Strafrecht overig
Witwassen vermogensbestanddelen. Strafmaat.
Gerechtshof Den Haag, 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3117 · Gerechtshof Den Haag · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3117
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-003178-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3117
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Witwassen vermogensbestanddelen. Strafmaat.
Uitspraak
Rolnummer: 22-003178-23
Parketnummer: 09-767333-20
Datum uitspraak: 27 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met verbeurdverklaring van een appartement op Ibiza en een Land Rover Range Rover Evoque.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg van het impliciet zesde cumulatief tenlastegelegde – het witwassen van horloges – vrijgesproken.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 16 september 2020, te 's-Gravenhage en/of Ibiza (Spanje), althans in Nederland en/of Spanje, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere ander(en), en/of alleen, (van):
- ( een gedeelte van de aanschafkosten van) een keuken (en/of/te weten onder andere een contante betaling van EUR 3.800,- en/of EUR 13.300,-) en/of
- een of meer contante betalingen voor een of meer verbouwing(en) aan de [adres 1] te 's-Gravenhage (te weten onder andere (een) contante betaling(en) van (in totaal) EUR 12.540,-) en/of
- één of meer contante stortingen ter hoogte van (in totaal) EUR 11.565,- op bankrekening [rekeningnummer 1] en/of
- een appartement op Ibiza [adres 2] en/of
- een Land Rover Range Rover Evoque [kenteken] ,
de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had(den),
en/of
(voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ten aanzien van alle tenlastegelegde onderdelen die in hoger beroep aan de orde zijn zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van het appartement op Ibiza en de Land Rover Range Rover Evoque.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Beoordeling
Witwasvermoeden
De politie heeft onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van de verdachte en haar partner – tevens medeverdachte – en hun inkomsten en uitgaven in de periode van 1 januari 2015 tot en met 16 september 2020. Uit dit onderzoek volgt onder meer dat de in de tenlastelegging genoemde keuken en het appartement op Ibiza (voor een groot deel) contant zijn betaald. Naast de tenlastegelegde contante gelden – te weten de contante stortingen en de contante betalingen voor een verbouwing – hebben de verdachten dus grote contante geldbedragen in een keuken en een appartement op Ibiza omgezet.
Uit het politieonderzoek volgt dat deze contante betalingen en contante stortingen niet te verklaren zijn vanuit de vermogenspositie van de verdachten en zich dus niet laten verklaren door een legale inkomstenbron. Daarnaast heeft de verdachte een dure personenauto, namelijk een Land Rover Range Rover Evoque, voorhanden gehad, waarvan de herkomst evenmin uit een legale inkomstenbron kan worden verklaard.
Het voorhanden hebben en omzetten van grote contante geldbedragen en het voorhanden hebben van een dure auto, zonder dat dit te verklaren is vanuit de vermogenspositie van de verdachten, rechtvaardigt zonder meer een vermoeden van witwassen. Daarmee wordt van de verdachten per tenlastegelegd bestanddeel een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring verlangd waar deze contante gelden en vermogenscomponenten vandaan komen.
De verdachte en de medeverdachte hebben ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaringen afgelegd ten aanzien van de herkomst van de verschillende tenlastegelegde onderdelen.
Contante stortingen
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat de contante stortingen, ter hoogte van in totaal € 11.565,-, afkomstig waren van de opbrengsten van de verkoop op rommelmarkten en contante giften.
Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte op dit onderdeel voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Zo heeft de verdachte in eerste aanleg een overzicht overgelegd, waarin per storting is gespecificeerd waar dit geld van afkomstig is. Daarnaast heeft zij e-mailverkeer overgelegd, waarin de reservering van kramen op rommelmarkten wordt bevestigd. Ook heeft de zus van de verdachte als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij verschillende keren met haar zus op rommelmarkten spullen heeft verkocht, waarbij de opbrengsten varieerden van € 300,- tot € 1.400,-. De hoogte van deze opbrengsten komt overeen met de contante stortingen op de rekening van de verdachte. Daarnaast heeft de getuige bevestigd dat op verjaardagen vaak aanzienlijke bedragen aan contant geld cadeau werd gedaan. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.
Het hof overweegt voorts dat het contante geld in verschillende delen is gestort gespreid over een periode van vijf jaar, waardoor het per storting gaat om een relatief klein geldbedrag, dat te verklaren is door de ontvangen contante opbrengsten van markten en giften.
Nu de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de contante stortingen, lag het op de weg van het openbaar ministerie om daar nader onderzoek naar te doen. Omdat een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Het hof zal de verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.
Aanschaf keuken
De verdachten hebben in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat de contante betalingen van de keuken grotendeels afkomstig waren uit contant spaargeld van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat zij in 2013 € 27.000,- contant heeft opgenomen van haar spaarrekening. Vervolgens zou zij een deel hebben uitgegeven en een deel hebben teruggestort, waarna zij het restant, door verder te sparen voor toekomstige grote uitgaven, heeft aangevuld tot een contant bedrag van € 18.000,-. De verdachten hebben verklaard dat zij na de aankoop van hun woning aan de [adres 1] in Den Haag in 2015, verschillende grote uitgaven hebben gedaan, die deels betaald zijn met dit spaargeld.
Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachten over de herkomst van de contante betalingen voor de keuken – namelijk het contante spaargeld van de verdachte – voldoende concreet en verifieerbaar is. Zo blijkt uit de financiële gegevens van de verdachte dat het saldo op haar spaarrekening in 2013 inderdaad met ruim € 23.000,- is afgenomen. Anders dan het openbaar ministerie, acht het hof niet zonder meer onaannemelijk dat de verdachte het opgenomen spaargeld gedurende twee jaar thuis heeft bewaard, zoals zij heeft verklaard.
Nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan ook ten aanzien van de contante betalingen voor de aanschaf van de keuken niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan deze uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Aangezien het witwasvermoeden ten aanzien van de keuken aldus voldoende is weerlegd, zal het hof de verdachten ook vrijspreken ten aanzien van het witwassen van de (aanschafkosten voor de) keuken.
Verbouwing woning
De verbouwing aan de woning van de verdachten, welke in de tenlastelegging is opgenomen voor een totaalbedrag van € 12.540,-, is ook contant betaald. De verdachten hebben verklaard dat dit bedrag tevens deels uit het contante spaargeld van de verdachte en deels uit opgespaarde fooien van de medeverdachte afkomstig is.
Dat deze kosten óók van het contante spaargeld van de verdachte zijn betaald is niet mogelijk, wanneer het spaarbedrag ter hoogte van € 18.000,-, wordt afgezet tegen het totaal van de kosten van de keuken en de kosten van de verbouwing. Dat de verbouwing (deels) zou zijn betaald van opgespaarde fooien van de medeverdachte, acht het hof evenmin aannemelijk, nu uit zijn verklaring volgt dat de contante stortingen op de rekening van de medeverdachte ook grotendeels afkomstig zijn van fooien en het hof het niet aannemelijk acht dat de fooien dermate hoog waren dat beide posten daarmee kunnen worden gedekt.
Ten slotte overweegt het hof dat de verdachten niet hebben willen verklaren wie de verbouwingen – meer specifiek het plaatsen van een staalconstructie – aan de woning heeft verricht en hoeveel dit heeft gekost.
Daarmee is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de verklaringen van de verdachten over de betalingen voor de verbouwing onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn, waardoor deze onvoldoende tegenwicht bieden aan de witwasverdenking. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de contante betalingen voor de verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat ook wist.
Appartement op Ibiza
Uit de koopakte van het appartement op Ibiza blijkt dat de verdachten het appartement in 2019 hebben aangekocht voor een totaalbedrag van € 160.000,-, bestaande uit € 64.450,- contante betalingen – die zouden zijn voldaan tussen oktober 2013 en oktober 2018 –, € 66.000,- aan uitgestelde betalingen, en verbouwingskosten en lopende betalingen, die van de koopsom zijn afgetrokken.
De verdachte heeft verklaard dat zij zich afzijdig heeft gehouden bij de aankoop van het appartement, dat dit een ‘project’ was van de medeverdachte en dat zij naar diens verklaring verwijst.
De medeverdachte heeft verklaard dat het appartement is aangekocht van [naam 1] , die het namens zijn broer verkocht. De op de akte vermelde contante betalingen van in totaal € 64.450,- zouden bestaan uit verhuuropbrengsten van het appartement. Daarnaast zouden de uitgestelde betalingen nooit zijn verricht, omdat de medeverdachte geen contact meer kreeg met de verkoper.
De verklaringen van de medeverdachte op dit onderdeel zijn niet goed te begrijpen en roepen meer vragen op dan antwoorden. Zo is het opmerkelijk dat huuropbrengsten, die toch al toekomen aan de eigenaar van het appartement, kunnen dienen als deelbetaling voor de koopsom. Daarnaast is niet duidelijk geworden – ook niet na in eerste aanleg en in hoger beroep de verdachten hierover herhaaldelijk te hebben bevraagd – waarom op de koopakte een bankrekening is vermeld die op naam staat van een kennis van de verdachten, die verklaart niets te weten van enige betrokkenheid bij de verkoop van het appartement op Ibiza, terwijl evenmin blijkt van enige betaling ter zake de aankoop van dit appartement door de verdachten op die bankrekening. Daarnaast heeft de broer van de vermeende verkoper, [naam 1] , verklaard dat hij inderdaad een appartement op Ibiza heeft verkocht namens zijn broer, maar hij verklaart de verdachten niet te kennen. Volgens hem heeft hij het appartement verkocht aan ‘ [naam 2] ’ en is het appartement nooit verhuurd.
Uit een OVC-gesprek van 8 juli 2019 rijst bovendien het vermoeden dat [vader van verdachte] , de vader van de verdachte, het appartement heeft gekocht en er vervolgens voor heeft gezorgd dat de verdachte en de medeverdachte het appartement op hun naam hebben gekregen, nu deze [vader van verdachte] dit in het OVC-gesprek zelf verklaart tegenover een bekende van hem, en dit tevens een goede en begrijpelijke verklaring oplevert ter beantwoording van de vraag wat er nu daadwerkelijk is voorgevallen met de eigendomsrechten rond het appartement.
Voor zover de verklaringen van de medeverdachte te verifiëren zijn, vinden deze dus geen enkele steun in het dossier, sterker nog: zij worden door de stukken in het dossier weersproken.
Daarmee is het hof van oordeel dat de verklaringen ten aanzien van de aankoop van het appartement op Ibiza op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, waardoor deze verklaringen niet opwegen tegen de witwasverdenking en er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de aankoopgelden van het appartement en daarmee het appartement zelf uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van de wetenschap daarvan aan de zijde van de verdachte overweegt het hof dat het appartement voor 50% op de naam staat van de verdachte en zij aanwezig was bij het doornemen van de koopakte bij de notaris. Gelet op de hoogte van het in de akte vermelde aankoopbedrag, afgezet tegen de toenmalige vermogenspositie van de verdachte en de medeverdachte, haar levenspartner, kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat het appartement uit misdrijf afkomstig was, zodat zij als medepleger wordt aangemerkt.
Land Rover Range Rover Evoque
De verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat zij voor haar achttiende verjaardag een Volkswagen Golf cadeau heeft gekregen van haar vader en dat hij dit voertuig een aantal jaren later voor een nieuwere en duurdere auto heeft ingeruild. Deze inruilpraktijk heeft zich een aantal keer herhaald tot de vader van de verdachte in 2020 haar laatste voertuig – een Mercedes GLA – heeft ingeruild voor de tenlastegelegde Land Rover.
De verdachte heeft verklaard dat zij tot op zekere hoogte wist dat haar vader in het verleden justitiële contacten had, maar zij er vanuit ging dat hij de criminaliteit de rug toe had gekeerd en zich bezig hield met horloge- en autohandel. Doordat haar vader actief was in de autohandel, zou hij haar voertuigen voordelig in kunnen ruilen voor een beter model, zo verklaart de verdachte.
Het hof stelt voorop dat de verklaring van de verdachte – dat haar vader werkzaam was in de autohandel en dat zij de Land Rover heeft verkregen doordat haar vader haar eerdere voertuig had ingeruild – voldoende concreet en verifieerbaar is. Zo was de vader van de verdachte inderdaad werkzaam in de autohandel en blijkt uit onderzoek dat hij de bewuste Land Rover heeft verkregen door het inruilen van een ander voertuig. Het hof overweegt dat deze verklaring voldoende tegenwicht biedt aan de witwasverdenking en dat uit nader onderzoek niet is gebleken dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde voertuig heeft witgewassen, zodat zij hiervan moet worden vrijgesproken.
Slotconclusie
Het hof zal de verdachte vrijspreken van het medeplegen van witwassen van (de aanschafkosten van) de keuken en de contante stortingen. Daarnaast wordt de verdachte vrijgesproken van het witwassen van de Land Rover. Echter, het hof komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen van contante bedragen voor een verbouwing ter hoogte van € 12.540,- en van een appartement op Ibiza.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 16 september 2020, te 's-Gravenhage en/of Ibiza (Spanje), althans in Nederland en/of Spanje, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere ander(en), en/of alleen, (van):
- (een gedeelte van de aanschafkosten van) een keuken (en/of/te weten onder andere een contante betaling van EUR 3.800,- en/of EUR 13.300,-) en/of
- een of meer contante betalingenbedragen voor een of meer verbouwing(en) aan de [adres 1] te 's-Gravenhage (te weten onder andere (een) contante betaling(en) van (in totaal) EUR 12.540,-) en/of
- één of meer contante stortingen ter hoogte van (in totaal) EUR 17.703,- op bankrekening [rekeningnummer 2] en/of
- een appartement op Ibiza [adres 2] en/of
- een Land Rover Range Rover Evoque [kenteken],
de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had(den),
en/of
(voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het witwassen van contante bedragen voor een verbouwing ter hoogte van € 12.540,- en het witwassen van een appartement op Ibiza. Door dergelijke feiten wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien worden hierdoor criminele verdiensten afgedekt en komen van misdrijf afkomstige gelden in de economie terecht, terwijl het plegen van andere strafbare feiten erdoor wordt vergemakkelijkt. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte en haar partner maatschappelijk geaccepteerde doelen nastreven. Zo hebben zij twee jonge kinderen en heeft de partner van de verdachte een goedlopend bedrijf, waar hij naar het zich laat aanzienhard voor werkt. Ook de verdachte is werkzaam in dit bedrijf en geeft leiding aan verschillende werknemers. Voorts hebben de verdachte en de medeverdachte zich ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep meewerkend opgesteld.
Het hof overweegt daarnaast dat de verdachte en de medeverdachte zich in een lastige positie bevinden, doordat de vader van de verdachte betrokken is in een grote strafzaak en onderhavige zaak hiermee verweven is. Hoewel van de verdachte en de medeverdachte kan worden verlangd dat zij weerstand bieden aan de invloed van de vader van de verdachte, kan het hof niet anders concluderen dan dat deze familiaire band een zekere zo niet zware last meebrengt.
Ten slotte weegt het hof de ouderdom van onderhavige feiten in strafmatigende zin mee.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof overweegt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg niet is overschreden. In eerste aanleg is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat de inleidende dagvaarding is betekend. De verdachte heeft geen tijd doorgebracht in voorarrest, waardoor een termijn van twee jaren geldt. De rechtbank heeft binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen een eindvonnis gewezen, waardoor geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof constateert daarentegen dat de redelijke termijn in hoger beroep wel is overschreden. In hoger beroep is de termijn aangevangen bij het instellen van hoger beroep namens de verdachte op 25 oktober 2023. Het eindarrest is gewezen op 27 oktober 2026. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met ruim één jaar overschreden.
Het hof zal de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn een taakstraf voor de duur van 200 uren zou hebben opgelegd, wordt nu een taakstraf voor de duur van 180 uren opgelegd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat genoemde taakstraf een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal – mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat de verdachte na het onderhavige feit geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan – geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.
Beslag
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven appartement op Ibiza, zoals is vermeld onder nummer 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan haar en de medeverdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht een dergelijke straf niet disproportioneel, nu niet is gebleken dat de verdachte en haar medeverdachte daadwerkelijk de koopsom van dit appartement hebben betaald dan wel gefinancierd.
Daarnaast zal het hof de inbeslaggenomen Land Rover Range Rover Evoque, zoals is vermeld onder nummer 7 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, teruggeven aan de verdachte, nu zij wordt vrijgesproken ten aanzien van het witwassen van dit voertuig. Wel merkt het hof op dat op dit voorwerp naast klassiek beslag ook conservatoir beslag rust, zodat deze beslissing niet zonder meer meebrengt dat de verdachte het voertuig, dan wel de waarde daarvan, na het onherroepelijk worden van dit arrest daadwerkelijk terugkrijgt. Er loopt immers ook nog een ontnemingsprocedure tegen de verdachte.
Op de overige voorwerpen, die op de beslaglijst staan vermeld, rust geen strafvorderlijk beslag (meer), waardoor het hof geen beslissing zal nemen op deze inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het impliciet zesde cumulatief tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals benoemd in het eerste, derde en vijfde gedachtestreepje heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan telkens vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals benoemd in het tweede en vierde gedachtestreepje heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
2. Onroerend registergoed, woning [adres 2] .
Gelast de (strafvorderlijke) teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
7. Personenauto (Land Rover Range Rover Evoque).
Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 oktober 2026.