-) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-228419-24 onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-137570-24 onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-137570-24 onder 2 en in de zaak met parketnummer 09-228419-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-137570-24 onder 2 en in de zaak met parketnummer 09-228419-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partijen in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. B.P. de Boer en mr. G.J.K. Elsen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2026.

mr. B.P. de Boer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.