Strafrecht overig
Artikel 157 Sr. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee pogingen tot het…
Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3080 · Gerechtshof Den Haag · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3080
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-002440-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3080
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 157 Sr. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee pogingen tot het teweegbrengen van ontploffingen bij een woning en het beschadigen van een andere woning. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.
Gedeeltelijke toewijzing vordering tot schadevergoeding van een van de benadeelde partijen, niet ontvankelijk verklaring van de overige benadeelde partijen.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 25 juli 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:13570Gerechtshof Den Haag · 15 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:3080
Uitspraak
Rolnummer: 22-002440-25
Parketnummers: 09-125692-24 (DV I),
09-209111-24 (DV II),
09-282391-24 (DV III),
09-224743-24 (DV IV),
10-200818-24 (DV V)
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 09-125692-24) onder 2 primair tenlastegelegde, het bij dagvaarding IV (met parketnummer: 09-224743-24) primair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding V (met parketnummer: 10-200818-24) primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde, het bij dagvaarding II (met parketnummer: 09-209111-24) onder 1 en 2 tenlastegelegde, het bij dagvaarding III (met parketnummer: 09-282391-24) primair tenlastegelegde, het bij dagvaarding IV (met parketnummer: 09-224743-24) subsidiair tenlastegelegde en het bij dagvaarding V (met parketnummer 10-200818-24) subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en over de in beslag genomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Dagvaarding I:
(Onderzoek Tamarin)
1.
primair:
hij op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zijn mededader(s), de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was - zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of
- en terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader in dat portiek en/of voor de deur van die woning gelegen op/aan de [adres 1] stond(en) telefonisch en/of via videoverbinding bij zijn mededader(s) geverifieerd of zij/hij bij het juiste adres waren/was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- een aansteker
- een vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk) en/of
- een telefoon,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad:
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of een of meer andere daders op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage. tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] en/of hun mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten hun mededader(s), de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was,
- zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van die woning op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of
- terwijl die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich voor de deur van die woning gelegen op/aan de [adres 1] stond(en) telefonisch en/of via videoverbinding hebben/heeft geverifieerd of hij/zij bij het juiste adres was/waren,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
bij welk misdrijf verdachte toen en daar en/of Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of hun mededader(s) naar de (nabije) omgeving van de [adres 1] te vervoeren en/of de vlucht mogelijk te maken.
2.
(Onderzoek Triolet)
primair:
hij op of omstreeks 22 februari 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was- zich (al filmend) met een aansteker, een fles brandstof en/of vuurwerkbom (3 stuks Cobra 6 en een fles brandstof met tape aan elkaar vastgemaakt) naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of
- brandstof in de richting van de de voordeur van die woning op/aan de [adres 1] en/of vloer van dat portiek hebben/heeft gesprenkeld,
- open vuur in aanraking hebben/heeft getracht te brengen met de lont van die vuurwerkbom,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 februari 2024 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de w ettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- een aansteker,
- een fles brandstof en/of
- een vuurwerkbom (3 stuks Cobra 6 en een fles brandstof met tape aan elkaar vastgemaakt), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
3.
(Onderzoek Port Louis)
primair:
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was
- zich met een aansteker, een fles met brandstof en/of een vuurwerkbom (6 stuks Cobra 6 en een fles brandstof met tape aan elkaar vastgemaakt), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of
- die fles met brandstof hebben/heeft geopend,
- de voordeur van die woning op/aan de [adres 1] en/of vloer van dat portiek met die brandstof hebben/heeft besprenkeld,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te w eten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- een aansteker,
- een fles brandstof en/of
- een vuurwerkbom (6 stuks Cobra 6 en een fles brandstof met tape aan elkaar vastgemaakt), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
Dagvaarding II:
(Onderzoek Zuster I)
1.
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de vv ettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- een vuurwerkbom (een fles ontbrandbare vloeistof en 6 cobra's 6 aan elkaar getaped),
- een fles ontbrandbare vloeistof,
- een aansteker en/of
- een steen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 23 maart 2024. althans in de periode van 21 februari tot en met 23 maart 2024, te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- een vuurwerkbom (shell/mortierbom ontwikkeld met tape) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.
Dagvaarding III
(Onderzoek Zuster II)
primair:
hij op of omstreeks de periode van 23 maart 2024 tot en met 10 april 2024 te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk al dan niet bij/in danwel in de nabijheid van (een) woning(en) brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- een Super Cobra 6. althans zwaar vuurwerk, en/of
- een tas met daarin een jerrycan met brandbare vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6. althans zwaar vuurwerk, waren/was bevestigd, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2024 tot en met 10 april 2024 te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans in Nederland, een wapen van categorie II. onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een jerrycan met brandbare vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6, althans zwaar vuurwerk, waren/was bevestigd, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
Dagvaarding IV
(Onderzoek Albion)
primair:
hij in/op of omstreeks de periode van 1 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te `s- Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor belendende percelen en/of goederen die zich in de winkel [bedrijfsnaam] , gelegen [adres 2] en/of die belendende percelen bevonden te duchten was
- zich met een vuurwerkbom (drie met tie-wraps aan elkaar vastgemaakte, met tape omwikkelde Cobra's 6. waarvan de aansteeklonten met elkaar verbonden waren), naar die winkel heeft begeven en/of
- ( met een steen) een ruit van die winkel heeft stuk gemaakt, althans een opening in die ruit heeft gemaakt en/op
- open vuur in aanraking heeft gebracht met de/een lont van die vuurwerkbom en/of
- die vuurwerkbom door die stuk gemaakte ruit, althans die opening, in die winkel heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in/op of omstreeks de periode van 1 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te 's- Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (art. 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- een vuurwerkbom (drie met tie-wraps aan elkaar vastgemaakte, met tape omwikkelde Cobra's 6, waarvan de aansteeklonten met elkaar verbonden waren) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in/op of omstreeks de periode van 1 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te 's- Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten
-drie met tie-wraps aan elkaar vastgemaakte, met tape omwikkelde Cobra's 6. waarvan de aansteeklonten met elkaar verbonden waren, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
Dagvaarding V
(Onderzoek Graffiti)
primair:
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te Rotterdam openlijk, te weten op/aan de [adres 3] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten (de gevel van) een woning aan het adres [adres 3] , door
- op voornoemde woning met behulp van een verfspuitbus een tekst aan te brengen, terwijl verdachte en/of zijn mededader deze goederen opzettelijk heeft/hebben vernield;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een woning aan de [adres 3] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] . althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, door
- op voornoemde woning met behulp van een verfspuitbus een tekst aan te brengen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 4] op of omstreeks 25 februari 2024 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een woning aan de [adres 3] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, door
- op voornoemde woning met behulp van een graffitispuitbus een tekst aan te brengen, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door die [medeverdachte 4]
- naar de nabijheid van die woning te brengen en/of
- een verfspuitbus verf ter beschikking te stellen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak dagvaarding I, feit 2 primair, dagvaarding IV primair en dagvaarding V primair
Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het bij dagvaarding I, onder 2 primair tenlastegelegde, het bij dagvaarding IV primair tenlastegelegde en het bij dagvaarding V primair tenlastegelegde heeft begaan. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachte bij deze pogingen tot het teweegbrengen van een ontploffing in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen heeft gehandeld.
De verdachte zal derhalve van deze feiten worden vrijgesproken.
Vrijspraak dagvaarding I, feit 2 subsidiair, dagvaarding II feiten 1 en 2, dagvaarding III primair en subsidiair, dagvaarding IV subsidiair en meer subsidiair
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de hierboven genoemde feiten, met dien verstande dat van dagvaarding III het primair tenlastegelegde en ten aanzien van dagvaarding IV het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in opdracht van een ander vuurwerkbommen heeft vervaardigd, voorhanden heeft gehad en heeft verkocht en dat die vuurwerkbommen elk, afzonderlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn bestemd tot het teweegbrengen van een ontploffing. Deze bommen konden namelijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig zijn voor dit misdadige doel. Volgens de advocaat-generaal kan het niet anders zijn dat de verdachte dit misdadige doel ook voor ogen heeft gehad. Daarnaast acht de advocaat-generaal het medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich – overeenkomstig de overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de bovengenoemde feiten. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de op de vuurwerkbommen aangetroffen biologische (DNA-)sporen of dactyloscopische sporen van de verdachte onvoldoende zijn om zijn om de vereiste wetenschap en beschikkingsmacht op de ten laste gelegde tijdstippen aan te nemen. Het aantreffen van sporen en het produceren en verkopen van vuurwerkbommen kan niet zonder meer tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten leiden, aldus de raadsman. Daarvoor zijn concrete feitelijke vaststellingen in tijd en plaats nodig en het dossier biedt daarvoor geen steun. Het op enig moment voorhanden hebben van een vuurwerkbom betekent nog niet dat de verdachte die vuurwerkbom in de ten laste gelegde periode nog steeds voorhanden heeft en het produceren en verkopen van vuurwerkbommen kan niet gelijk gesteld worden aan het medeplegen van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen.
Juridisch kader artikel 46 Sr
Op grond van artikel 46, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake
van een strafbare voorbereiding wanneer de verdachte opzettelijk middelen verwerft,
vervaardigt, invoert, doorvoert of voorhanden heeft die bestemd zijn tot het begaan van
een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer
is gesteld. De vraag moet worden beantwoord of de in het eerste lid vermelde middelen,
afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn bestemd tot het
begaan van het misdrijf in de zin van deze bepaling. Hierbij moet worden beoordeeld of de
middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde
van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het
gebruik daarvan voor ogen had.
Als, zoals in onderhavige zaken, het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 Sr ten laste is gelegd, dan moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Oordeel hof
Mede op grond van de eigen verklaringen van de verdachte staat vast dat de verdachte vuurwerkbommen heeft gemaakt en deze op verschillende momenten heeft verkocht en geleverd aan één en dezelfde persoon. Bij de onderzoeken naar de onderhavige feiten zijn vuurwerkbommen aangetroffen die door de verdachte zijn gemaakt. Uit het dossier volgt dat op onderdelen van de vuurwerkbommen biologische (DNA-)sporen of dactyloscopische sporen van de verdachte zijn aangetroffen en de verdachte heeft ook erkend dat hij die vuurwerkbommen heeft gemaakt.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. Daarbij gaat het, voor zover hier van belang, in het bijzonder om de vraag of de verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen op de daarin omschreven momenten of gedurende de daarin omschreven periodes opzettelijk voorhanden heeft gehad en of deze voorwerpen bestemd waren tot het begaan van een misdrijf als bedoeld in artikel 46 Sr.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Het hof stelt voorop dat de aangetroffen vuurwerkbommen, gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, ieder afzonderlijk kunnen worden aangemerkt als middelen die dienstig kunnen zijn voor het teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ervan bewust was dat met die vuurwerkbommen geen goede bedoelingen waren en er ‘geen goede dingen’ konden gebeuren. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de criminele bestemming van de door hem gemaakte vuurwerkbommen heeft gehad.
Dat oordeel brengt evenwel niet zonder meer mee dat ook kan worden bewezen dat de verdachte deze voorwerpen op de ten laste gelegde momenten of gedurende de ten laste gelegde periodes opzettelijk voorhanden heeft gehad. Voor een bewezenverklaring is immers vereist dat de verdachte zich op de in de tenlastelegging genoemde momenten bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het betreffende voorwerp en daarover feitelijke macht kon uitoefenen, in die zin dat hij daarover kon beschikken (zie recent Hoge Raad 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1529).
Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging van de hier aan de orde zijnde feiten genoemde voorwerpen, in het bijzonder ook de vuurwerkbommen, op de daarin genoemde momenten dan wel gedurende de daarin genoemde periodes – al dan niet als medepleger – opzettelijk voorhanden heeft gehad.
Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wanneer de verdachte de betreffende vuurwerkbommen heeft vervaardigd. Evenmin kan op basis daarvan worden vastgesteld wanneer hij de afzonderlijke vuurwerkbommen heeft verkocht en geleverd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover evenmin helderheid kunnen verschaffen. Weliswaar staat vast dat de verdachte vuurwerkbommen heeft vervaardigd en aan één en dezelfde persoon heeft verkocht en geleverd, maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om het moment waarop de verdachte de vuurwerkbommen voorhanden heeft gehad in de tijd te plaatsen (ten opzichte van de) in de tenlastelegging genoemde momenten en periodes.
Voorts is niet gebleken van omstandigheden waaruit volgt dat de verdachte op het moment van dan wel na de verkoop en levering van de betreffende vuurwerkbommen enige betrokkenheid bij of wetenschap had van wat er vervolgens met deze vuurwerkbommen is gebeurd. Evenmin is gebleken dat de verdachte na de levering nog kon bepalen wat met de betreffende vuurwerkbommen gebeurde of dat de verdachte daarover anderszins nog feitelijke macht kon uitoefenen.
Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte op of omstreeks de in de tenlastelegging genoemde momenten of gedurende de daarin genoemde periodes nog over de betreffende vuurwerkbommen kon beschikken. De voor het voorhanden hebben vereiste feitelijke macht kan derhalve niet worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de vereiste bewustheid. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zich op of omstreeks de tenlastegelegde momenten of periodes bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de betreffende vuurwerkbom of vuurwerkbommen. De omstandigheid dat de verdachte deze bommen op enig moment heeft vervaardigd, is daarvoor niet voldoende. Daaruit volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op een later moment wist dat de betreffende bom nog aanwezig was, laat staan dat hij daarover toen nog kon beschikken.
Daarmee ontbreekt het aan voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de betreffende voorwerpen, in het bijzonder de vuurwerkbommen, op de ten laste gelegde momenten of gedurende de ten laste gelegde periodes opzettelijk voorhanden heeft gehad.
Het hof zal de verdachte daarom van de betreffende feiten vrijspreken.
Vrijspraak - dagvaarding III subsidiair en dagvaarding IV meer subsidiair
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich – overeenkomstig de overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de bovengenoemde feiten. Daartoe is aangevoerd dat het enkele feit dat de verdachte de vuurwerkbommen op enig moment voorhanden heeft gehad nog niet maakt dat de verdachte de vuurwerkbommen in de ten laste gelegde periode – hetzij als pleger, hetzij als medepleger, voorhanden heeft gehad.
Oordeel hof
Hiervoor is overwogen dat het hof van oordeel is dat op basis van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld wanneer de verdachte de vuurwerkbommen voorhanden heeft gehad. Dat maakt dat ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachte deze op de in de tenlastelegging genoemde momenten voorhanden had. Het hof zal de verdachte daarom ook van de (meer) subsidiaire varianten vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in dagvaarding I (parketnummer 09-125692-24) onder 1 primair en 3 primair en het in dagvaarding V (parketnummer 10-200818-24) subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Dagvaarding I:
1. primair
hij op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zijn mededaders, de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was - zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of
- en terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaderin dat portiek en/of voor de deur van die woning gelegen op/aan de [adres 1] stond(en), telefonisch en/of via videoverbinding bij zijn mededader(s) verifieerden of zij/hij bij het juiste adres waren/was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
primair
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was
- zich met een aansteker, een fles met brandstof en/of een vuurwerkbom (6 stuks Cobra 6 en een fles brandstof met tape aan elkaar vastgemaakt), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres 1] en/of naburige woningen hebben/heeft begeven en/of
- die fles met brandstof hebben/heeft geopend,
- de voordeur van die woning op/aan de [adres 1] en/of vloer van dat portiek met die brandstof hebben/heeft besprenkeld,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Dagvaarding V:
subsidiair
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een woning aan de [adres 3] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] . althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, door
- op voornoemde woning met behulp van een verfspuitbus een tekst aan te brengen, terwijl verdachte en/of zijn mededader deze goederen opzettelijk heeft/hebben vernield.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 09-125692-24 (dagvaarding I) onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 10-200818-24 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van pogingen tot het teweegbrengen van ontploffingen bij een woning. Mede door het handelen van de politie zijn de vuurwerkbommen niet tot ontploffing gekomen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het beschadigen van een woning. Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en grote onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder voor de bewoners van de woning waarvoor een explosief wordt neergelegd. In de onderhavige zaak was tot tweemaal toe de woning van hetzelfde slachtoffer het doelwit; een woning in een drukke woonwijk waar het explosief had kunnen afgaan. De verdachte heeft met zijn handelen aan deze gevoelens van onveiligheid een bijdrage geleverd. Daarbij heeft hij zich kennelijk laten leiden door geldelijk gewin, met veronachtzaming van de voor de hand liggende belangen en gevoelens van de bewoners van de betreffende woning en omwonenden. Dit alles rekent het hof de verdachte ernstig aan, te meer omdat hij degene was die de vuurwerkbommen had gefabriceerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte zijn spijt betuigd en aangegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.
Het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
Voorts heeft het hof acht geslagen op het ten behoeve van de verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van 24 maart 2025. Hieruit volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte na een lange periode van instabiliteit op verschillende leefgebieden zijn leven de afgelopen jaren op eigen initiatief aan het verbeteren is. Uit het reclasseringsadvies, alsook ter terechtzitting in hoger beroep, volgt dat de verdachte oprecht gemotiveerd is om te werken aan zijn problemen en zijn positieve toekomstdoelen te bewerkstelligen. De verdachte probeert tijdens zijn detentieperiode diverse certificaten te behalen. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, waarbij het zwaartepunt ligt bij de onder 1 en 3 van dagvaarding I bewezen verklaarde feiten, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat zowel aan de maatschappij als aan verdachte een signaal moet worden gegeven dat dergelijke ernstige delicten zeer serieuze strafrechtelijke consequenties hebben. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor een plofkraak en rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind
In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind, door hen vertegenwoordigd, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding I tenlastegelegde, tot een bedrag van € 107.073,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering gematigd tot een bedrag van € 105.892,68. Dit bedrag bestaat uit € 9.828,18 aan materiële schade en € 96.064,50 aan immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partijen tot een bedrag van € 27.828,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich evenals de advocaat-generaal het standpunt gesteld dat op gelijke wijze kan worden beslist als de rechtbank heeft gedaan in het vonnis waarvan beroep.
Immateriële schade
In artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat
immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt in de limitatief in de wet
opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW worden de gevallen genoemd waarin vergoeding
van immateriële schade kan worden toegekend. Op grond van artikel 6:106 sub a BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding indien de verdachte het oogmerk had schade toe te brengen. Voor zover hier van belang, kan vergoeding eveneens op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien de benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien de
aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen
zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan immateriële schade op deze grond voor
toewijzing in aanmerking komen in gevallen van een ernstige aantasting van de persoonlijke
levenssfeer of de persoonlijke vrijheid.
Het hof stelt voorop dat het intimiderende karakter van de bewezen verklaarde feiten en de mogelijke impact daarvan op de bewoners niet ter discussie staan. Bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade heeft het hof evenwel rekening gehouden met het volgende. De twee bewezen verklaarde pogingen tot aanslagen op de woning van de benadeelden vonden plaats in een reeks van pogingen tot woningaanslagen en dreiging daartoe. Om voor vergoeding van de geleden immateriële schade in aanmerking te komen moet zijn voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten en moet voldoende kunnen worden vastgesteld dat de gestelde schade in causaal verband staat met de bewezen verklaarde feiten. Voor de beoordeling van de vordering is dus van belang of en in hoeverre de gestelde immateriële schade kan worden toegerekend aan de twee door het hof bewezen verklaarde feiten.
Het hof ziet allereerst geen grond voor vergoeding op de voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Voor toepassing van deze bepaling is vereist dat de aansprakelijke persoon het oogmerk had immateriële schade toe te brengen. Dat de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd met het oogmerk de bewoners te intimideren of jegens hen een dreiging tot uitdrukking te brengen, brengt niet zonder meer mee dat de verdachte tevens het oogmerk had aan hen immateriële schade toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Het hof heeft in de bewezen verklaarde feiten en de overige omstandigheden van het geval geen aanknopingspunten gevonden voor de vaststelling dat de verdachte dat oogmerk had (vgl. HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:836).
Het hof is voorts van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van de bij dagvaarding I onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten op andere wijze in hun persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Het hof onderkent dat de bewezen verklaarde feiten, gelet op hun aard en het intimiderende karakter daarvan, voor de bewoners ingrijpend kunnen zijn geweest. De enkele omstandigheid dat sprake is geweest van dergelijke feiten is evenwel onvoldoende om een aantasting in de persoon als bedoeld in deze bepaling aan te nemen.
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de bewezen verklaarde feiten onderdeel uitmaken van een langere reeks van aanslagen en dreigingen. Tegen die achtergrond kan het hof, mede gelet op hetgeen omtrent de gestelde immateriële schade naar voren is gebracht, niet vaststellen in hoeverre de gestelde schade (ook) het gevolg is van juist de twee bewezen verklaarde pogingen. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de bewoners niet steeds ten tijde van de bewezen verklaarde pogingen in hun woning aanwezig waren en uit het dossier niet blijkt dat zij op dat moment rechtstreeks met deze pogingen zijn geconfronteerd, behalve voor wat betreft de heer Paalvast op 20 februari 2024. Dit betekent niet dat het enkele feit dat de bewoners niet thuis waren aan het aannemen van een aantasting in de persoon in de weg staat, maar in de omstandigheden van dit geval biedt hetgeen is aangevoerd onvoldoende grond om een dergelijke aantasting als gevolg van de bewezen verklaarde feiten vast te kunnen stellen, ook omdat niet (steeds) voldoende duidelijk is op welke wijze de benadeelde partijen - al dan niet direct - zijn geconfronteerd met de in deze zaak bewezen verklaarde feiten. In de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook niet als het gaat om de heer Paalvast en de gebeurtenissen op 20 februari 2024.
Gelet op het voorgaande is niet voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van de bewezen verklaarde feiten aanspraak hebben op vergoeding van immateriële schade op een van de in artikel 6:106 BW genoemde gronden.
Het in de gelegenheid stellen van de benadeelden om hun vordering op dit punt alsnog nader te onderbouwen levert eveneens een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten die zien op de aanschaf en
installatie van de portiekdeur (inclusief leges in verband met de vergunning) en rolluiken, is
naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Dit zijn redelijke kosten die de
benadeelde partijen hebben gemaakt ter voorkoming of beperking van verdere schade. Deze
kosten staan naar het oordeel van het hof in rechtstreeks verband met de incidenten die op 20 en 27 februari 2024 hebben plaatsgevonden.
Verder acht het hof ook voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] kosten heeft gemaakt voor het krijgen van psychische behandeling door de gevolgen van de pogingen tot het teweegbrengen van explosies.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door de bij dagvaarding I onder 1 primair en onder 3 primair bewezen verklaarde feiten, ter grootte van € 9.828,18 (€ 1.520,00 + € 4.256,78 + € 130,00 + € 3.550,01 + € 371,39).
Wettelijke rente
Het hof acht de wettelijke rente eveneens toewijsbaar. Het hof stelt de
ingangsdatum van de wettelijke rente als volgt vast:
- het bedrag van € 1.520,00 vanaf 28 februari 2024, omdat de kosten op die datum
zijn gemaakt;
- het bedrag van € 4.256,78 vanaf 29 februari 2024, omdat de kosten op die datum
zijn gemaakt;
- het bedrag van € 130,00 vanaf 3 april 2024, omdat de kosten op die datum zijn
gemaakt;
- het bedrag van € 3.550,01 vanaf 3 april 2024, omdat de kosten op die datum zijn
gemaakt;
- het bedrag van € 371,39 vanaf 8 oktober 2024, omdat de behandeling op die datum
is gestart.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de
kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben
gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de
verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk
aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 9.828,18 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind, eveneens op voormelde wijze te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II en III tenlastegelegde, tot een bedrag van € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.000,-.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het bij dagvaarding II en III tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II en III tenlastegelegde, tot een bedrag van € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.000,-.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het bij dagvaarding II en III tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II en III tenlastegelegde, tot een bedrag van € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.000,-.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het bij dagvaarding II en III tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Beslag
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen overweegt het hof als volgt.
Omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal het hof de
teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen geldbedragen van € 100,00 en € 4.920,00
Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard geen teruggave van het valse geld te verlangen, zal het hof ten aanzien van dit in beslag genomen geldbedrag geen beslissing nemen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 157 en 352 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-125692-24 onder 2 primair en 2 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 09-209111-24 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 09-282391-24 primair en subsidiair en het in de zaak met parketnummer 09-224743-24 primair en subsidiair en meer subsidiair en het in de zaak met parketnummer 10-200818-24 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-125692-24 onder 1 primair en onder 3 primair en het in de zaak met parketnummer 10-200818-24 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-125692-24 onder 1 primair en 3 primair en in de zaak met parketnummer 10-200818-24 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- € 100,00 ( omschrijving: [nummer 1] )
- € 4.920,00 ( omschrijving: [nummer 2] ).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-125692-24 onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.828,18 (negenduizend achthonderdachtentwintig euro en achttien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partijen in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers, genaamd [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-125692-24 onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.828,18 (negenduizend achthonderdachtentwintig euro en achttien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 74 (vierenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
bepaalt dat de ingangsdata van de wettelijke rente is als volgt:
-
het bedrag van € 1.520,00 vanaf 28 februari 2024, tot de dag van algehele voldoening;
-
het bedrag van € 4.256,78 vanaf 29 februari 2024, tot de dag van algehele voldoening;
-
het bedrag van € 130,00 vanaf 3 april 2024, omdat de kosten op die datum zijn gemaakt;
-
het bedrag van € 3.550,01 vanaf 3 april 2024. omdat de kosten op die datum zijn gemaakt;
-
het bedrag van € 371,39 vanaf 8 oktober 2024. tot de dag van algehele voldoening.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. B.P. de Boer en mr. G.J.K. Elsen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2026.
mr. B. de Boer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.