Strafrecht overig
Witwassen vermogensbestanddelen. Strafmaat.
Gerechtshof Den Haag, 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3116 · Gerechtshof Den Haag · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3116
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-003177-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3116
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Witwassen vermogensbestanddelen. Strafmaat.
Uitspraak
Rolnummer: 22-003177-23
Parketnummer: 09-767334-20
Datum uitspraak: 27 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met verbeurdverklaring van een appartement op Ibiza.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg van het impliciet vijfde cumulatief tenlastegelegde – het witwassen van horloges – vrijgesproken.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 16 september 2020, te 's-Gravenhage en/of Ibiza (Spanje), althans in Nederland en/of Spanje, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere ander(en), en/of alleen, (van):
- ( een gedeelte van de aanschafkosten van) een keuken (en/of/te weten onder andere een contante betaling van EUR 3.800,- en/of EUR 13.300,-) en/of
- een of meer contante betalingen voor een of meer verbouwing(en) aan de [adres 1] te 's-Gravenhage (te weten onder andere (een) contante betaling(en) van (in totaal) EUR 12.540,-) en/of
- één of meer contante stortingen ter hoogte van (in totaal) EUR 17.703,- op bankrekening [rekeningnummer] en/of
- een appartement op Ibiza [adres 2] ,
de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had(den),
en/of
(voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ten aanzien van alle tenlastegelegde onderdelen die in hoger beroep aan de orde zijnde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van het appartement op Ibiza.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Beoordeling
Witwasvermoeden
De politie heeft onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van de verdachte en zijn partner – tevens medeverdachte – en hun inkomsten en uitgaven in de periode van 1 januari 2015 tot en met 16 september 2020. Uit dit onderzoek volgt onder meer dat de tenlastegelegde vermogenscomponenten – te weten de in de tenlastelegging genoemde keuken en het appartement op Ibiza – (voor een groot deel) contant zijn betaald. Naast de tenlastegelegde contante gelden – te weten de contante stortingen en de contante betalingen voor een verbouwing – hebben de verdachten dus grote contante geldbedragen in een keuken en een appartement op Ibiza omgezet.
Uit het politieonderzoek volgt dat deze contante betalingen en contante stortingen niet te verklaren zijn vanuit de vermogenspositie van de verdachten en zich dus niet laten verklaren door een legale inkomstenbron.
Het voorhanden hebben en omzetten van grote contante geldbedragen, zonder dat dit te verklaren is vanuit de vermogenspositie van de verdachten, rechtvaardigt zonder meer een vermoeden van witwassen. Daarmee wordt van de verdachten per tenlastegelegd bestanddeel een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring verlangd waar deze contante gelden en vermogenscomponenten vandaan komen.
De verdachte en de medeverdachte hebben ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaringen afgelegd ten aanzien van de herkomst van de verschillende tenlastegelegde onderdelen.
Contante stortingen
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat de contante stortingen, ter hoogte van in totaal € 17.703,-, afkomstig waren uit opgespaarde fooien en contante giften. De verdachte heeft gewerkt bij verschillende horecagelegenheden, waar hij veel uren werkte en relatief veel contante fooien ontving. Daarnaast heeft de verdachte contante giften ontvangen voor zijn verjaardag, de verjaardag van zijn dochter en voor feestdagen.
Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte op dit onderdeel voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Zo heeft de verdachte in eerste aanleg een overzicht overgelegd, waarin per storting is gespecificeerd waar dit geld van afkomstig is. Daarnaast is het contante geld in verschillende delen gestort gespreid over een periode van vijf jaar, waardoor het per storting gaat om een relatief klein geldbedrag, dat te verklaren is door de ontvangen contante fooi-inkomsten, de opbrengsten van goederen die zijn partner op rommelmarkten verkocht en giften die ter gelegenheid van de verjaardag van de dochter zijn gedaan. Ook vindt de verklaring steun in het dossier, nu blijkt dat de verdachte inderdaad tussen 2015 en 2019 werkzaam was bij horecaondernemingen (te weten [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] ) en ook door de verklaring die zijn schoonzus met betrekking tot de rommelmarkten en de giften bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.
Het hof overweegt voorts dat het contante geld in verschillende delen is gestort gespreid over een periode van vijf jaar, waardoor het per storting gaat om een relatief klein geldbedrag, dat te verklaren is door de ontvangen contante opbrengsten van markten en giften.
Nu de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de contante stortingen, lag het op de weg van het openbaar ministerie om daar nader onderzoek naar te doen. Omdat een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Het hof zal de verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.
Aanschaf keuken
De verdachten hebben in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat de contante betalingen van de keuken grotendeels afkomstig waren uit contant spaargeld van de medeverdachte. De medeverdachte heeft verklaard dat zij in 2013 € 27.000,- contant heeft opgenomen van haar spaarrekening. Vervolgens zou zij een deel hebben uitgegeven en een deel hebben teruggestort, waarna zij het restant door verder te sparen voor toekomstige grote uitgaven heeft aangevuld tot een contant bedrag van € 18.000,-. De verdachten hebben verklaard dat zij na de aankoop van hun woning aan de [adres 1] in Den Haag in 2015, verschillende grote uitgaven hebben gedaan, die deels betaald zijn met dit spaargeld.
Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachten over de herkomst van de contante betalingen voor de keuken – namelijk het contante spaargeld van de medeverdachte – voldoende concreet en verifieerbaar is. Zo blijkt uit de financiële gegevens van de medeverdachte dat het saldo op haar spaarrekening in 2013 inderdaad met ruim € 23.000,- is afgenomen. Anders dan het openbaar ministerie, acht het hof niet zonder meer onaannemelijk dat de medeverdachte het opgenomen spaargeld gedurende twee jaar thuis heeft bewaard, zoals zij heeft verklaard. Nu een nader onderzoek naar deze verklaring door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan ook ten aanzien van de contante betalingen voor de aanschaf van de keuken niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan deze uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Aangezien het witwasvermoeden ten aanzien van de keuken aldus voldoende is weerlegd, zal het hof de verdachten dus ook vrijspreken ten aanzien van het witwassen van de (aanschafkosten voor de) keuken.
Verbouwing woning
De verbouwing aan de woning van de verdachten, welke in de tenlastelegging is opgenomen voor een totaalbedrag van € 12.540,-, is ook contant betaald. De verdachten hebben verklaard dat dit bedrag tevens deels van het contante spaargeld van de medeverdachte en deels van opgespaarde fooien van de verdachte is betaald.
Dat deze kosten óók van het contante spaargeld van de medeverdachte zijn betaald is niet mogelijk, wanneer het spaarbedrag, ter hoogte van € 18.000,-, wordt afgezet tegen het totaal van de kosten van de keuken en de kosten van de verbouwing. Dat de verbouwing (deels) zou zijn betaald van opgespaarde fooien van de verdachte, acht het hof evenmin aannemelijk, nu uit zijn verklaring volgt dat de contante stortingen op de rekening van de verdachte ook grotendeels afkomstig zijn van fooien en het hof het niet aannemelijk acht dat de fooien dermate hoog waren dat beide posten daarmee afdoende kunnen worden gedekt.
Ten slotte overweegt het hof dat de verdachten niet hebben willen verklaren wie de verbouwingen – meer specifiek het plaatsen van een staalconstructie – aan de woning heeft verricht en hoeveel dit heeft gekost.
Daarmee is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de verklaringen van de verdachten over de betalingen voor de verbouwing onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn, waardoor deze onvoldoende tegenwicht bieden aan de witwasverdenking. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de contante betalingen voor de verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat ook wist.
Appartement op Ibiza
Uit de koopakte van het appartement op Ibiza blijkt dat de verdachten het appartement in 2019 hebben aangekocht voor een totaalbedrag van € 160.000,-, bestaande uit € 64.450,- contante betalingen – die zouden zijn voldaan tussen oktober 2013 en oktober 2018 –, € 66.000,- aan uitgestelde betalingen, en verbouwingskosten en lopende betalingen, die van de koopsom zijn afgetrokken.
De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het appartement is aangekocht van [naam 1] , die het namens zijn broer verkocht. De op de akte vermelde contante betalingen van in totaal € 64.450,- zouden bestaan uit verhuuropbrengsten van het appartement. Daarnaast zouden de uitgestelde betalingen nooit zijn verricht, omdat de verdachte geen contact meer kreeg met de verkoper.
De verklaringen van de verdachte op dit onderdeel zijn niet goed te begrijpen en roepen meer vragen op dan antwoorden. Zo is het opmerkelijk dat huuropbrengsten, die toch al toekomen aan de eigenaar van het appartement, kunnen dienen als deelbetaling voor de koopsom. Daarnaast is niet duidelijk geworden – ook niet na in eerste aanleg en in hoger beroep de verdachten hierover herhaaldelijk te hebben bevraagd – waarom op de koopakte een bankrekening is vermeld die op naam staat van een kennis van de verdachten, die verklaart niets te weten van enige betrokkenheid bij de verkoop van het appartement op Ibiza, terwijl evenmin blijkt van enige betaling ter zake de aankoop van dit appartement op die bankrekening. Daarnaast heeft de broer van de vermeende verkoper, [naam 1] , verklaard dat hij inderdaad een appartement op Ibiza heeft verkocht namens zijn broer, maar hij verklaart de verdachten niet te kennen. Volgens hem heeft hij het appartement verkocht aan ‘ [naam 2] ’ en is het appartement nooit verhuurd.
Uit een OVC-gesprek van 8 juli 2019 rijst bovendien het vermoeden dat [schoonvader van verdachte] , de vader van de medeverdachte die tevens partner is van de verdachte, het appartement heeft gekocht en er vervolgens voor heeft gezorgd dat de verdachte en de medeverdachte het appartement op hun naam hebben gekregen, nu deze [schoonvader van verdachte] dit in het OVC-gesprek zelf verklaart tegenover een bekende van hem, en dit tevens een goede en begrijpelijke verklaring oplevert ter beantwoording van de vraag wat er nu daadwerkelijk is voorgevallen met de eigendomsrechten rond het appartement.
Voor zover de verklaringen van de verdachte te verifiëren zijn, vinden deze dus geen enkele steun in het dossier, sterker nog: zij worden door de stukken in het dossier weergesproken.
Daarmee is het hof van oordeel dat de verklaringen van de verdachte ten aanzien van de aankoop van het appartement op Ibiza op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, waardoor deze verklaringen niet opwegen tegen de witwasverdenking en er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de aankoopgelden van het appartement en daarmee het appartement zelf uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat ook wist.
Slotconclusie
Het hof zal de verdachte vrijspreken van het medeplegen van witwassen van de (aanschafkosten van de) keuken en van de contante stortingen. Echter, het hof komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen van contante bedragen voor een verbouwing ter hoogte van € 12.540,- en van een appartement op Ibiza.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 16 september 2020, te 's-Gravenhage en/of Ibiza (Spanje), althans in Nederland en/of Spanje, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere ander(en), en/of alleen, (van):
- (een gedeelte van de aanschafkosten van) een keuken (en/of/te weten onder andere een contante betaling van EUR 3.800,- en/of EUR 13.300,-) en/of
- een of meer contante betalingenbedragen voor een of meer verbouwing(en) aan de [adres 1] te 's-Gravenhage (te weten onder andere (een) contante betaling(en) van (in totaal) EUR 12.540,-) en/of
- één of meer contante stortingen ter hoogte van (in totaal) EUR 17.703,- op bankrekening [rekeningnummer] en/of
- een appartement op Ibiza [adres 2] ,
de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had(den),
en/of
(voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij hij en/of haar zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn partner schuldig gemaakt aan het witwassen van contante bedragen voor een verbouwing ter hoogte van € 12.540,- en het witwassen van een appartement op Ibiza. Door dergelijke feiten wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien worden hierdoor criminele verdiensten afgedekt en komen van misdrijf afkomstige gelden in de economie terecht, terwijl het plegen van andere strafbare feiten erdoor wordt vergemakkelijkt. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte en zijn partner maatschappelijk geaccepteerde doelen nastreven. Zo hebben zij twee jonge kinderen, en heeft de verdachte een goedlopend bedrijf, waar hij naar het zich laat aanzien hard voor werkt. Voorts hebben de verdachte en de medeverdachte zich ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep meewerkend opgesteld.
Het hof overweegt daarnaast dat de verdachte en de medeverdachte zich in een lastige positie bevinden, doordat de vader van de medeverdachte betrokken is in een grote strafzaak en onderhavige zaak hiermee verweven is. Hoewel van de verdachte en de medeverdachte kan worden verlangd dat zij weerstand bieden aan de invloed van de vader van de medeverdachte, kan het hof niet anders concluderen dan dat de familiaire band met de vader van de medeverdachte een zekere zo niet zware last meebrengt.
Ten slotte weegt het hof de ouderdom van onderhavige feiten in strafmatigende zin mee.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof overweegt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg niet is overschreden. In eerste aanleg is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat de inleidende dagvaarding is betekend. De verdachte heeft geen tijd doorgebracht in voorarrest, waardoor een termijn van twee jaren geldt. De rechtbank heeft binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen een eindvonnis gewezen, waardoor geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof constateert daarentegen dat de redelijke termijn in hoger beroep wel is overschreden. In hoger beroep is de termijn aangevangen bij het instellen van hoger beroep namens de verdachte op 25 oktober 2023. Het eindarrest is gewezen op 27 oktober 2026. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met ruim één jaar overschreden.
Het hof zal de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn een taakstraf voor de duur van 200 uren zou hebben opgelegd, wordt nu een taakstraf voor de duur van 180 uren opgelegd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat genoemde taakstraf een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal – mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat de verdachte na onderhavige feit geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan – geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.
Beslag
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven appartement op Ibiza, zoals is vermeld onder nummer 21 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem en de medeverdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht een dergelijke straf niet disproportioneel, nu niet is gebleken dat de verdachte en zijn medeverdachte daadwerkelijk de koopsom van dit appartement hebben betaald dan wel gefinancierd.
Op de overige voorwerpen, die op de beslaglijst staan vermeld, rust geen strafvorderlijk beslag (meer), waardoor het hof geen beslissing zal nemen op deze inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het impliciet vijfde cumulatief tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen niet bewezen hetgeen onder het eerste en derde gedachtestreepje staat vermeld, en spreekt de verdachte daarvan telkens vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder het tweede en vierde gedachtestreepje heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 21. Onroerend registergoed, woning [adres 2] .
Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 oktober 2026.