Personen- en familierecht

Tussenuitspraak Zie ECLI:NL:GHSHE:2019:1959 (einduitspraak)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 januari 2018

Zaakgegevens

Op 4 januari 2018 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 januari 2018
Datum publicatie
4 januari 2018
Zaaknummer
200.207.729_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. L van Dinter, mr. R.J.S. Houtackers
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2018:32
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenuitspraak

Zie ECLI:NL:GHSHE:2019:1959 (einduitspraak)

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 januari 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2018:32

  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 mei 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:1959

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 januari 2018

Zaaknummer: 200.207.729/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/294193 / FA RK 15-2813-2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. L. van Dinter,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. R.J.S. Houtackers.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

? de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2017, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

  • het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen;

  • de volgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen:
    de kinderen verblijven ieder weekend in de even weken en om het weekend in de oneven weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school bij [verweerster] en de overige tijd bij [appellante] ;

kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2017, heeft [verweerster] verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [appellante] in hoger beroep af te wijzen.

[verweerster] heeft in incidenteel appel – enkel voor zover van belang om te komen tot een afwijzing van het verzoek van [appellante] in hoger beroep – verzocht, anders dan de rechtbank het gestelde in het faxbericht van 6 september 2016 van de advocaat van [verweerster] aan de rechtbank wel in de overwegingen te betrekken.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 14 april 2017, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

  • het verzoek van [verweerster] in incidenteel appel af te wijzen en het faxbericht van 6 september 2016 niet in de overwegingen te betrekken;

  • het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen;

  • de volgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen:
    de kinderen verblijven ieder weekend in de even weken en om het weekend in de oneven weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school bij [verweerster] en de overige tijd bij [appellante] ;
    in onderling overleg met een compensatie tijdens de vrije dagen, niet zijnde vakanties;

kosten rechtens.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • [appellante] , bijgestaan door mr. Van Dinter;

  • [verweerster] , bijgestaan door mr. Houtackers;

  • de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 23 november 2017;

  • het V-formulier met brief met bijlagen van de advocaat van [verweerster] d.d. 24 november 2017.

Het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 23 november 2017 en het V-formulier met brief met bijlagen van de advocaat van [verweerster] d.d. 24 november 2017 zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. Het hof heeft beslist dat deze stukken worden toegelaten.

Na de mondelinge behandeling zijn op verzoek van het hof nog ingekomen:

  • de brief met bijlagen van de GI d.d. 1 december 2017;

  • het V-formulier met brief met bijgevoegd een deel van het procesdossier eerste aanleg van de advocaat van [appellante] d.d. 4 december 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen zijn op 7 december 2004 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

  • [minderjarige 1] op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ),

  • [minderjarige 2] op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ),

  • [minderjarige 3] op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 3] ).

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

[appellante] heeft de Belgische nationaliteit en [verweerster] heeft de Nederlandse nationaliteit. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en, naar het hof aanneemt, ook de Belgische nationaliteit.

De kinderen staan sinds 16 april 2015 onder toezicht van de GI.

3.2.

Bij beschikking van 18 maart 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 juli 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover hier van belang, de beslissing over het hoofdverblijf en de contactregeling aangehouden met verzoek aan de GI om de rapportage van Formaat in het geding te brengen.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2016, bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 21 juli 2016, is aan de GI machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen. Op 26 juli 2016 zijn de kinderen in [instelling] te [plaats] geplaatst.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:

  • onder instandhouding van de machtiging uithuisplaatsing het hoofdverblijf van de kinderen bij [verweerster] bepaald;

  • bepaald dat [appellante] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht heeft op contact met de kinderen op de wijze en met de frequentie als door de GI aan te geven;

  • het meer of anders verzochte afgewezen.

3.5.

[appellante] kan zich met deze beschikking niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert in haar beroepschrift het volgende aan.

Ten onrechte is door de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij [verweerster] bepaald. Er is tot op heden nimmer een Formaat/NIFP-onderzoek gedaan naar de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang van de kinderen is met het oog op hun ontwikkelingsperspectieven in de breedste zin van het woord. [appellante] heeft nimmer geweigerd hier haar medewerking aan te verlenen. Uit diverse verslagen blijkt wel dat de kinderen, die zelf aangeven bij [appellante] te willen wonen, beter af zijn bij [appellante] dan bij [verweerster] . Alle omstandigheden om goed voor de kinderen te kunnen zorgen, zijn bij [appellante] aanwezig. Over de situatie bij [verweerster] daarentegen maken diverse personen zich zorgen. Zij is momenteel overbelast en het vermogen om de kinderen een stabiele thuissituatie te bieden, staat onder hoge druk. Sinds de kinderen bij haar verblijven is hun ontwikkeling gestagneerd.

[appellante] wenst ten aanzien van de zorgregeling dat er tussen partijen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt overeengekomen, die aan de situatie recht doet. De wijze en frequentie van het contact kan niet aan de GI worden overgelaten. Zodra de ondertoezichtstelling wordt beëindigd, is er immers geen regeling meer vastgelegd.

3.6.

[verweerster] voert in haar verweerschrift/incidenteel appel het volgende aan.

Het beroepschrift van [appellante] voldoet niet aan de minimale vereisten. Zo ontbreekt een productie-overzicht, worden talloze producties overgelegd zonder dat duidelijk is op welke daarvan een beroep wordt gedaan en zijn niet alle stukken overgelegd. Ook wordt er in het beroepschrift ten onrechte niet ingegaan op de gronden die door de rechtbank zijn aangevoerd. Reeds hierom dient het verzoek van [appellante] te worden afgewezen.

Het is aan [appellante] zelf te wijten dat er geen Formaat/NIFP-onderzoek is geweest. Zij heeft aan haar medewerking aan een dergelijk onderzoek voorwaarden verbonden, waardoor het onderzoek niet van de grond is gekomen.

De beslissing van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen biedt rust. Het is in het belang van de kinderen dat zij vanuit [instelling] weer terug gaan naar [verweerster] . De kinderen zijn daar “geworteld” en hebben daar hun “roots”. De kinderen wonen er al sinds hun geboorte, gaan er naar school en de (financiering van de) hulpverlening rondom de kinderen is daar (door [verweerster] ) geregeld. Ten aanzien van de hulpverlening is afgesproken, dat deze direct weer wordt opgepakt zodra duidelijk is dat de kinderen terug gaan naar [verweerster] .

[verweerster] betwist dat [appellante] , die [verweerster] diskwalificeert als ouder, beter voor de kinderen kan zorgen. Aan de pedagogische kwaliteiten van [verweerster] hoeft niet te worden getwijfeld. De kinderen zijn dan ook niet uit huis geplaatst vanwege de pedagogische situatie bij [verweerster] , maar omdat er constant incidenten werden opgeworpen, er geen onderzoek mogelijk was en er dus geen plan van aanpak kwam en schriftelijke aanwijzingen van de GI door [appellante] werden genegeerd. Er kwam geen zicht op de noodzakelijk behandeling van de (spraak- en taalachterstand van de) zeer kwetsbare kinderen.

Om geen vertraging op te lopen met de thuisplaatsing van de kinderen dient te worden voorkomen dat hun behandeling wordt doorkruist. De rechtbank heeft met het oog daarop terecht bepaald dat [appellante] zich ten aanzien van het contact met de kinderen dient te houden aan de schriftelijke aanwijzing van de GI.

[verweerster] is het niet eens met het feit dat de rechtbank in de bestreden beschikking oordeelt dat het faxbericht van haar advocaat van 6 september 2016 tardief zou zijn en buiten beschouwing moet worden gelaten. Enkel voor zover vereist om te komen tot afwijzing van het hoger beroep van [appellante] en derhalve nodig voor het verweer van [verweerster] , komt [verweerster] in incidenteel appel van deze beslissing van de rechtbank.

3.7.

[appellante] voert in haar verweerschrift in incidenteel appel het volgende aan..

[appellante] verzoekt [verweerster] niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appel, nu het petitum volstrekt onduidelijk is. [appellante] kan niet opmaken wat [verweerster] in hoger beroep verzoekt ten aanzien van het incidenteel appel en wat derhalve de omvang van de rechtsstrijd in incidenteel appel is.

3.8.

De GI heeft ter zitting bij het hof het volgende naar voren gebracht.

De kinderen verblijven nog altijd bij [instelling] . [instelling] heeft aangegeven dat het niet in het belang van de kinderen is dat zij nog langer bij [instelling] verblijven. Het advies vanuit [instelling] is om hen voor de kerstvakantie terug te plaatsen en het ouderschap gelijkwaardig (50-50) te verdelen. Beide ouders hebben zich bij [instelling] bereid verklaard hieraan te willen meewerken.

De GI sluit zich in het belang van de kinderen aan bij het advies van [instelling] .

Er zullen door mediationgesprekken afspraken tussen de ouders moeten worden gemaakt. Het mediationtraject is thans echter onderbroken voor onbepaalde tijd omdat er hulpverlening bij de ouders moet worden ingezet.

Om te bewerkstelligen dat de kinderen toch voor de kerstvakantie terug kunnen worden geplaatst, zullen er voor nu tijdelijke afspraken moeten worden gemaakt. De GI wil hiervoor een gesprek met de mediator plannen.

Als het hof ter zake van het verblijf van de kinderen nu geen beslissing neemt, dan zal de GI aan de ouders een schriftelijke aanwijzing geven, waarin wordt bepaald dat de kinderen voorlopig week op week af bij de ene en de andere ouder zullen verblijven.

Later kunnen in het mediationtraject tussen de ouders nadere afspraken worden gemaakt over de praktische invulling.

3.9.

[appellante] heeft ter zitting bij het hof onder meer het volgende naar voren gebracht.

[appellante] is meegezogen in een strijd die niet in het belang van de kinderen is. Voor hen is het belangrijk dat er een gelijkwaardig ouderschap komt. [appellante] zou daarom inmiddels graag zien dat de kinderen de ene week bij haar en de andere week bij [verweerster] verblijven, met het wisselmoment op maandag. [appellante] wenst haar verzoek in hoger beroep ook in die zin aan te passen. Nu [appellante] een woning heeft geaccepteerd in [woonplaats] in de directe nabijheid van [verweerster] levert de reisafstand geen belemmering meer op voor een co-ouderschapsregeling.

Omdat [verweerster] blijft hangen in de strijd en het belang van gelijkwaardig ouderschap niet lijkt te kunnen onderschrijven, verzoekt [appellante] het hoofdverblijf van de kinderen (voorlopig) bij haar te bepalen. Er kan dan rust worden gecreëerd. Vanuit het hoofdverblijf bij [appellante] kan de ingezette mediation worden voortgezet.

[appellante] wil niet langer meegaan in de strijd. Als het aan haar ligt, worden de lopende beklagprocedures ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering dan ook ingetrokken. [appellante] zal met haar advocaat bespreken of dit kan worden bewerkstelligd.

3.10.

[verweerster] heeft ter zitting bij het hof onder meer het volgende naar voren gebracht. Kijkend vanuit het belang van de kinderen heeft [instelling] het advies voor gelijkwaardig ouderschap gegeven. Door [verweerster] is toen al gezegd dat hier bij de ouders wel draagvlak voor moet zijn.

Het doel van [verweerster] is om uiteindelijk te komen tot een regeling die recht doet aan de belangen van de kinderen. Ze zou graag zien dat partijen door mediation tot een blijvende zorgregeling komen. [verweerster] heeft vertrouwen in de mediator. [verweerster] is gediagnosticeerd met PTSS. Hiervoor is zij in behandeling. Zij heeft bij haar psycholoog aangegeven dat ze er alles aan wil doen om de communicatie met [appellante] te verbeteren. Er zal immers altijd communicatie tussen hen nodig zijn over de kinderen. Om het mediationtraject te kunnen ingaan, dient [verweerster] eerst een versnelde behandeling te volgen. Haar PTSS belemmert haar echter niet in haar ouderschap.

Voor nu verzoekt [verweerster] om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week van vrijdag (en eventueel vanaf donderdag) tot maandag voor of na school bij [appellante] verblijven. Meer is voor [verweerster] op dit moment niet haalbaar. [appellante] zegt wel te willen gaan voor gelijkwaardig ouderschap, maar [appellante] gaat nog altijd door met de strijd en staakt de procedures tegen [verweerster] niet. [verweerster] acht het in het belang van de kwetsbare kinderen dat er voor nu duidelijkheid komt.

[verweerster] voelt zich door de huidige medewerkers van de GI niet gesteund.

3.11.

De raad heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht

Het is een complexe situatie. De strijd die wordt gevoerd, is niet in het belang van de kinderen.

[appellante] zegt voor gelijkwaardig ouderschap te willen gaan. De raad hoort dit iets minder duidelijk bij [verweerster] terug. Het advies voor gelijkwaardig ouderschap vanuit [instelling] en de GI is in het belang van de kinderen. Praktisch is dit ook goed uitvoerbaar. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij een gelijkwaardig ouderschap arbitrair. Het hoofdverblijf zou kunnen worden verdeeld. Bijvoorbeeld het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de ene ouder en het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder.

De ouders zouden meer betrokkenheid moeten tonen naar elkaar.

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

3.13.

De Nederlandse rechter heeft, gelet op artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (de Verordening Brussel II-bis) rechtsmacht met betrekking tot de onderhavige verzoeken, nu de kinderen (reeds) ten tijde van indiening van het inleidend verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands recht toepasselijk.

3.14.

Op 26 juli 2016 zijn de kinderen op [instelling] geplaatst. Deze opname was noodzakelijk om door observatie zicht te krijgen op de oorzaak van de ontwikkelingsachterstand van de kinderen. Tevens moest er worden gekeken wat de kinderen nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen. Daarnaast was ook het verkrijgen van duidelijkheid over het toekomstperspectief (betreffende wonen en onderwijs) en het aanreiken van pedagogische handelingsadviezen van belang.

In de zorgplannen van april 2017 adviseert [instelling] een thuisplaatsing van de kinderen bij beide ouders. Gezien de jonge leeftijd van de kinderen is het volgens [instelling] zeer wenselijk dat zij bij hun beide ouders gaan verblijven en dat de opvoedingstaken evenredig gaan worden verdeeld. Gelet op de slechte communicatie tussen de ouders adviseert [instelling] een mediationtraject voor de ouders teneinde te bewerkstelligen dat zij op een correcte manier met elkaar gaan communiceren en afspraken gaan maken in het belang van de kinderen voor nu maar ook in de toekomst. Behandeling van de kinderen binnen [instelling] is niet noodzakelijk. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat zij het advies van [instelling] overneemt en voornemens is de kinderen voor de kerstvakantie thuis te plaatsen, waarbij de opvoedtaken evenredig over de ouders zullen worden verdeeld. De GI zal deze regeling, zo nodig middels een schriftelijke aanwijzing, tijdelijk – voor de duur van het mediationtraject – vastleggen.
Gelet op het advies van [instelling] en de bereidheid die de ouders bij [instelling] hebben uitgesproken om hieraan mee te werken, kan het hof op grond van de huidige omstandigheden de GI volgen in haar voornemen de kinderen bij beide ouders thuis te plaatsen. Het hof wil daarbij wel benadrukken dat deze thuisplaatsing zeer zorgvuldig dient plaats te vinden. Het betreft hier immers jonge, kwetsbare kinderen die in hun jonge leven al veel hebben meegemaakt. Daarbij wijst het hof tevens op de door [instelling] geformuleerde voorwaarde dat het mediationtraject moet zijn gestart voordat de thuisplaatsing daadwerkelijk kan doorgaan. Mocht er gedurende dit traject een enorme verslechtering ontstaan in de bejegening tussen beide ouders, dan zal er pas op de plaats moeten worden gemaakt en moeten worden gekeken welke stappen er dan nodig zijn, aldus [instelling] .

Conform het advies van [instelling] hebben de ouders een mediationtraject ingezet. Ter zitting is gebleken dat dit traject thans is onderbroken, omdat er hulpverlening moet worden opgestart. Beide ouders zijn bereid om – nadat de hulpverlening is afgerond – het mediationtraject te vervolgen om gezamenlijk afspraken te maken over een definitieve regeling omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Het hof wijst ouders er op dat zij het aan hun kinderen verplicht zijn zich tot het uiterste in te spannen om hun onderlinge communicatie te verbeteren, zodat zij in staat zijn gezamenlijke afspraken over de kinderen te kunnen maken. Het is in het belang van de kinderen dat de ouders hun strijd staken en gezamenlijk een regeling kunnen overeenkomen. Het hof acht het daarom wenselijk de resultaten van het mediationtraject af te wachten en zal zijn beslissing derhalve aanhouden tot de hierna te noemen datum.

Daarbij overweegt het hof nog wel het volgende.
Bij voornoemde beschikking van 18 maart 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant haar beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek dat zou worden uitgevoerd door Formaat, waarmee een (totaal)beeld zou worden verkregen van de opvoedingsvaardigheden van de ouders en de oorzaak van de ontwikkelingsachterstand van de kinderen. Dit onderzoek heeft echter niet plaats gevonden. In plaats daarvan zijn de kinderen ter observatie opgenomen in [instelling] en is duidelijkheid verkregen over hetgeen de kinderen nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen en over hun toekomstperspectief.
Het hof constateert dat thans onvoldoende duidelijkheid bestaat over de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Mocht het hof alsnog moeten beslissen over de aan het hof voorgelegde verzoeken in hoger beroep, dan dient die duidelijkheid er wel te zijn, dan wel te komen.

3.15.

Gelet op het voorgaande zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot 1 mei 2018. De raadslieden van partijen en de GI dienen het hof uiterlijk twee weken voor die datum te hebben geïnformeerd over de stand van zaken op dat moment en over hun opvatting over het verdere verloop van onderhavige zaak. Daarbij dienen zij tevens te vermelden of zij een nieuwe mondelinge behandeling wenselijk achten, of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan. Dit onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen, de raad en de GI. De raad zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op de binnengekomen informatie.

3.16.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

verzoekt de raadslieden van partijen en de GI het hof uiterlijk twee weken vóór 1 mei 2018 te berichten over de actuele stand van zaken en over hun opvatting over het verdere verloop van onderhavige zaak, conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.15. is overwogen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen, de raad en de GI;

stelt de raad vervolgens in de gelegenheid om binnen twee weken schriftelijk te reageren op de binnengekomen informatie;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 1 mei 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.N.M. Antens en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.