Strafrecht overig

Artikel 157 Sr, jeugdstrafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitlokking van medeplegen van…

Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
22-003511-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3082
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 157 Sr, jeugdstrafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitlokking van medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. Veroordeling tot 120 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, proeftijd 1 jaar. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003511-25

Parketnummer: 09-097462-24

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedatum] 2006,

adres: [woonadres] [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie ontvankelijk verklaard in de vervolging. De verdachte is van het primair en het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. De rechtbank heeft het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 27 februari 2024 te `s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in en/of de in de nabijheid van die woning aanwezige personen en/of voorbijgangers te duchten was

- zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres] en/of naburige woningen heeft begeven en/of

- telefonisch en/of via videoverbinding heeft geverifieerd of hij/zij bij het juiste adres was/waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning aanwezige personen en/of voorbijgangers te duchten was

- zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres] en/of naburige woningen heeft begeven en/of

- telefonisch en/of via videoverbinding heeft geverifieerd of hij/zij bij het juiste adres was/waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit verdachte op of omstreeks 27 februari 2024 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen door een of meer giften en/of beloften, door misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

opzettelijk heeft uitgelokt, door

- op snapchat in een groeps-chat de vraag te stellen: 'Wie wilt c6 in agga doen je wordt opgehaald en thuis gebracht' en/of

- een beloning van `500’ in het vooruitzicht te stellen en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] instructies te geven (waar zij zouden worden opgehaald, dat zij contact moesten houden en/of dat zij moesten luisteren);

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 27 februari 2024 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke

brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen (als bedoeld in art. 157 Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk een of meer voorwerpen, stoffen. informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, te weten

- een auto en/of

- een aansteker en/of

- een vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige

projectielen Shellvuurwerk) en/of

- een of meer telefoons (om contact met mededader(s) te onderhouden),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd.

Vrijspraak

Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 27 februari 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten (het portiek van) de woning gelegen op/aan de [adres] en/of naburige woningen en/of goederen die zich in dat portiek en/of die woningen bevonden en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning aanwezige personen en/of voorbijgangers te duchten was

- zich met een aansteker en/of vuurwerkbom (twee met tape aan elkaar vastgemaakte flesvormige projectielen Shellvuurwerk), naar/in het portiek van de woning op/aan de [adres] en/of naburige woningen heeft hebben begeven en/of

- telefonisch en/of via videoverbinding heeft hebben geverifieerd of hij/zij bij het juiste adres was/waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit verdachte op of omstreeks 27 februari 2024 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen door een of meer giften en/of een beloften, door misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

opzettelijk heeft uitgelokt, door

- op snapchat in een groeps-chat de vraag te stellen: 'Wie wilt c6 in agga doen je wordt opgehaald en thuis gebracht' en/of

- een beloning van `500’ in het vooruitzicht te stellen en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] instructies te geven (waar zij zouden worden opgehaald, dat zij contact moesten houden en/of dat zij moesten luisteren).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.

Standpunt verdediging

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw van de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de berichten van het snapchataccount ‘ [snapchataccount] ’, voor zover het gaat over de belastende berichten, door de verdachte zijn verstuurd.

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat op 27 februari 2024 geprobeerd is een vuurwerkbom te laten ontploffen bij de woning gelegen aan de [adres] in Den Haag. Hierbij werden medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op heterdaad aangehouden.

Op 27 februari 2024 heeft via het snapchataccount van de verdachte,‘ [snapchataccount] ’, in een groepsapp, waarin ook de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zaten, het volgende berichtenverkeer plaatsgevonden: om 17:51:53 uur (UTC+0) is de opdracht uitgezet om een cobra 6 tot ontploffing te brengen in Den Haag. In deze groepschat wordt vervolgens door het snapchataccount van de medeverdachte [medeverdachte 1] gereageerd “ik kan wel” en ‘Hoeveel is me hap’. Door ‘ [snapchataccount] ’ wordt vervolgens om 17:53:22 uur (UTC+0) gereageerd met ‘500’en om 17:53:22 uur (UTC+0) wordt door ‘ [snapchataccount] ’ gevraagd “kan je nu gelijk?”.

Vanaf 17:54:20 uur (UTC+0) is vanaf het snapchataccount van medeverdachte [medeverdachte 1] contact met het snapchataccount ‘ [snapchataccount] ’. Vanuit het account ‘ [snapchataccount] ' worden instructies gegeven over de locatie waar [medeverdachte 1] naartoe moet gaan, waar de auto staat waar hij moet instappen en, zodra medeverdachte [medeverdachte 1] aangeeft in de auto te zitten, volgt om 18:38:05 uur (UTC+0) het bericht “doe je best en luister prc wat ze zeggen”.

De tijdstippen van de snapchatgesprekken zijn vermeld in ‘UTC+0”. De tijd in Nederland was op 27 februari 2024 ‘UTC+1’. Dit betekent dat de werkelijke tijd in Nederland één uur later was dan het bij de snapchat vermelde tijdstip. Indien en voor zover in dit arrest verwezen wordt naar tijdstippen die afwijken van de daadwerkelijk Nederlandse tijd is bij die tijd vermeld ‘UTC+0’.

Beoordeling

Het hof stelt voorop dat de hiervoor weergegeven snapchatberichten zijn verzonden vanaf het snapchataccount dat aan de verdachte toebehoort. De enkele omstandigheid dat een bericht vanaf een account van een verdachte is verzonden, behoeft niet zonder meer te betekenen dat de verdachte ook degene is geweest die dat bericht heeft verzonden.

De verdachte heeft aangevoerd dat een ander, te weten [naam] , op 27 februari 2024 gedurende enige tijd toegang had tot zijn account en dat deze persoon op 27 februari 2024 de berichten heeft geplaatst voordat verdachte vanaf 19:06:54 uur zelf berichten heeft verzonden. Het hof dient te beoordelen of dit door de verdachte geschetste scenario aannemelijk is geworden. Het hof acht dat niet het geval.

Naar het oordeel van hof biedt het dossier geen steun voor de verklaring van de verdachte dat [naam] op 27 februari 2024 gedurende enige tijd gebruik heeft gemaakt van zijn Snapchataccount. In het bijzonder is niet gebleken van gegevens of verklaringen van derden waaruit volgt dat [naam] op die dag daadwerkelijk toegang heeft gehad tot dit account en de betreffende berichten heeft verzonden. Bovendien zijn vanaf 19:06:54 uur, het moment dat de verdachte zegt zelf berichten te zijn gaan versturen, vanuit het account van de verdachte berichten geplaatst waarin concrete instructies zijn gegeven aan medeverdachte [medeverdachte 1] met betrekking tot de uitvoering van de opdracht. Deze berichten volgen zo kort op de eerdere berichten dat het daarom ook onaannemelijk is dat, zoals de verdachte heeft verklaard, de berichten van voor 19:06:54 uur (dat is: 18:06:54 uur UTC+0) niet door hem zijn verzonden. Daar komt bij dat in de berichten niet is aangegeven dat iemand anders dan de verdachte de berichten stuurde, dan wel dat de verdachte het gesprek om 19:06:54 uur overnam.

Daarnaast overweegt het hof dat de verdachte ook nog wisselend heeft verklaard over de momenten waarop hij op 27 februari 2024 zélf zijn snapchataccount heeft gebruikt.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij die dag rond 19:00 uur wegging bij zijn stage en dat hij rond 19:30 uur weer op zijn telefoon zat.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat zijn stage tot 18.30 uur was en dat hij na die tijd wel op zijn account zat. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bovendien verklaard dat hij zijn telefoon tijdens zijn stage wel bij zich had en dat hij daar ook bij kon.

Hierbij komt dat de verdachte heeft verklaard dat hij wist dat [naam] jongens voor ‘C6-klussen’ regelde en dat hij eerder voor die klussen jongens naar [naam] heeft doorgestuurd. Uit de processtukken blijkt bovendien dat ook voor 27 februari 2024 via zijn snapchataccount berichten zijn verstuurd die wijzen op het ronselen van personen voor het plegen van strafbare feiten. Tegen deze achtergrond past de inhoud en strekking van de berichten die op 27 februari 2024 vanaf zijn snapchataccount zijn verzonden bij betrokkenheid van de verdachte bij de onderhavige opdracht.

Het hof acht het, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk dat een ander dan de verdachte de hiervoor genoemde berichten op 27 februari 2024 heeft verzonden. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat de berichten die die dag vanaf het snapchataccount van de verdachte zijn verzonden, door de verdachte zelf zijn verzonden.

De verdachte heeft naar aanleiding van zijn bericht “Wie wilt c6 in agga doen je wordt opgehaald en thuisgebracht” medeverdachte [medeverdachte 1] geregeld. In het groepsgesprek werd vervolgens door verdachte een beloning in het vooruitzicht gesteld en werden instructies gegeven.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de rol van verdachte ten aanzien van het in de bewezenverklaring genoemde feit dient te worden aangemerkt als die van uitlokker. Dat de verdachte ook opzet had op dat uitlokken volgt genoegzaam uit de inhoud van de door hem verstuurde berichten.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Uitlokking van medeplegen van een poging tot opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitlokking van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. Hierbij is gebruik gemaakt van een vuurwerkbom, gemaakt van twee met tape aan elkaar verbonden cilindershells, zijnde professioneel vuurwerk. Ontploffing van dit vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij de bewoners van de woning waar een explosief wordt neergelegd en de omwonenden van die woning. De verdachte heeft de uitvoerder(s) geronseld en instructies gegeven. Daarmee heeft hij een aansturende rol ingenomen. Verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Justitiële documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

Voorts heeft het hof acht geslagen op de over de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages. Uit het meest recente advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 22 oktober 2025 volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat er bij de verdachte veel beschermende factoren aanwezig zijn, te weten op de gebieden school, relaties, houding en vaardigheden. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Uit de afsluitrapportage van 16 december 2025 van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond blijkt dat de verdachte zich goed heeft gehouden aan de aanwijzingen van de jeugdreclasseerder en actief heeft deelgenomen aan de MDFT-behandeling. Hij heeft stappen gemaakt als het gaat om overwogen keuzes maken.

Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte op verschillende leefgebieden orde op zaken aan het stellen is. Het hof ziet dat de verdachte toekomstgericht bezig is. De verdachte werkt momenteel en is gestart met een mbo niveau-4 opleiding en is gemotiveerd om hierna te starten met een vervolgopleiding, zodat hij uiteindelijk kan doorstromen naar het hbo. Daarnaast heeft de verdachte aangegeven dat hij afstand heeft genomen zijn antisociale vriendenkring. Het hof ziet gelet op dit alles opbouwende stabiliteit bij de verdachte.

Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit kan naar het oordeel van het hof echter niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie. Het hof is van oordeel dat zowel aan de maatschappij als aan verdachte een signaal moet worden gegeven dat het begaan van dergelijke ernstige feiten ook stevige consequenties hebben. Daarbij merkt het hof nog op dat de verdachte – door het leveren van een bijdrage aan het ronselen van aanslagplegers – een zeer kwalijke rol heeft gespeeld, die – anders dan de raadsvrouw voorstaat – (ook qua strafwaardigheid) niet ondergeschikt is aan de rol die de uitvoerders van dit soort aanslagen spelen.

Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in eerste aanleg is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de toepasselijke termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 16 april 2024 en het vonnis op 11 november 2025 is gewezen. De redelijke termijn is in eerste aanleg derhalve met 2 maanden en 27 dagen overschreden.

Het hof is van oordeel dat aan deze overschrijding geen consequenties hoeven te worden verbonden en dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden, nu de zaak in hoger beroep met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg is daardoor naar het oordeel van het hof gecompenseerd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie van hierna te noemen duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind, door hen vertegenwoordigd, zich als benadeelde partijen gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 106.701,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering gematigd tot een bedrag van € 106.062,11. Dit bedrag bestaat uit € 9.997,61 aan materiële schade en € 96.064,50 aan immateriële schade. De vordering wat betreft de materiële kosten is gematigd, in die zin dat gemaakte kosten waarbij de factuurdatum vóór de tenlastegelegde datum ligt, te weten 27 februari 2024, in mindering worden gebracht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partijen tot een bedrag van € 13.456,90, bestaande uit € 9.456,79 aan materiële schade en een bedrag van € 4.000,- per persoon aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partijen is namens de verdachte betwist.

Materiële schade

De gevorderde materiële schade ziet op de aanschaf en installatie van de portiekdeur, inclusief leges in verband met de vergunning daarvoor, en op de aanschaf van rolluiken en meerdere ringdeurbellen. De advocaat van de benadeelde partijen heeft zich op het standpunt gesteld dat deze kosten als schadebeperkende maatregelen in redelijkheid aan het bewezen verklaarde feit kunnen worden toegerekend en derhalve voor toewijzing vatbaar zijn.

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding dient voldoende vast komen te staan dat de gevorderde schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde strafbare feit. Naar het oordeel van het hof kan op grond van de thans beschikbare gegevens onvoldoende worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de door de benadeelde partijen gemaakte kosten in causaal verband staan met het bewezen verklaarde feit.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op herstel van schade die door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt, maar op het treffen van maatregelen ter verhoging van de beveiliging en ter voorkoming van incidenten in de toekomst. Dat dergelijke maatregelen naar hun aard kunnen zijn ingegeven door het bewezen verklaarde feit, is onvoldoende om reeds daarom een rechtstreeks causaal verband tussen dat feit en de daarvoor gemaakte kosten aan te nemen. Aangezien de benadeelden in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde ook al meermalen slachtoffer waren geworden van vergelijkbare aanslagpogingen en mede gelet op de datering van de bij de vordering gevoegde facturen is het vereiste verband – mede in het licht van de betwisting daarvan - onvoldoende gebleken.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelden om hun vordering alsnog nader te

onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de

benadeelde partijen daarom in hun vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat hij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Immateriële schade

In artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat

immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt in de limitatief in de wet

opgesomde gevallen. In artikel 6:106 BW worden de gevallen genoemd waarin vergoeding

van immateriële schade kan worden toegekend. Op grond van artikel 6:106 sub a BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding indien de verdachte het oogmerk had schade toe te brengen. Voor zover hier van belang, kan vergoeding eveneens op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien de benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien de

aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij

zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan immateriële schade op deze grond voor

toewijzing in aanmerking komen in gevallen van een ernstige aantasting van de persoonlijke

levenssfeer of de persoonlijke vrijheid.

Het hof stelt voorop dat het intimiderende karakter van het feit en de mogelijke impact daarvan op de bewoners niet ter discussie staan. Bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade heeft het hof evenwel rekening gehouden met het volgende. De bewezen verklaarde poging tot een aanslag op de woning van de benadeelden vond plaats in het verlengde van een reeks van pogingen tot woningaanslagen en dreiging daartoe. Om voor vergoeding van de geleden immateriële schade in aanmerking te komen, moet zijn voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten en moet voldoende kunnen worden vastgesteld dat de gestelde schade in causaal verband staat met het bewezen verklaarde feit. Voor de beoordeling van de vordering is dus van belang of en in hoeverre de gestelde immateriële schade kan worden toegerekend aan het bewezenverklaarde.

Het hof ziet allereerst geen grond voor vergoeding op de voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Voor toepassing van deze bepaling is vereist dat de aansprakelijke persoon het oogmerk had immateriële schade toe te brengen. Dat het bewezenverklaarde is gepleegd met het oogmerk de bewoners te intimideren of jegens hen een dreiging tot uitdrukking te brengen, brengt niet zonder meer mee dat de verdachte tevens het oogmerk had aan hen immateriële schade toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Het hof heeft in het bewezenverklaarde en de overige omstandigheden van het geval geen aanknopingspunten gevonden voor de vaststelling dat de verdachte dat oogmerk had (vgl. HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:836).

Het hof is voorts van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Het hof onderkent dat het bewezenverklaarde, gelet op de aard en het intimiderende karakter daarvan, voor de bewoners ingrijpend moet zijn geweest. De enkele omstandigheid dat sprake is geweest van een dergelijk feit is evenwel onvoldoende om een aantasting in de persoon als bedoeld in deze bepaling aan te nemen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het bewezen verklaarde feit onderdeel uitmaakt van een langere reeks van aanslagen en dreigingen. Tegen die achtergrond kan het hof, mede gelet op hetgeen omtrent de gestelde immateriële schade naar voren is gebracht, niet vaststellen in hoeverre de gestelde schade (ook) het gevolg is van de poging tot aanslag in onderhavige zaak. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de bewoners ten tijde van het feit in verband met de sluiting van hun woning op last van de Burgemeester niet in hun woning aanwezig waren en uit het dossier niet blijkt dat zij op dat moment rechtstreeks met deze poging zijn geconfronteerd. Dit betekent niet dat het enkele feit dat de bewoners niet thuis waren aan het aannemen van een aantasting in de persoon in de weg staat, maar in de omstandigheden van dit geval biedt hetgeen is aangevoerd onvoldoende grond om een dergelijke aantasting als gevolg van de bewezen verklaarde feiten vast te kunnen stellen, ook omdat niet (steeds) voldoende duidelijk is op welke wijze de benadeelde partijen - al dan niet direct - zijn geconfronteerd met het in deze zaak centraal staande feit. In de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Gelet op het voorgaande is niet voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde feit aanspraak hebben op vergoeding van immateriële schade op een van de in artikel 6:106 BW genoemde gronden.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelden om hun vordering op dit punt alsnog nader te onderbouwen levert eveneens een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77gg, 77i, 77x, 77y, 77z en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 76 (zesenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en hun minderjarige kind niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partijen in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. B.P. de Boer en mr. G.J.K. Elsen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2026.

mr. B.P. de Boer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.