Strafrecht overig

Verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking, nu het wrakingsverzoek is ingediend nadat het arrest…

Gerechtshof Den Haag, 21 april 2026

Zaakgegevens

Op 21 april 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
30 april 2026
Zaaknummer
200.367.334/01
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:1288
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking, nu het wrakingsverzoek is ingediend nadat het arrest is gewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.367.334/01
Parketnummer hoofdzaak : 22-002560-23

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

adres: [adres] , [woonplaats] ,

hierna ook te noemen: verzoeker.

Het geding

  1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 2 april 2026 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. M.S. Lamboo, voorzitter, mr. R. van der Hoeven en mr. F.W. van Lottum zitting hadden.

  2. Bij e-mail van 3 april 2026 heeft de verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. Op 10 april 2026 heeft de verzoeker het verzoek schriftelijk aangevuld.

3. De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2026 en van het arrest van het hof van 2 april 2026.

4. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.

5. Om na te melden redenen heeft de wrakingskamer afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

6. De wrakingskamer stelt vast dat de raadsheren in de strafzaak geregistreerd onder rolnummer 22-002560-23 ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 mondeling arrest hebben gewezen. Verzoeker heeft bij e-mail van 3 april 2026 het wrakingsverzoek ingediend. Dat betekent dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend nadat het arrest is gewezen en dat de behandeling van de strafzaak op het moment van indienen van het wrakingsverzoek dus al was geëindigd.

7. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker om die reden niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

8. Artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om kennelijk niet-ontvankelijke wrakingsverzoeken zonder mondelinge behandeling af te doen. Blijkens artikel 4, tweede lid aanhef en sub e, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag is hier sprake van indien het wrakingsverzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Nu aanstonds duidelijk is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.

Beslissing

Het hof:

  • verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;

  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.


Deze beslissing is gegeven op 21 april 2026 door mr. K. Schaffels, mr. C.A. Joustra en mr. M.J.M. van der Weijden, in aanwezigheid van de griffier mr. V.V. de Lange.