Civiel recht overig
art. 5:121 BW / verzoek om vervangende machtiging voor de volledige vervanging van de intercominstallatie /…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 augustus 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2324 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2324
Zaakgegevens
Op 27 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2026
- Datum publicatie
- 27 augustus 2026
- Zaaknummer
- 200.368.332_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.P.M. Smit te Vught, mr. M.E. Wesselingh te Utrecht
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2324
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
art. 5:121 BW / verzoek om vervangende machtiging voor de volledige vervanging van de intercominstallatie / het hof wijst dit verzoek af, omdat in dit geval de toestemming niet zonder redelijke grond is geweigerd / de verzoeken over de bedieningsstokken en de screens zijn prematuur en worden ook afgewezen / appellant wordt veroordeeld in de door de VvE daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 27 augustus 2026
Zaaknummer : 200.368.332/01
Zaaknummer EA : 11854321 \ EJ VERZ 25-389
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. E.P.M. Smit te Vught,
tegen
Vereniging van eigenaars “ [VvE] ”,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de VvE,
advocaat: mr. M.E. Wesselingh te Utrecht,
belanghebbenden: de overige gerechtigden van de 42 appartementsrechten, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte lijst.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het verloop van het geding bij de kantonrechter verwijst het hof naar de beschikking van 29 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, waarbij de kantonrechter de verzoeken van [appellant] heeft afgewezen en hem heeft veroordeeld in de proceskosten van de VvE volgens het liquidatietarief.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit het volgende:
- het beroepschrift met bijlagen (het procesdossier bij de rechtbank);
- het verweerschrift met producties (nr. 17 tot en met 22);
- de op 5 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord [appellant] , bijgestaan door mr. Smit en de heer [bestuurder] (bestuurder) namens de VvE, bijgestaan door mr. Wesselingh;
- de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Smit overgelegde en
voorgelezen spreekaantekeningen;
- de door de griffier van de mondelinge behandeling gemaakte aantekeningen.
3 De beoordeling
De feiten
Het gaat – zakelijk weergegeven – om het volgende.
a. [appellant] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevende tot het uitsluitend gebruik van het appartement gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: het appartement). Het appartement maakt deel uit van het complex [complex] .
De bevoegdheid om besluiten te nemen over wijzigingen aan gemeenschappelijke gedeelten en zaken ligt volgens artikel 22 lid 3 van het splitsingsreglement (opgenomen in de notariële akte van 30 september 2008) uitsluitend bij de algemene ledenvergadering. De intercominstallatie behoort tot het gemeenschappelijke gedeelte.
[appellant] heeft in 2021 de spreekintercom in zijn appartement laten wijzigen naar een spreek-beeld intercom. Dat blijkt uit de e-mail van 11 juni 2025 van [appellant] aan de VvE.
Op 9 maart 2023 heeft een Algemene Ledenvergadering (hierna: ALV) plaatsgevonden waarbij de ALV heeft besloten de gemeenschappelijke intercom installatie niet te vervangen. In de notulen van die ALV staat onder meer:
“Vervanging van de bel/intercom systeem. Volgens de leverancier heeft de installatie zijn technische levensduur er op zitten en niet meer te repareren bij storingen daar onderdelen niet meer verkrijgbaar. Het voorstel tot preventieve vervanging daar anders minimaal 10 weken doorlooptijd met betrekking tot vervanging. De totale kosten worden geraamd op euro 27.000,= (prijspeil 2022).
Optie A: niets doen, indien vervanging aan de orde dan ca. 10 weken niet bereikbaar.
Optie B: vervangen, kosten euro 27.000,= prijspeil 2022
Optie C: deel vervanging en onderdelen opslaan voor de niet vervangen zaken (kosten ca. euro 13.500,= prijspeil 2022)
Vanaf 2010 is euro 850,= per jaar gespaard, totaal euro 11.050,=
(…)
Naar aanleiding van de toelichting op de voorstellen:
Intercom:
o Bestuur: intercom levensduur zit erop echter nu geen klachten inzake de installatie. Echter de huisinstallateur van de VvE ( [huisinstallateur] ) aangeeft dat onderdelen niet meer te leveren zijn. Indien problemen met de installatie dan uitval van ca. 10 weken vanwege bestellen en aanbrengen van een nieuwe installatie. Voormelde stelling dat zaken niet meer leverbaar zijn wordt bestreden door enkele eigenaren. De firma [firma] heeft aan de heer [betrokkene 1] aangegeven de onderdelen nog wel te kunnen leveren.
Stemming/besluit: ledenvergadering besluit tot optie A: niets doen.”
Voorafgaand aan de ALV van 7 mei 2025 heeft [appellant] agendapunten ingebracht. Daarin heeft [appellant] onder meer laten weten dat de vergadering een besluit moet nemen voor extra posten in het MJOP (hierna: meerjarenonderhoudsplan) waaronder een post voor de screens in de kozijnen en dat de intercominstallatie in zijn appartement niet werkt en dat de vergadering een besluit moet nemen tot volledig herstel of vernieuwing door een erkend bedrijf. Het bestuur heeft de door [appellant] genoemde punten vooraf voorzien van schriftelijke opmerkingen. Het bestuur heeft in reactie op voormelde punten toegelicht dat het MJOP niet op de agenda staat, maar dat wel getoetst moet worden of de genoemde posten toegevoegd moeten worden aan het MJOP, en dat de vergadering op 9 maart 2023 heeft besloten niet tot algehele vervanging van de intercominstallatie over te gaan. De vervanging van de gehele intercominstallatie is niet in stemming gebracht en ook niet besproken. In de notulen van die ALV staat onder meer:
“11 Meerjarenonderhoudsplanning
Agendapunt in een extra ledenvergadering in het late najaar (november 2025). Daar komt dan aan de orde vaststelling MJOP en begroting 2026.
Bestuur heeft nog geen tijd gehad om dit te beoordelen. Het verzoek aan eigenaren die daar adviezen in hebben dat zij zich melden bij de voorzitter van het bestuur via [e-mailadres] .
Actiepunt: Kritisch toetsen van het nieuwe MJOP op de noodzaak van voorgestelde vervangingen en aanpassingen.
Actiepunt: Tijdig melden aan de leden datum extra ledenvergadering in late najaar
(…)
17 Bestuursmededelingen
Agenda:
(…)
4. Storingen en klachten kunnen dagelijks gemeld worden aan het bestuur of [bedrijf] , deze zijn geen onderwerp voor een ALV.
(…)
Bestuur heeft onderzoek gedaan naar de intercom-installatie. Het blijkt dat de kosten voor het standaard type spreek-luisterverbinding, zonder beeldscherm, voor rekening van de VvE zijn. Indien het toestel kapot is, zal de VvE zorgen voor een monteur om het probleem op te lossen. Kosten voor een defect beeldscherm zijn voor de eigenaar zelf, aangezien dit een extra optie is.
Eigenaren dienen klachten per e-mail aan te melden indien aan de orde m.b.t. spreek-luistergedeelte.
(…)
Actiepunt: Repareren van de kapotte intercom-installatie/spreek- luisterverbinding door een monteur (bij [appellant] )”
[appellant] heeft daarna meerdere malen per e-mail contact gehad met (het bestuur van) de VvE over de problemen die hij ondervond met zijn intercominstallatie. In de e-mail van 11 juni 2025 heeft [appellant] aan de VvE geschreven dat door [huisinstallateur] in 2021 een nieuwe spreek-luisterverbinding met beeld in zijn woning is aangebracht. In de opvolgende e-mail heeft het bestuur aangegeven bereid te zijn storingen aan de oorspronkelijke spreek-luister verbinding van de intercominstallatie voor rekening van de VvE te zullen verhelpen maar dat een later aangebrachte upgrade van de standaard VvE voorziening voor eigen rekening en risico is.
In augustus 2025 heeft het bestuur een nieuwsbrief gestuurd. Daarin staat onder andere vermeld dat eigenaren via de technische ondersteuning van de VvE voor eigen rekening een nieuwe slingerstok om de screens te bedienen en/of andere losse onderdelen kunnen bestellen.
Voorafgaand aan de ALV van 20 november 2025 heeft [appellant] een e-mail gestuurd waarin hij nogmaals heeft aangegeven dat de intercominstallatie geheel vervangen moet worden.
De verzoeken van [appellant] bij de kantonrechter
Bij verzoekschrift heeft [appellant] de kantonrechter – samengevat en voor zover relevant in hoger beroep – verzocht een vervangende voorziening te bepalen voor a) het laten leveren en plaatsen van een nieuwe intercominstallatie voor rekening van de VvE en voor b) het leveren en betalen van bedieningsstokken voor de in de buitenkozijnen en ventilatiesystemen ingebouwde screens tijdens de bouw door de VvE. [appellant] heeft daarnaast de kantonrechter verzocht om te bepalen dat de ingebouwde screens onderdeel zijn van de gemeenschappelijke zaken en dus in het MJOP opgenomen moeten worden.
De VvE heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de VvE de medewerking aan het vervangen van de intercominstallatie zonder redelijke grond heeft geweigerd. Ten aanzien van de bedieningsstokken heeft de kantonrechter overwogen dat de ALV (nog) geen besluit hierover heeft genomen en dat een verzoek om vervangende toestemming te verlenen om die reden prematuur is. Daarom heeft de kantonrechter in het midden gelaten of de kozijnen, screens en toebehoren (waaronder de bedieningsstokken) wel of niet gemeenschappelijk zijn en beslist tot afwijzing van dit deel van het verzoek. De door [appellant] verzochte verklaring (voor recht, zo de kantonrechter begrijpt) dat de ingebouwde screens onderdeel zijn van de gemeenschappelijke zaken en dus in het MJOP opgenomen moeten worden, heeft de kantonrechter ook afgewezen. Volgens de kantonrechter heeft [appellant] niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom deze verklaring moet worden afgegeven dan wel welk belang [appellant] bij dit verzoek op zichzelf heeft.
Het hoger beroep
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd, waarmee hij de zaak in volle omvang aan het hof wil voorleggen. [appellant] heeft het hof – kort weergegeven – verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en om alsnog zijn verzoeken aan de kantonrechter toe te wijzen (zie hiervoor onder 3.2.).
De VvE heeft in hoger beroep verweer gevoerd. Het hof zal daarop ingaan voor zover dat voor de beoordeling in hoger beroep van belang is.
De grieven van [appellant] slagen niet. Dat oordeel baseert het hof op het volgende.
De grieven 1, 2 en 3 richten zich tegen de afwijzing door de kantonrechter van de verzoeken van [appellant] tot vervangende machtiging op grond van artikel 5:121 lid 1 BW.
Deze verzoeken en de afwijzing daarvan moeten worden bezien in het volgende juridisch kader.
Artikel 5:121 BW bepaalt onder meer dat in het geval een appartementseigenaar voor het verrichten van een bepaalde handeling medewerking of toestemming nodig heeft van de ALV van de vereniging van eigenaars, die medewerking of toestemming vervangen kan worden door een machtiging van de kantonrechter.
De noodzaak van medewerking of toestemming kan zijn basis vinden in de wet, het splitsingsreglement of een besluit als bedoeld in artikel 5:128 BW.
De kantonrechter verleent een vervangende machtiging als de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd of degene die haar moet geven zich niet verklaart (artikel 5:121 lid 1 BW).
Het verzoek kan slechts worden toegewezen als de medewerking of toestemming ‘zonder redelijke grond’ wordt geweigerd of als degene die de toestemming moet geven zich niet verklaart. Daarbij gaat het er niet om of verzoeker de houding van de wederpartij kan uitleggen als het zonder redelijke grond weigeren van medewerking, maar of de rechter van oordeel is dat van een weigering zonder redelijke grond sprake is. Zie HR 30 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2759, NJ 1999/83, rov. 3.4. Artikel 5:121 lid 1 BW kan worden beschouwd als een bijzondere uitwerking van het beginsel dat de verhouding tussen de appartementseigenaars onderling en tussen de eigenaars en de VvE wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Dit beginsel brengt mee dat de voor het verrichten van bepaalde handelingen vereiste medewerking of toestemming niet zonder redelijke grond kan worden geweigerd. Het gaat daarbij om een volledige toetsing door de rechter en niet om een beperkte, marginale toetsing. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden worden afgewogen. Dat betekent dat de belangen van verzoeker mede bepalen of sprake is van een weigering zonder redelijke grond en moeten worden afgezet tegen de gronden van de VvE om toestemming te weigeren.
De grieven 1 en 2
[appellant] komt met de grieven 1 en 2 op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.6. dat de VvE niet zonder redelijke grond medewerking heeft geweigerd aan het vervangen van de intercominstallatie van het complex en de daaropvolgende afwijzing van het verzoek van [appellant] tot het verstrekken van een vervangende machtiging voor de vervanging van de volledige intercominstallatie in het appartementencomplex.
[appellant] stelt zich in grief 1 – kort weergegeven – op het standpunt dat de kantonrechter onvoldoende zelfstandig zou hebben beoordeeld of het handhaven van de weigering tot volledige vervanging van de intercominstallatie als besloten op de vergadering van 9 maart 2023, gelet op de huidige omstandigheden, nog gerechtvaardigd zou zijn. Volgens [appellant] had de beoordeling zich niet mogen beperken tot het bestaan van een eerder genomen besluit, maar had moeten zien op de vraag of het in stand laten van dat besluit, in het licht van de technische staat van de installatie en de belangen van [appellant] , nog redelijk is.
Grief 2 richt zich ook tegen rechtsoverweging 4.6. Volgens [appellant] heeft de intercominstallatie het einde van haar technische levensduur bereikt en bestaat bij storingen onzekerheid over de beschikbaarheid van onderdelen, met mogelijk langdurige uitval tot gevolg. [appellant] is van mening dat de technische situatie centraal had moeten staan bij de
beoordeling van de vraag of vervanging wenselijk is. Het enkele feit dat de installatie nog niet volledig is uitgevallen, rechtvaardigt volgens [appellant] niet dat vervanging wordt uitgesteld wanneer vaststaat dat de levensduur is verstreken en de betrouwbaarheid afneemt.
Het hof zal beide grieven gezamenlijk behandelen.
Het hof geeft geen vervangende toestemming voor de vervanging van de intercominstallatie
Tijdens de ALV van 9 maart 2023 heeft de ALV met betrekking tot de intercominstallatie in het complex het besluit genomen om niets te doen, wat in dit concrete geval inhoudt dat de intercominstallatie in het appartementencomplex (nog) niet wordt vervangen.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of de VvE door tot op heden aan dat besluit vast te houden, zonder redelijke grond haar medewerking aan de vervanging van de intercominstallatie heeft geweigerd/weigert. Naar het oordeel van het hof moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Het ligt op de weg van [appellant] om voldoende feiten te stellen die kunnen leiden tot de conclusie dat voormeld besluit van de ALV om geen medewerking te verlenen aan de vervanging van de intercominstallatie van het complex en het vervolgens handhaven van dat besluit zonder redelijke grond is. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet aan die stelplicht heeft voldaan.
Hiertoe is het volgende van belang. [appellant] verwijst in algemene bewoordingen naar ‘de technische staat van de installatie’. Hij onderbouwt echter niet concreet waarom die technische staat, zowel in 2023 als vandaag de dag, ertoe zou moeten leiden dat tot vervanging van de gehele intercominstallatie in het complex moet worden overgegaan. De enkele omstandigheid dat de intercominstallatie technisch gesproken haar levensduur erop heeft zitten, zoals [appellant] heeft aangevoerd, is daartoe niet voldoende. Een technische rapportage van een deskundige met betrekking tot de staat van de intercominstallatie waaruit volgt dat en waarom het voor de VvE en de individuele appartementseigenaren niet verantwoord zou zijn nog langer gebruik te maken van de huidige intercominstallatie, is door hem niet ingebracht. Bij gebreke daarvan is de omstandigheid dat [appellant] persoonlijk in het verleden en ook heden mogelijk storingen heeft ondervonden/ondervindt, op zichzelf en zonder meer onvoldoende rechtvaardiging voor de conclusie dat dus de intercominstallatie in het hele complex nu reeds moet worden vervangen, met alle kosten van dien, en dat niet de toekomstige ontwikkelingen kunnen worden afgewacht. Daarbij komt dat op basis van hetgeen partijen in dit geding over en weer hebben aangevoerd reëel rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de storingen die [appellant] stelt te ondervinden, samenhangen met zijn keuze om in zijn privédeel een intercom met beeld aan te brengen. Volgens de VvE is [appellant] – voor zover bij haar bekend – de enige eigenaar binnen het complex die problemen met de intercominstallatie ervaart. [appellant] heeft niet aangevoerd of onderbouwd dat dit anders is.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de ALV niet zonder redelijke grond medewerking heeft geweigerd/weigert aan de vervanging van de intercominstallatie in het gehele appartementencomplex. De kantonrechter heeft daarom op goede gronden het door [appellant] gedane verzoek tot vervangende toestemming afgewezen. Grieven 1 en 2 slagen niet.
Het hof wijst het verzoek over de bedieningsstokken af
[appellant] komt met grief 3 op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.8. waarin is overwogen dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat het punt over de bedieningsstokken (op gemeenschappelijke kosten) is ingebracht voor een ALV en dat daar een besluit op is genomen.
[appellant] stelt zich in grief 3 op het standpunt dat hij het onderwerp ‘bedieningsstokken’ wel aan de orde heeft gesteld, maar dat dit niet heeft geleid tot een inhoudelijke behandeling of besluitvorming. Volgens [appellant] kan in die situatie niet zonder meer worden aangenomen dat geen sprake is van een weigering. Het feit dat het verzoek mogelijk niet als zodanig is herkend of behandeld, komt volgens [appellant] voor rekening van de VvE.
Grief 3 slaagt niet. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het is aan [appellant] om voldoende feiten te stellen die kunnen leiden tot de conclusie dat de ALV zonder redelijke grond haar medewerking heeft geweigerd aan het op kosten van de VvE leveren van de bedieningsstokken voor de buitenkozijnen. Hij heeft niet voldaan aan die stelplicht. [appellant] heeft op geen enkele manier concreet onderbouwd en toegelicht hoe en wanneer hij het onderwerp ‘bedieningsstokken’ aan de orde zou hebben gesteld tijdens een ALV met het verzoek aan de ALV om daarover een besluit te nemen, ook niet na specifiek daarop gerichte vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling. Het had op de weg gelegen van [appellant] om concreet aan te wijzen waar in welk stuk, gericht aan de ALV, hij voor dit punt aandacht heeft gevraagd en heeft verzocht het te agenderen. Dat heeft [appellant] nagelaten. Van een besluit van de ALV tot weigering van de medewerking aan het leveren en betalen van de bedieningsstokken door de VvE blijkt in het geheel niet. Het enkele feit dat [appellant] mogelijk tijdens een ALV de bedieningsstokken aan de orde heeft gesteld betekent, zonder nadere toelichting – die ontbreekt – nog niet dat de ALV al een besluit op dit punt heeft genomen of geweigerd zou hebben op dit punt te beslissen. Een verzoek tot machtiging ex artikel 5:121 BW op dit punt kan pas aan de orde zijn als door de ALV een besluit is genomen dat strekt tot weigering of als de VvE zich niet verklaart. De vordering van [appellant] is prematuur en wordt afgewezen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 3 niet slaagt.
Het hof wijst het verzoek over de screens / het MJOP af
[appellant] betoogt met grief 4 dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een verklaring voor recht dat de screens onderdeel zijn van de gemeenschappelijke zaken heeft afgewezen, omdat [appellant] zijn belang daarbij onvoldoende zou hebben onderbouwd. Volgens [appellant] heeft de kwalificatie van de screens als gemeenschappelijk of privé echter directe gevolgen voor onderhoud, kostenverdeling en opname in het MJOP en is daarmee het belang van [appellant] bij deze verklaring evident.
Grief 4 slaagt niet. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Nog daargelaten de vraag of een verzoek om een verklaring voor recht mogelijk is in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige, heeft [appellant] onvoldoende gesteld en zijn stellingen niet concreet onderbouwd. [appellant] heeft in het geheel niet onderbouwd op grond waarvan de screens gemeenschappelijk zijn. Daarnaast blijkt uit niets, althans [appellant] heeft dat onvoldoende duidelijk gemaakt, dat in de ALV al over dit onderwerp is gesproken en dat de ALV zou hebben besloten dat de screens niet als gemeenschappelijk zouden moeten worden beschouwd of zich niet zou hebben willen verklaren op dit punt. Ook deze vordering van [appellant] is daarom prematuur en wordt afgewezen.
De VvE heeft het hof verzocht bij het bepalen van de proceskostenveroordeling uitdrukkelijk rekening te houden met de door de VvE geschetste omstandigheden en procesgeschiedenis. De VvE is van mening dat het door [appellant] ingestelde onderhavige hoger beroep kwalificeert als misbruik van recht. De VvE heeft het hof dan ook verzocht om [appellant] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van de VvE in hoger beroep of om een verdubbeling van de punten bij een proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief.
[appellant] heeft betwist dat grond bestaat voor een veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten. In dat verband heeft hij bestreden dat hij misbruik maakt van recht. Ook heeft hij gewezen op het grote belang van het hebben van toegang tot de rechter om geschillen te laten beslechten.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
De vordering tot vergoeding van alle door de VvE in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten, is slechts toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Zie onder meer HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353; HR 6 april 2012, LJN BV7828, NJ 2012/233.
Het hof zal, met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, [appellant] veroordelen in de door de VvE daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Het hof overweegt daartoe dat [appellant] zijn verzoeken in dit geding heeft gebaseerd op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, mede gelet op de daartoe door [appellant] gepresenteerde onderbouwing. Daartoe wijst het hof op het volgende:
-
Het al dan niet vervangen van de intercominstallatie, zoals eerder door [appellant] verzocht aan het bestuur van de VvE, is door het bestuur geagendeerd voor de algemene vergadering van 9 maart 2023. Tijdens die vergadering zijn diverse argumenten gewisseld waarna door de algemene vergadering is besloten om voorlopig nog niet tot vervanging over te gaan omdat de intercominstallatie nog naar behoren functioneerde en vervanging daarom door de algemene vergadering niet nodig werd geoordeeld. [appellant] baseert zijn verzoek tot machtiging voor het vervangen van de intercominstallatie op de verstreken levensduur van de intercominstallatie en de problemen die hij stelt te ondervinden met de aansluiting van het privégedeelte van de intercom op de algemene intercominstallatie. Zoals hiervoor al is overwogen, onderbouwt [appellant] de gestelde noodzaak van vervanging niet met een rapport van een deskundige waaruit volgt dat en waarom voortgaand gebruik van de algemene intercominstallatie, gezien haar levensduur, onverantwoord zou zijn, terwijl hij ook geen nadere onderbouwing heeft gepresenteerd van de door hem gestelde problemen met zijn privégedeelte van de intercominstallatie. In het licht van het geldende toetsingskader van artikel 5:121 BW had [appellant] naar het oordeel van het hof op voorhand behoren te beseffen dat zijn verzoek op dit punt zodoende geen reële kans van slagen had.
-
Dat geldt ook voor de verzoeken van [appellant] in de onderhavige procedure ten aanzien van de bedieningsstokken en de screens. Het hof heeft daarover hiervoor overwogen dat en waarom deze verzoeken prematuur zijn. Dezelfde feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het oordeel van het hof dat de verzoeken prematuur zijn, brengen naar het oordeel van het hof tevens mee dat [appellant] kon weten dan wel redelijkerwijs moest begrijpen dat hij de verzoeken prematuur indiende. [appellant] kon dus ook weten c.q. moest redelijkerwijs begrijpen dat zijn verzoeken dienaangaande in dit geding op voorhand geen kans van slagen hadden, terwijl hij met die verzoeken de VvE wel in de positie bracht dat deze zich daartegen in rechte diende te verweren, met alle negatieve (onder meer: financiële) gevolgen daarvan voor de VvE.
-
De onderhavige procedure betreft de tweede door [appellant] gestarte procedure tegen de VvE sinds hij in 2020 in het appartementencomplex van de VvE [VvE] is komen wonen. In beide procedures tegen de VvE is [appellant] , tot en met het hoger beroep, in het ongelijk gesteld. In beide procedures is onder meer geoordeeld dat een aantal verzoeken van [appellant] prematuur waren. In de (eerste) procedure die geleid heeft tot de beschikking van de kantonrechter van 11 februari 2021 is verder onder meer geoordeeld dat [appellant] misbruik van procesrecht maakte en dat daarom een veroordeling in de volledige proceskosten aangewezen was, omdat over het in die procedure aan de orde zijnde punt (dat de wens van [appellant] tot het plaatsen van een airco-unit betrof) door het bestuur dan wel de VvE daarover nog geen definitief besluit was genomen, waarbij het hem duidelijk had behoren te zijn dat het bestuur c.q. de VvE in afwachting waren van de uitkomsten van een nader onderzoek, een en ander zoals omschreven in rechtsoverweging 4.9 van de betreffende beschikking. Deze aldus als misbruik van procesrecht gekwalificeerde handelwijze van [appellant] vertoont zodoende zeer sterke gelijkenissen met diens handelwijze ten aanzien van de kwesties die in het onderhavige geding aan de orde zijn.
-
In beide procedures is de VvE door toedoen van [appellant] onnodig op kosten gejaagd. De financiële last van de proceskosten is door alle procedures die [appellant] begint aanzienlijk geworden (ruim € 18.000,00 aan advocaatkosten, zo heeft de VvE tijdens zitting bij het hof onweersproken aangevoerd). [appellant] laat zich kennelijk echter niets aan het belang van de VvE op dit punt gelegen liggen.
-
Inmiddels is er, lopende de onderhavige procedure, bovendien een derde procedure tegen de VvE aanhangig gemaakt door [appellant] bij de kantonrechter, waarin binnenkort uitspraak zal worden gedaan.
-
[appellant] , zo leidt het hof af uit zijn uitlatingen ter zitting bij het hof, heeft met name grote moeite met de manier waarop de VvE omgaat met de invulling van het Meerjarenonderhoudsplan (MJOP). Het heeft er alle schijn van dat [appellant] de mogelijkheid van het voeren van de diverse procedures, waaronder de onderhavige, aangrijpt en in ieder geval (groten)deels misbruikt om, op oneigenlijke wijze, druk uit te oefenen op de VvE/het bestuur van de VvE om dezen ertoe te bewegen het MJOP aan te passen in de door hem voorgestane wijze, waarbij hij conflicten suggereert, creëert en in stand houdt.
- Illustratief voor de manier waarop [appellant] zelf conflicten creëert en in stand houdt en een oplossing van problemen tegenhoudt, acht het hof de manier waarop hij zich heeft opgesteld met betrekking tot het verhelpen door de VvE van de storing van de intercominstallatie in het appartement van [appellant] . De VvE heeft ter zitting van het hof overtuigend toegelicht dat [appellant] zelf reparatie van het mankement aan zijn intercominstallatie afhield en dat, toen een lid van de technische commissie van de VvE (ene [betrokkene 2] ) bij hem was in verband met een probleem met een slot, [appellant] niet aan [betrokkene 2] gevraagd heeft om meteen even te kijken naar het probleem met de intercom, terwijl het probleem met de intercom toen naar eigen zeggen van [appellant] al wel speelde. [appellant] heeft deze toelichting niet gemotiveerd bestreden, ook niet in reactie op hierop gerichte vragen van het hof ter zitting. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat [appellant] wel het vertonen van gebreken aan de intercominstallatie in zijn appartement in de onderhavige procedure gebruikt als argument om zijn standpunt te onderbouwen.
Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat grond bestaat voor een veroordeling van [appellant] in de daadwerkelijke proceskosten van de VvE. Die daadwerkelijke kosten bedragen volgens de VvE (zie productie 22 VvE) € 6.699,53 aan advocaatkosten. [appellant] heeft dat bedrag inhoudelijk niet bestreden. Het hof zal daarom het door [appellant] aan proceskosten aan de VvE te betalen bedrag bepalen op € 6.699,53, te vermeerderen met het griffierecht dat de VvE heeft betaald (€ 851,00) (totaal € 7.550,53).
Tot slot nog het volgende. Het hof heeft aan de overgelegde correspondentie tussen partijen en de uitlatingen van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling de sterke indruk overgehouden dat [appellant] tegenover het bestuur van de VvE en zijn mede-appartementseigenaren niet de constructieve houding aan de dag legt die van hem redelijkerwijs zou mogen worden verwacht, mede in het licht van de omstandigheid dat een VvE en de wijze waarop daarbinnen besluitvorming plaatsvindt in zekere zin moet worden gezien als een democratie in het klein. Zo’n democratie in het klein kan slechts functioneren als de deelnemers daaraan zich niet alleen houden aan de geschreven regels, zoals opgenomen in statuten en dergelijke, maar ook aan bepaalde ongeschreven regels. Tot die laatste categorie behoren naar het oordeel van het hof regels die van de betrokkenen bij de VvE over en weer een in beginsel welwillende en constructieve houding verlangen. Het hof geeft [appellant] daarom in overweging om, zowel in zijn eigen belang als dat van de VvE, een meer constructieve houding, gericht op dialoog en niet op per se “gelijk krijgen”, aan te nemen, en bij zijn opstelling ook te betrekken de, in het licht van wat het hof uit de overgelegde stukken is gebleken, invoelbare uitlatingen van de voorzitter van de VvE en enkele mede-appartementseigenaren ter zitting van het hof. Daaruit heeft het hof begrepen dat de ontstane situatie en de houding van [appellant] een zware wissel trekt op de sfeer in het appartementencomplex, het woongenot en de gemoedstoestand van de mede-appartementseigenaren in het algemeen en van de bestuurders van de VvE in het bijzonder.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de VvE vastgesteld op € 7.550,53,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW daarover vanaf 14 dagen na heden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.I.M.W. Bartelds, B.E.L.J.C. Verbunt en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.