Arbeidsrecht
Arbeidsrecht WWZ. Rechtsvermoeden arbeidsomvang artikel 7:610b BW. Recht op billijke vergoeding na opzegging…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3264 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/arbeidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3264
Zaakgegevens
Op 13 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Datum publicatie
- 13 november 2025
- Zaaknummer
- 200.350.682_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen, mr. S. Lammers te Roosendaal
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3264
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidsrecht WWZ. Rechtsvermoeden arbeidsomvang artikel 7:610b BW. Recht op billijke vergoeding na opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid?
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 13 november 2025
Zaaknummer : 200.350.682/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11179764 \ AZ VERZ 24-36
in de zaak in hoger beroep van:
[de werknemer] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen,
tegen
Stichting [Stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als [de werkgever] ,
advocaat: mr. S. Lammers te Roosendaal.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 28 oktober 2024.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2025;
-
een V6 formulier van de zijde van [de werknemer] met producties (O, P, Q, R), ingekomen ter griffie op 7 februari 2025;
-
het verweerschrift met producties (29 tot en met 36), ingekomen ter griffie op 26 augustus 2025;
-
een V6 formulier van de zijde van [de werknemer] met producties (S, T, U, V), ingekomen ter griffie op 22 september 2025;
-
een brief van [de werkgever] met productie 37, ingekomen ter griffie op 25 september 2025;
- de op 2 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
- [de werknemer] , bijgestaan door mr. Pijpelink;
- [de werkgever] , bijgestaan door mr. Lammers, [directeur P&O] (directeur P&O) en [jurist] (jurist).
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
3 De beoordeling
De feiten
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
[de werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1966, is op 1 mei 2004 in dienst getreden bij [de werkgever] . Haar laatste functie was die van Teamleider ZorgThuis. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg-, Verzorgingstehuizen en Thuiszorg (hierna: de cao) van toepassing. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 36 uur.
In de periode van november 2017 tot maart 2020 heeft [de werknemer] meer uren gewerkt dan de overeengekomen arbeidsomvang van 36 uur per week. [de werkgever] heeft deze meer-uren aan [de werknemer] uitbetaald.
Op 9 maart 2020 heeft [de werknemer] zich ziekgemeld. [de werkgever] heeft haar tijdens ziekte het loon betaald dat hoort bij een arbeidsomvang van 36 uur per week. [de werknemer] is per 31 juli 2020 weer beter gemeld.
[de werknemer] heeft vervolgens van 1 augustus 2020 tot 9 april 2021 weer 36 uur per week gewerkt. Op die datum heeft zij zich ziekgemeld als gevolg van een ernstige ziekte.
In de periode na haar tweede ziekmelding heeft [de werknemer] verschillende intensieve medische behandelingen ondergaan. In lijn met het advies van de bedrijfsarts en de probleemanalyse van 1 juni 2021, heeft [de werknemer] in die periode geen (aangepaste) werkzaamheden verricht.
Uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 26 april 2022 is gebleken dat [de werknemer] op dat moment herstellende was van een intensief behandeltraject en op dat moment weer voor ongeveer 6 uur per week werkzaam was in eigen deeltaken / aangepast werk.
Vervolgens heeft op 21 juni 2022 een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Ten tijde van dit onderzoek werkte [de werknemer] inmiddels 13 uur per week in aangepaste werkzaamheden. In zijn rapport van 1 juli 2022 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat het eigen werk van [de werknemer] niet passend kan worden gemaakt met aanpassingen en/of voorzieningen. Gelet op een vervolgbehandeling die binnen enkele maanden zal plaatsvinden, zal [de werknemer] tijdelijk extra beperkingen hebben en ook een periode weer volledig arbeidsongeschikt zijn. Rekening houdend met de actuele belastbaarheid, zijn er volgens de arbeidsdeskundige geen andere functies voorhanden bij [de werkgever] waarin [de werknemer] structureel herplaatst kan worden. De arbeidsdeskundige adviseert partijen om regelmatig de voortgang van de re-integratie in aangepast werk te evalueren en via de bedrijfsarts zicht te houden op de actuele belastbaarheid van [de werknemer] . Verder luidt het advies om [de werknemer] te begeleiden en ondersteunen bij haar oriëntatie op de mogelijkheden in passend werk.
Met ingang van 20 juli 2022 heeft [de werkgever] het 2e spoor traject ingezet. In dat kader is [de werknemer] begeleid door [re-integratiebureau] .
Uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 7 september 2022 blijkt dat de vervolgbehandeling van [de werknemer] enkele dagen daarvoor is aangevangen, waardoor [de werknemer] volgens de bedrijfsarts praktisch gezien de komende 2 à 3 maanden minimaal beschikbaar is voor re-integratieactiviteiten. Een week later, op 15 september 2022, zijn de re-integratieactiviteiten in overleg met de bedrijfsarts helemaal stilgelegd voor de duur van de vervolgbehandeling.
Vooruitlopend op de aanvraag van een WIA-uitkering heeft de bedrijfsarts op 14 december 2022 een actueel oordeel afgegeven over de medische beperkingen en arbeidsmogelijkheden van [de werknemer] . Hierin schrijft de bedrijfsarts, samengevat, dat de energetische belastbaarheid van [de werknemer] nog zeer beperkt is, zowel mentaal als fysiek. De eigen functie overschrijdt de huidige belastbaarheid van [de werknemer] . Door de hoge herstelbehoefte en de lage energetische belastbaarheid zijn andere arbeidsmogelijkheden beperkt. Daarbij moet gedacht worden aan taken die [de werknemer] op eigen tempo kan uitvoeren, waarbij mentale en fysieke inspanning kunnen worden afgewisseld met momenten van rust. Andere arbeidsmogelijkheden zijn erg beperkt door de hoge herstel behoefte en lage energetische belastbaarheid.
In navolging op de meest actuele beoordeling van de belastbaarheid van [de werknemer] heeft op 3 januari 2023 een herbeoordeling plaatsgevonden van het arbeidsdeskundig onderzoek. De arbeidsdeskundige concludeert in het rapport van 9 januari 2023 dat er geen andere functies binnen [de werkgever] voorhanden zijn waarin [de werknemer] structureel kan re-integreren.
In het kader van de aanvraag van een WIA-uitkering heeft het UWV beoordeeld of [de werkgever] het re-integratietraject naar behoren heeft afgerond. Het UWV heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarbij overweegt het UWV dat de belastbaarheid van [de werknemer] op tijd is vastgesteld en dat deze in lijn is met de conclusie van de bedrijfsarts over de functionele mogelijkheden. Er is terecht een arbeidsduurbeperking gesteld. Bovendien kunnen de conclusies van de arbeidsdeskundige volgens het UWV worden onderschreven. Wel merkt het UWV op dat het arbeidsdeskundig onderzoek niet tijdig heeft plaatsgevonden en dat het 2e spoortraject te laat na de vaststelling van de belastbaarheid is opgestart.
In het rapport van 18 juli 2023 dat hoort bij de beoordeling van de WIA-aanvraag van [de werknemer] heeft de arbeidsdeskundige van het UWV geoordeeld, na overleg met de verzekeringsarts, dat er op grond van de beschikbare medische informatie geen evident duidelijke relatie kan worden gelegd tussen de oorzaak van de eerste uitval per 9 maart 2020 en de tweede uitval per 9 april 2021. Dit leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding is om [de werknemer] als zogenaamde ‘medische afzakker’ te beschouwen.
[de werkgever] heeft de arbeidsovereenkomst – met toestemming van het UWV – per 1 mei 2024 opgezegd op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid.
In het kader van de afwikkeling van het dienstverband heeft [de werkgever] aan [de werknemer] een transitievergoeding betaald van € 48.713,73 bruto. Deze transitievergoeding is gebaseerd op een gemiddelde werkweek van 38,95 uur. [de werkgever] heeft ook nog een nabetaling gedaan van
€ 15.460,78 bruto.
De verzoeken in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter
In de onderhavige procedure heeft [de werknemer] verzocht om [de werkgever] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, te veroordelen tot betaling van:
a. € 14.091,57 aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid;
b. € 2.364,19 aan achterstallig vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid;
c. € 2.461,71 aan achterstallige eindejaarsuitkering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid;
d. de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon van € 29.552,35 en de onder b en c verzochte bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024;
e. € 4.277,73 aan aanvullende transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024;
f. een billijke vergoeding van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024;
g. € 42.432,00 aan pensioenschade;
h. € 1.181,83 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024;
i. de proceskosten.
Aan dit verzoek heeft [de werknemer] kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[de werkgever] is in ernstige mate tekortgeschoten in de nakoming van haar re-integratieverplichtingen richting [de werknemer] . Daarmee heeft zij ernstig verwijtbaar gehandeld, zodat een billijke vergoeding gerechtvaardigd is.
Daarnaast heeft [de werknemer] , voorafgaand aan haar ziekte, op verzoek van haar toenmalige leidinggevenden structureel 40 uur (of meer) per week gewerkt. Zij werd daar ook voor betaald. Vanaf het moment dat [de werknemer] ziek werd heeft [de werkgever] haar echter ten onrechte slechts voor 36 uur per week betaald. Later heeft [de werkgever] uit coulance nog een nabetaling gedaan van 2,95 uur meer-uren vanaf 9 maart 2020 (de eerste ziekteperiode), maar dat is minder dan waar [de werknemer] recht op heeft. Over de meer-uren dient eveneens vakantiegeld en eindejaarsuitkering te worden berekend. Door deze bedragen niet op tijd uit te betalen is [de werkgever] de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd geworden.
Verder is [de werkgever] bij de berekening van de transitievergoeding uitgegaan van een te laag loon.
Ook lijdt [de werknemer] pensioenschade nu 1) [de werkgever] in strijd met haar eigen duurzaamheidsbeleid niet inging op [de werknemer] aanbod om 10 uur per week voor [de werkgever] te blijven werken en 2) pensioen is opgebouwd voor een dienstverband van 36 uur in plaats van 40 uur.
[de werkgever] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
De kantonrechter heeft alle verzoeken van [de werknemer] afgewezen.
De omvang van het hoger beroep
[de werknemer] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [de werknemer] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en tot het alsnog toewijzen van haar verzoeken zoals geformuleerd onder a) tot en met h), met veroordeling van [de werkgever] in de kosten van beide instanties. [de werknemer] heeft ter zitting ten overstaan van het hof haar verzoeken verminderd. De (loon-) vorderingen en verzoeken in haar verzoekschrift zijn gebaseerd op een urenomvang van 41,60 uur. Thans verzoekt zij toewijzing van haar verzoeken op grond van een arbeidsomvang van 40 uur.
[de werkgever] heeft opnieuw gemotiveerd verweer gevoerd.
Meeruren: rechtsvermoeden artikel 7:610b BW (beroepsgronden 1 en 2)
In haar eerste grief betoogt [de werknemer] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW en dat de kantonrechter ten onrechte haar verzoeken heeft afgewezen. [de werknemer] komt in haar tweede grief op tegen het oordeel van de kantonrechter dat onbegrijpelijk is dat [de werknemer] voor wat betreft de referteperiode zoals bedoeld in artikel 7:610b BW aansluiting heeft gezocht bij de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 juli 2019, en niet bij de periode van 1 augustus 2020 tot 9 april 2021 (dag van uitval door ziekte). Het hof ziet aanleiding deze grieven gezamenlijk te behandelen.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat [de werknemer] en [de werkgever] een arbeidsomvang van 36 uur zijn overeengekomen. [de werkgever] heeft erkend dat [de werknemer] in de periode vanaf november 2017 tot haar eerste uitval door ziekte (9 maart 2020) meer-uren heeft gewerkt. Tussen partijen staat vast dat die gewerkte meer-uren ook steeds, maandelijks, vanaf november 2017, zijn uitbetaald. [de werkgever] heeft ook verklaard dat zij daar beter toezicht op had moeten houden en dat daarin, mede ten gevolge van wisselingen van leidinggevenden, onvoldoende is bijgestuurd. Het is volgens [de werkgever] niet de bedoeling dat haar werknemers in de mate waarin [de werknemer] dat heeft gedaan, overwerken.
[de werknemer] heeft een beroep gedaan op het rechtsvermoeden van 7:610b BW. Het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang in artikel 7:610b BW luidt als volgt:
“Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.”
De regeling van artikel 7:610b BW is met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid geïntroduceerd om houvast te bieden in situaties waarin de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is vastgesteld, alsmede in situaties waarin de feitelijke arbeidsomvang zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur. Als aan de in artikel 7:610b BW genoemde voorwaarden is voldaan:
(i) er is sprake van een arbeidsovereenkomst,
(ii) die ten minste drie maanden heeft geduurd,
dan wordt vermoed dat de arbeidsomvang gelijk is aan de gemiddelde arbeidsomvang per maand in de drie voorafgaande maanden. Onder omstandigheden kan ook een andere referteperiode aangehouden worden dan die drie maanden voorafgaand aan het verzoek of de vordering. Verder geldt dat de vaststelling van de arbeidsomvang ook betrekking kan hebben op een periode gelegen in het verleden.
[de werknemer] stelt dat de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevond dan de overeengekomen arbeidsduur van 36 uur. [de werknemer] heeft het rechtsvermoeden gebaseerd op de referteperiode van drie maanden in de periode mei, juni en juli 2019. In die periode werkte zij meer dan de overeengekomen 36 uur per week, namelijk 41,60 uur. [de werknemer] heeft met haar stellingen de elementen aangevoerd voor het rechtsvermoeden voor een arbeidsomvang van meer dan de overeengekomen 36 uur.
Het rechtsvermoeden met betrekking tot de arbeidsomvang is weerlegbaar. Het leveren van tegenbewijs is voldoende; de werkgever moet twijfel weten te zaaien over de juistheid van de vermoede arbeidsomvang. Het weerleggen van het rechtsvermoeden is bijvoorbeeld mogelijk door aan te tonen dat geen sprake is van een structurele overschrijding van uren (in gevallen waarin dus wél, zoals in het onderhavige geval, sprake is van een vast urenaantal), of dat de referteperiode van drie maanden niet representatief is voor de arbeidsomvang. Slaagt de werkgever erin tegenbewijs te leveren en het rechtsvermoeden te weerleggen, dan rusten de stelplicht en bewijslast conform artikel 150 Rv bij de eisende (of verzoekende) partij, in dit geval [de werknemer] .
[de werkgever] heeft tegenover de stellingen van [de werknemer] omtrent het rechtsvermoeden aangevoerd dat het overwerk niet structureel was en dat de door [de werknemer] gekozen periode niet representatief is. In deze drie maanden is door [de werknemer] excessief overgewerkt, zo voert [de werkgever] aan onder verwijzing naar het urenoverzicht over de periode 2016 - 2020.
Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van indiensttreding van [de werknemer] bij [de werkgever] per 1 mei 2004. Tot november 2017 is niet gebleken dat sprake is geweest van overwerk. In de periode van november 2017 tot en met maart 2020 is wel overgewerkt. [de werknemer] is daarvoor betaald en zij heeft daarvan melding gemaakt in het jaargesprek met [interim locatiemanager] in november 2018. [interim locatiemanager] was vanaf 19 juli 2018 interim locatiemanager, nadat haar teamleider [teamleider] per 6 november 2017 was uitgevallen. [de werknemer] is vervolgens op 9 maart 2020 uitgevallen wegens ziekte. Op 1 augustus 2020 heeft zij haar werkzaamheden hervat. Na haar terugkeer is zij weer de bedongen 36 uur gaan werken. [de werknemer] heeft aangevoerd dat zij toen minder is gaan werken (36 uur in plaats van 40 of meer) vanwege gezondheidsproblemen. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft in het rapport van 18 juli 2023 (behorend bij de beoordeling van de WIA-aanvraag) evenwel, na overleg met de verzekeringsarts, geoordeeld dat er op grond van de beschikbare medische informatie geen aanleiding is om [de werknemer] als zogenaamde ‘medische afzakker’ te beschouwen, nu er geen evident duidelijke relatie kan worden gelegd tussen de oorzaak van de eerste uitval per 9 maart 2020 en de tweede uitval per 9 april 2021. Niet is derhalve komen vast te staan dat [de werknemer] , zoals zij aanvoert, in de periode vanaf 1 augustus 2020 minder is gaan werken op medische gronden.
[de werkgever] heeft voorts terecht aangevoerd dat [de werknemer] , uit de periode van november 2017 tot maart 2020 waarin zij (veelal) meer uren dan 36 uur per week heeft gewerkt, de drie maanden waarin zij vergeleken met de maanden daarvoor en daarna (verreweg) de meeste uren heeft gewerkt, te weten mei, juni en juli 2019, als referentieperiode heeft genomen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat die maanden representatief zijn voor de gehele periode.
Naar het oordeel van het hof onderbouwen voornoemde feiten en omstandigheden het standpunt van [de werkgever] dat de door [de werknemer] aangewezen periode niet zonder meer representatief is.
Het hof acht voorts het volgende van belang. In eerste aanleg is het partijdebat mede beheerst door de vraag of [de werknemer] , zoals zij zelf betoogt, op grond van een afspraak dan wel (expliciete of impliciete) instructie structureel meer uren werkte dan de overeengekomen 36 uur, zulks onder verwijzing naar de uitspraak van 14 mei 2024 van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:GHAMS:2025:1303). In hoger beroep heeft [de werknemer] daaraan toegevoegd dat de kantonrechter een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor het antwoord op de vraag of meer-uren meetellen bij het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW, nu daarbij volgens haar ook van belang is dat feitelijke instemming ook achteraf kan worden gegeven (door bijvoorbeeld het goedkeuren van uitbetaling van meer-uren) en dat daarbij bovendien het nalaten in te grijpen betrokken dient te worden.
Het hof gaat aan dit betoog van [de werknemer] voorbij. Zelfs als zou zijn afgesproken dan wel [de werknemer] is geïnstrueerd of indien achteraf is goedgekeurd dat [de werknemer] in genoemde periode meer-uren maakte, zoals [de werknemer] stelt en [de werkgever] uitdrukkelijk betwist, leidt dat er niet toe dat het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW niet zou kunnen worden weerlegd. Daarvoor zijn immers alle omstandigheden relevant. Daarnaast geldt het volgende.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat duurzame inzetbaarheid van haar werknemers volgens [de werkgever] een belangrijk onderdeel uitmaakt van
haar beleid. Dit blijkt ook uit het door [de werknemer] overgelegde kwaliteitsplan van 2022. Structureel
meer uren werken dan overeengekomen past niet in dat beleid. [de werkgever] betwist dan ook dat
daartoe opdracht is gegeven. Dit was volgens [de werkgever] ook niet nodig, omdat het takenpakket
van iedere werknemer aansluit op de overeengekomen arbeidsomvang, waarbij geldt dat in sommige gevallen leidinggevenden uit eigen beweging extra taken oppakken.
[de werknemer] heeft daar in hoger beroep tegen aangevoerd dat bij [de werkgever] wel degelijk structureel meer wordt gewerkt dan de overeengekomen arbeidsduur. Er zijn meerdere werknemers die hun functie niet kunnen vervullen in de overeengekomen uren. [de werknemer] heeft deze stelling onderbouwd door vijf verklaringen van (oud-) collega’s in het geding te brengen. In deze verklaringen bevestigen deze (oud-) collega’s dat ieder van hen structureel meer uren per week heeft gewerkt. De overgelegde verklaringen vangen aan met de tekst: “ik verklaar dat”. Zij zijn weliswaar niet ondertekend, maar zijn onderaan wel voorzien van een naam, e-mailadres alsmede het telefoonnummer van de betreffende medewerker.
Ter zitting is echter het volgende gebleken. De overgelegde verklaringen zijn niet opgesteld door de desbetreffende medewerkers. [de werknemer] heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat de “verklaringen” een samenvatting betreffen, van de hand van [de werknemer] zelf, van hetgeen [de werknemer] stelt met de vijf werknemers te hebben besproken. Het hof stelt vast dat [de werknemer] het hof en de wederpartij daarmee op het verkeerde been heeft gezet. Zij heeft de waarheidsplicht van artikel 21 Rv ernstig geschonden. Het hof slaat dan ook geen acht op deze verklaringen, die overigens ook inhoudelijk door [de werkgever] zijn weersproken aan de hand van urenstaten uit de administratie van [de werkgever] . Deze zijn in reactie op de “verklaringen” door [de werkgever] in het geding gebracht en ter zitting toegelicht.
Tot slot betrekt het hof het volgende bij zijn oordeel. [de werkgever] is een organisatie in de zorg en zij hanteert, zoals zij ter zitting, mede aan de hand van de door [de werkgever] overgelegde urenstaten heeft toegelicht, een “jaaruren systematiek”. Daarbij worden zowel uren die meer als uren die minder zijn gewerkt dan de overeengekomen arbeidsduur geregistreerd en verwerkt. Deze systematiek leidt er echter niet toe dat fluctuaties in de arbeidsduur, opwaarts dan wel neerwaarts, zonder meer leiden tot aanpassing van de overeengekomen arbeidsduur. Zowel “meeruren” als “minderuren” worden in die systematiek, zo begrijpt het hof, in het volgende jaar gecompenseerd door minder respectievelijk meer uren te werken. [de werknemer] heeft dat ter zitting niet weersproken. Voorts heeft te gelden dat [de werknemer] zich ook niet tot [de werkgever] heeft gewend met een verzoek tot aanpassing van de overeengekomen arbeidsduur.
De conclusie luidt derhalve dat [de werkgever] , gezien alle feiten en omstandigheden, is geslaagd in het weerleggen van het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst met een omvang van 40 uur per week. Nu [de werknemer] niet met succes een beroep kan doen op het rechtsvermoeden rusten de stelplicht en bewijslast conform artikel 150 Rv (wederom) bij [de werknemer] . Het door [de werknemer] gedane bewijsaanbod is echter, in het licht van de door het Hof reeds vastgestelde feiten en omstandigheden, niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
De tussenconclusie luidt dat de grieven 1 en 2 niet slagen. Dat [de werknemer] , zoals [de werkgever] nog aanvoert, gelet op het bepaalde in artikel 6:89 BW te laat heeft geklaagd, behoeft dan ook geen nadere beoordeling meer.
Afwijzing alle verzoeken (grief 3)
In grief 3 betoogt [de werknemer] dat de kantonrechter in het dictum sub 5.1. ten onrechte de verzoeken van [de werknemer] afwees.
Het hof stelt voorop dat, zoals voortvloeit uit het voorgaande, de kantonrechter de verzoeken die voortbouwen op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW (de loongerelateerde verzoeken) terecht heeft afgewezen. [de werknemer] voert daarnaast aan dat de kantonrechter ook het verzoek tot betaling van de billijke vergoeding ten onrechte afwees. Daarover overweegt het hof het volgende.
Dit verzoek dient te worden getoetst aan de hand van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW. Uit dit artikel volgt dat de rechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV, aan die werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien een opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel b BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dit geval staat vast dat het UWV op 29 december 2023 toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid op te zeggen, waarna de arbeidsovereenkomst door [de werkgever] per 1 mei 2024 is opgezegd. Aan de eerste twee voorwaarden van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW is dan ook voldaan. Beoordeeld dient dan nog te worden of de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werkgever] .
In dit geval spitst het geschil zich toe op de vraag of [de werkgever] haar re-integratie verplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake.
De kantonrechter heeft terecht overwogen dat uit de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige kan worden afgeleid dat de arbeidsmogelijkheden van [de werknemer] steeds beperkt waren als gevolg van de beperkingen die voortvloeiden uit haar ziekte en de intensieve behandelingen die zij gedurende verschillende, langere periodes moest ondergaan (zie hiervoor onder 3.1.5., 3.1.6., 3.1.7., 3.1.9., 3.1.10 en 3.1.11). Wanneer haar beperkingen en belastbaarheid dit toelieten, heeft [de werknemer] (passende) werkzaamheden verricht voor een aantal uur per week. [de werkgever] heeft haar daartoe steeds in de gelegenheid gesteld. Binnen [de werkgever] is gezocht naar passende functies maar is ook vastgesteld dat er geen functies binnen [de werkgever] voorhanden zijn waarin [de werknemer] structureel kan re-integreren. In zoverre heeft [de werkgever] voldoende voor [de werknemer] gedaan in het kader van haar re-integratieverplichtingen. Dat dit, zo begrijpt het hof, niet de invulling was zoals [de werknemer] die voor ogen stond en dat dit niet heeft geleid tot het vervullen van de rol die [de werknemer] graag binnen [de werkgever] wenste te vervullen, maakt dat niet anders.
De re-integratie-inspanningen van [de werkgever] zijn in het kader van de WIA-aanvraag getoetst door het UWV. De arbeidsdeskundige heeft in dat kader op 25 maart 2023 geoordeeld dat [de werkgever] voldoende heeft gedaan om [de werknemer] , ondanks ziekte, weer aan het werk te krijgen. Bij dat oordeel is betrokken dat de arbeidsdeskundige iets te laat is ingezet (de arbeidsdeskundige is op 16 mei 2022 ingezet en de rapportage dateert van 1 juli 2022) en voorts dat ook het 2e spoortraject te laat is gestart (op 22 juli 2022 is het trajectplan opgestart).
Naar het oordeel van het hof leidt ook de vaststelling van deze twee tekortkomingen niet tot de gevolgtrekking dat [de werkgever] haar re-integratie verplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. Er is door [de werknemer] ook geen verband gesteld tussen de twee door het UWV geduide tekortkomingen en het feit dat de re-integratie niet heeft geleid tot een bevredigend re-integratie resultaat.
Daarbij heeft te gelden dat, zoals ook is vastgesteld door de arbeidsdeskundige, [de werknemer] vanwege haar ziekte voor langere tijd niet belastbaar was voor werk en dat er in die perioden geen re-integratiemogelijkheden waren. De belastbaarheid is steeds tijdig vastgesteld en in lijn met de conclusies van de bedrijfsarts over de functionele mogelijkheden zijn er arbeidsduurbeperkingen gesteld. Op 14 december 2022 heeft de bedrijfsarts de mogelijkheden opnieuw in kaart gebracht en vastgesteld dat de belastbaarheid nog zeer beperkt is. Na overleg met de verzekeringsarts is door de arbeidsdeskundige in het kader van de toetsing van de re-integratie-inspanningen op 25 maart 2023 geoordeeld dat de mogelijkheden in arbeid over tenminste drie maanden marginaal zijn, terwijl onzeker is of er daarna weer re-integratiemogelijkheden zullen ontstaan.
Voor zover er eerder sprake is geweest van niet tijdige re-integratiestappen, stelt het hof dan ook vast dat hieruit niet voortvloeit dat door toedoen van [de werkgever] de duur van de arbeidsongeschiktheid is verlengd, laat staan dat kan worden geoordeeld dat [de werkgever] haar re-integratie verplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. Dit is door [de werknemer] ook onvoldoende onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Daarbij is tot slot het volgende van belang.
In haar memorie van grieven voert [de werknemer] aan dat zij volhoudt dat de inspanningen onvoldoende zijn geweest. [de werknemer] stelt, op zichzelf terecht, dat de civiele rechter niet is gebonden aan de vaststellingen van het UWV. Het ligt naar het oordeel van het hof dan wel op de weg van [de werknemer] om concreet aan te wijzen op welke punten het oordeel van het UWV niet klopt en te onderbouwen waarin [de werkgever] tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Zulks geldt te meer nu [de werkgever] de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd en steeds rekening is gehouden met haar beperkingen, in (energetische) belastbaarheid en in uren. Dat [betrokkene] niet met [de werknemer] in gesprek wilde over het plan van aanpak is gemotiveerd weersproken door [de werkgever] en door [de werknemer] ook niet nader onderbouwd. Dat na 9 april 2023 geen re-integratie meer heeft plaatsgevonden bij [de werkgever] sluit aan op de uitkomst van de herbeoordeling van 3 januari 2023 (rapportage arbeidsdeskundige herbeoordeling 9 januari 2023), waarbij is geconcludeerd dat er, rekening houdend met de huidige energetische belastbaarheid en herstelbehoefte, geen andere functies binnen [de werkgever] zijn waarin betrokkene structureel kan re-integreren.
De slotsom luidt dat [de werkgever] geen verwijt treft met betrekking tot haar re-integratieverplichtingen, laat staan een ernstig verwijt. De billijke vergoeding is terecht afgewezen.
Aan bewijslevering komt het hof niet toe. De stellingen waarvan [de werknemer] heeft aangeboden bewijs te leveren, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
Slotsom
Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van [de werknemer] faalt, dat de kantonrechter haar verzoeken terecht heeft afgewezen en dat [de werknemer] terecht is veroordeeld in de proceskosten.
Het hof zal [de werknemer] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de werkgever] zullen vastgesteld worden op:
-
griffierechten € 827 ,-
-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
-
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,-
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.433,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [de werknemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F.M.T. Quaadvliet, M. van der Schoor en B. Kloppert en is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.