Personen- en familierecht

Belanghebbende; art. 798 Rv. en art. 827 Rv. In een echtscheidingsprocedure, waarin als nevenvoorzieningen…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 mei 2019

Zaakgegevens

Op 23 mei 2019 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23 mei 2019
Datum publicatie
23 mei 2019
Zaaknummer
200.207.729_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. L van Dinter, mr. R.J.S. Houtackers
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:1959
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Belanghebbende; art. 798 Rv. en art. 827 Rv.

In een echtscheidingsprocedure, waarin als nevenvoorzieningen het gezag over de kinderen, het hoofdverblijf, de zorgregeling en de informatieregeling aan de orde zijn, wordt een nieuwe partner die met een van de echtgenoten samenwoont en die de kinderen mede verzorgt en opvoedt, niet als belanghebbende aangemerkt. Deze kan in een echtscheidingsprocedure niet worden beschouwd als een betrokkene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Twee conclusieregel. Art. 362 Rv. jo. 347 Rv. Uitzondering op deze regel.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 januari 2018

    ECLI:NL:GHSHE:2018:32
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 mei 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2019:1959

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 23 mei 2019

Zaaknummer: 200.207.729/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/294193 FA RK 15-2813-2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats]

,

appellante in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep

,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. L. van Dinter,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats]

,

verweerster in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. R.J.S. Houtackers.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking van 4 januari 2018

Bij die beschikking heeft het hof iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 1 mei 2018, met het verzoek aan de advocaten van partijen en aan de GI om het hof uiterlijk twee weken voor de hiervoor genoemde pro forma datum te berichten over de toen actuele stand van zaken. De raad is in de gelegenheid gesteld om daarna schriftelijk te reageren op de ingekomen informatie.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 20 december 2018. De onderhavige zaak is vanwege de onderlinge samenhang gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.240.854/01 (hoger beroep van [verweerster] tegen afwijzing van het verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de GI) en met de zaak met nummer 200.246.702 (hoger beroep van [appellante] en incidenteel hoger beroep van [verweerster] tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2018).

Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Van Dinter;

- [verweerster] , bijgestaan door mr. Houtackers;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- mr. T.I. Visser, de advocaat van de GI, die ter zitting werd vertegenwoordigd door

[vertegenwoordiger van de GI] .

6.2.

Ter mondelinge behandeling van 20 december 2018 is de behandeling van de zaak

geschorst totdat op het door [appellante] bij die mondelinge behandeling gedane

wrakingsverzoek is beslist.

6.3.

Dit wrakingsverzoek is door de wrakingskamer van dit hof afgewezen bij beschikking van 14 januari 2019. De mondelinge behandeling is voortgezet op 21 maart 2019.

De onderhavige zaak is vanwege de onderlinge samenhang gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.240.854/01 (hoger beroep van [verweerster] tegen afwijzing van het verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de GI) en met de zaken met de respectieve nummers 200.246.702 (hoger beroep van [appellante] en incidenteel hoger beroep van [verweerster] tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2018) en 200.255.474/01 (hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van 23 januari 2019).

Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Van Dinter;

- [verweerster] , bijgestaan door mr. Houtackers;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- mr. T.I. Visser, de advocaat van de GI, die ter zitting werd vertegenwoordigd door

[vertegenwoordiger van de GI] .

6.4.

Het hof heeft na de tussenbeschikking van 4 januari 2018 en vóór de mondelinge behandeling van 20 december 2018 kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [verweerster] van 16 april 2018;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van [appellante] van 17 april 2018;

- de brief van de GI met bijlagen van 17 april 2018;

- de brief van de raad van 18 april 2018;

- het V-formulier van de advocaat van [appellante] van 7 augustus 2018;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van [verweerster] van 17 augustus 2018;

- de brief van de GI met bijlagen van 20 augustus 2018;

- het onderzoeksverslag van 22 november 2018, opgesteld door de GZ-psychologen

[GZ-psycholoog 1] en [GZ-psycholoog 2] ;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [verweerster] van 10 december 2018;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van [verweerster] van 11 december 2018;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van [appellante] van 10 december 2018.

6.5.

Na de mondelinge behandeling van 20 december 2018 heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [verweerster] van 12 februari 2019;

- de brief met bijlage van het NIFP van 14 februari 2019;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van [verweerster] van 25 februari 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [verweerster] van 7 maart 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] van 8 maart 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] van 8 maart 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] van 8 maart 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] van 18 maart 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] van 18 maart 2019.

6.6.

Na de mondelinge behandeling van 21 maart 2019 is met toestemming van het hof het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] van 22 maart 2019 ingekomen. Hierbij werden overeenkomstig de met het hof gemaakte afspraak de eerder toegezonden producties 51 tot en met 54 vervangen door nieuwe producties 51 tot en met 54.

6.7.

Bij brief van 24 april 2019 heeft het hof de GI verzocht het hof te informeren over de feitelijke stand van zaken in de ondertoezichtstelling van de kinderen. In reactie hierop heeft het hof op 6 mei 2019 de brief van de GI d.d. 3 mei 2019, met bijlage, ontvangen.

7 De verdere beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

Feitelijke gang van zaken na de tussenbeschikking van dit hof van 4 januari 2018

7.1.1.

Op 8 januari 2018 heeft de GI de kinderen na hun verblijf op [instelling] bij [verweerster] thuis geplaatst.

De GI heeft op 12 januari 2018 aan de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven, die wat betreft de oneven/even weken is gecorrigeerd met de aanwijzing van 15 januari 2018, waarbij is bepaald dat de ouders dienen mee te werken aan een gelijkwaardige omgang voor de kinderen, de kinderen in de even weken bij [verweerster] zijn en in de oneven weken bij [appellante] met de maandag als wisseldag en de schoolvakanties en de feestdagen evenredig worden verdeeld.

Overeenkomstig het advies van [instelling] hebben de ouders voorafgaande aan de thuisplaatsing van de kinderen een mediationtraject ingezet. Ter mondelinge behandeling van 20 november 2017 is gebleken dat dit traject was onderbroken, omdat er hulpverlening bij de ouders moest worden ingezet. Beide ouders waren op dat moment bereid om - nadat de hulpverlening zou zijn afgerond - het mediationtraject te vervolgen om gezamenlijk afspraken te maken over een definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Bij de tussenbeschikking van 4 januari 2018 heeft het hof in afwachting van de resultaten van het mediationtraject zijn beslissing aangehouden. Bij die beschikking heeft het hof tevens geconstateerd dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de opvoedingsvaardigheden van de ouders en dat, mocht het hof alsnog moeten beslissen over de aan het hof voorgelegde verzoeken in hoger beroep, die duidelijkheid er dan wel diende te zijn dan wel te komen.

Uit de nadien overgelegde stukken is gebleken dat het mediationtraject zonder resultaat is beëindigd.

Op verzoek van de GI hebben de deskundigen [GZ-psycholoog 1] en [GZ-psycholoog 2] een civielrechtelijk forensisch diagnostisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon en de opvoedingsvaardigheden van [appellante] en van [verweerster] in relatie tot hun drie kinderen. Het verslag van dit onderzoek is op 27 november 2018 ingekomen ter griffie van het hof. Uit dit verslag blijkt dat [appellante] zich op haar blokkeringsrecht heeft beroepen en dat informatie over haar uit het verslag is verwijderd, tenzij het informatie van derden betreft die nodig is om de dynamiek in de relatie tussen [verweerster] en [appellante] te illustreren.

7.1.2.

Uit voornoemde brief van de GI van 3 mei 2019 blijkt dat de ondertoezichtstelling van de kinderen op 16 april 2019 is beëindigd.

Positie van de huidige partner van [appellante]

7.2.

[appellante] verzoekt bij aanvullende grief om haar huidige partner mevrouw [partner] (verder: [partner] ) aan te merken als belanghebbende in de onderhavige procedure.

[appellante] voert daartoe aan dat [partner] al sinds 2014 intensief betrokken is bij de opvoeding van de kinderen van partijen en al meer dan een jaar in dezelfde mate bij die kinderen betrokken is als partijen dat zijn. [appellante] heeft in dit verband gewezen op een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2018, waarbij in een gelijke situatie als de situatie in deze zaak (hoofdverblijfplaats / omgangszaak ten aanzien van een kind van [partner] ) [appellante] als belanghebbende is aangemerkt.

[verweerster] heeft de grief gemotiveerd bestreden.

7.3.

Het hof overweegt als volgt.


Het antwoord op de vraag wie belanghebbende is in een procedure dient uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen te worden afgeleid.


Ingevolge artikel 798, eerste lid, eerste volzin, Rv wordt in zaken van personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, onder belanghebbende verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Welke persoon of instelling (hierna: betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald - aan de ene kant - door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en - aan de andere kant - door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van een zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is de betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798, eerste lid, eerste volzin, Rv.

Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 798 Rv moet het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftenprocedure als het een zaak van personen- en familierecht betreft, worden geïnterpreteerd op de wijze als in artikel 798, eerste lid, Rv is bepaald. Nu het hier om een scheidingszaak gaat, zal het hof de vraag of [partner] kan worden aangemerkt als belanghebbende beantwoorden aan de hand van (analogische) uitleg van dit artikel.

De zaak betreft de echtscheidingsprocedure tussen [appellante] en [verweerster] in welk kader als nevenvoorzieningen het gezag, het hoofdverblijf, de zorgregeling en de informatieregeling aan de orde zijn. Deze echtscheidingsprocedure heeft een sterk contentieus karakter, waarin de gevolgen van de scheiding op genoemde gebieden tussen de twee echtgenoten worden bepaald. Het gaat daarbij om de rechten en plichten van de echtgenoten (en hun kinderen), en niet om de rechten en de plichten van een nieuwe partner van één van de echtgenoten, zoals [partner] .

Het hof is dan ook van oordeel dat [partner] in de echtscheidingsprocedure tussen [appellante] en [verweerster] geen belanghebbende is nu zij niet kan worden aangemerkt als een betrokkene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Aan het beroep van [appellante] op de genoemde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaat het hof voorbij, reeds omdat het hof uit de overgelegde incomplete kopie van deze beschikking niet kan afleiden dat het aan het hof Arnhem-Leeuwarden voorliggende geschil ook een echtscheidingsprocedure betrof.

De grief faalt.

Gewijzigde verzoeken

7.4.

Bij brief van 9 december 2018, aangevuld bij brief van 11 december 2018, heeft [verweerster] haar verzoek in incidenteel hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij thans het hof verzoekt:

A. het hoofdverblijf van de kinderen bij [verweerster] te laten/bepalen;

B. het gezamenlijk gezag over de kinderen te beëindigen en [verweerster] te belasten met het eenhoofdig gezag;

C. tegen de rechtens eerst mogelijke datum:

- primair een zorgregeling vast te stellen, waarbij er contact zal tussen de kinderen en [appellante] een weekend in de drie weken van vrijdag na school (ingeval van een vrije dag vanaf 16.00 uur) tot maandag na school (of tot 10.00 uur ingeval van een vrije dag) en daarbij te bepalen dat de kinderen naar de andere ouder worden gebracht voor zover zij niet op school zijn of daarnaartoe moeten;

- subsidiair deze regeling vast te stellen maar dan voor een weekend per twee weken;

- primair en subsidiair daarbij te bepalen dat de zorgregeling onder adequate begeleiding plaatsvindt, zolang het beroep op het blokkaderecht voortduurt en de rust voor de kinderen volgens de jeugdbeschermers nog niet voldoende is teruggekeerd, en dat [appellante] een rustig verloop van de zorgregeling niet mag verstoren door in de periode dat zij geen omgang heeft direct of indirect contact te zoeken met de kinderen;

- meer subsidiair een zodanige regeling onder zodanige voorwaarden te bepalen als het hof in het belang van de kinderen acht.

7.5.

Bij de brief, die als bijlage is gevoegd bij het V-formulier van de advocaat van [appellante] van 8 maart 2019, heeft [appellante] haar verzoek in principaal hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij thans het hof verzoekt:

- de verzoeken van [verweerster] af te wijzen;

- [verweerster] te verplichten alle informatie aangaande de kinderen per direct en per email met haar te delen;

- een contra-expertise te gelasten;

- indien het hof [verweerster] toestaat haar verzoek te vermeerderen (hof: ten aanzien van het gezag), [appellante] te bekleden met het eenhoofdig gezag over de kinderen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen.

Standpunten van partijen, GI en raad

7.6.

Door en namens [appellante] is - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende aangevoerd.

[verweerster] “gooit onnodig veel met modder” naar [appellante] . Zij schuwt geen enkel middel om [appellante] te diskwalificeren en haar uit het leven van de kinderen te bannen. Alle beschuldigingen die [verweerster] richting [appellante] heeft geuit, zijn weerlegd.

Het verzoek van [verweerster] om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen is in strijd met de twee conclusie regel te laat ingediend.

Subsidiair wil [appellante] met spoed duidelijkheid over het gezag over de kinderen, het hoofdverblijf en de zorgregeling. Deze procedure loopt al enkele jaren.

Het is in het belang van de kinderen om het gezamenlijke gezag te beëindigen. De kinderen zitten al te lang klem tussen de ouders. [appellante] heeft geprobeerd om de communicatie met [verweerster] te verbeteren, maar dit is niet mogelijk gebleken.

Het is het meest in het belang van de kinderen om [appellante] te belasten met het eenhoofdig gezag over hen, het hoofdverblijf bij [appellante] te bepalen en een week-op / week-af zorgregeling vast te stellen. [appellante] staat voor een gelijkwaardig ouderschap. Indien [verweerster] het eenhoofdig gezag krijgt, dreigt het gevaar van ouderverstoting. Ook [instelling] was voorstander van een gelijke verdeling van de zorgtaken.

[appellante] verzoekt het hof om op de voet van artikel 810a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) haar in de gelegenheid te stellen een contra-expertise op het deskundigenrapport van 22 november 2018 over te leggen. [appellante] is het niet eens met de inhoud van voormeld rapport. De onderzoekers zijn niet onbevooroordeeld ten aanzien van transgenders. Deze rapportage schetst een onjuist beeld van [appellante] en de conclusies kloppen niet. [appellante] is een goede moeder. Zij heeft geen psychiatrische stoornissen en is zeer intelligent. Het NIFP zal de kosten van de contra-expertise voor zijn rekening nemen.

Er zijn al onderzoekers geselecteerd met specifieke deskundigheid over transgenders.

Ook de raad zou een onderzoek kunnen doen, waartoe [appellante] een verzoek doet.

Verder verzoekt [appellante] het hof op basis van de Algemene Wet Gelijke Behandeling prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de verplichting om geen onderscheid te maken tussen [verweerster] als biologische moeder en [appellante] als moeder en biologische ouder.

Ten slotte verkrijgt [appellante] niet alle relevante informatie over de kinderen. [verweerster] verzaakt haar informatieplicht.

7.7.

Door en namens [verweerster] is - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende aangevoerd.

Door het wrakingsverzoek van [appellante] zijn de kinderen tekort gedaan. De kinderen moeten de zorg krijgen die zij nodig hebben. [verweerster] wil rust. Zij ontkent dat zij [appellante] valselijk beschuldigt.

[verweerster] sluit zich aan bij de conclusies van het deskundigenrapport van 22 november 2018. De onderzoekers hebben een gedegen advies uitgebracht over hetgeen in het belang van de kinderen is. Voor een contra-expertise is geen noodzaak. De advocaat van [verweerster] heeft met het NIFP gesproken en op dit moment loopt er geen nieuw onderzoek.

Het is in het belang van de kinderen dat [verweerster] belast wordt met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De kinderen hebben hulp en zorg nodig. Primair is volgens [verweerster] in het belang van de kinderen dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen eenmaal in de drie weken een weekend contact met [appellante] hebben. Bij de huidige week-op / week-af regeling loopt de zorg voor de kinderen spaak.

Oplegging aan [verweerster] van een informatieregeling is overbodig. [verweerster] informeert [appellante] nu ook al over de kinderen.

7.8.

De GI heeft ter mondelinge behandeling - zakelijk en beknopt weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Uit het deskundigenrapport van 22 november 2018 komt naar voren dat de kinderen klem zitten tussen de ouders en dat hun ontwikkeling schade oploopt door de conflicten tussen de ouders. De ondertoezichtstelling heeft niet tot verbetering geleid. De zorg voor de kinderen stagneert. De ouders zijn niet in staat om in overleg beslissingen over de kinderen te nemen. De GI is het eens met het advies van de deskundigen om het eenhoofdig gezag over de kinderen bij [verweerster] neer te leggen. De GI bepleit een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal in de twee weken een weekend onbegeleid contact hebben met [appellante] .

Het is in het belang van de kinderen dat er snel duidelijkheid komt. Zij hebben last van de strijd tussen de ouders.

Op school gaat het goed met de kinderen. Zij praten positief over beide moeders.

De GI is niet voornemens om een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. De kinderen worden nog wel ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, maar deze ontwikkelingsbedreiging is binnen de ondertoezichtstelling niet op te heffen.

7.9.

De raad heeft ter mondelinge behandeling - in het kort - het volgende verklaard.

Gezamenlijk gezag van de ouders is niet mogelijk gebleken. De GI is in staat de zaken te overzien en aan te geven wat in het belang van de kinderen is. Er moet een knoop worden doorgehakt.

Overwegingen van het hof

Gezag

7.10.

Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of [verweerster] kan worden ontvangen in haar op 9 december 2018 gewijzigde verzoek in hoger beroep om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen.

[appellante] heeft aangevoerd dat [verweerster] in dit verzoek niet kan worden ontvangen, nu dit verzoek in strijd met de twee-conclusie-regel te laat is ingediend.

7.10.1.

Ingevolge artikel 347, eerste lid, Rv in verbinding met artikel 362 Rv geldt in hoger beroep de twee-conclusie-regel, die met zich brengt dat het hof in beginsel niet behoort te letten op grieven (waaronder ook wordt aangemerkt een verandering van een verzoek) die later zijn aangevoerd dan in het beroepschrift of in het verweerschrift tevens inhoudende incidenteel hoger beroep.

Op deze - in beginsel strakke - regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de verandering van het verzoek plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een zodanige verandering van verzoek kan plaatsvinden.

Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering van het verzoek na het tijdstip van het beroepschrift of verweerschrift tevens incidenteel appel toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of verandering van het verzoek ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de verandering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.

7.10.2.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [verweerster] op

5 oktober 2016 een verzoekschrift eenouder gezag bij de rechtbank Oost-Brabant heeft ingediend. Bij haar beschikking van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank dit verzoek van [verweerster] afgewezen nu zij dit verzoek tardief achtte. Bij brief van 9 december 2016 heeft [verweerster] haar verzoek om eenhoofdig gezag ingetrokken omdat [appellante] alsnog akkoord was gegaan met de hulpverlening aan de kinderen.

[verweerster] heeft in hoger beroep bij haar verweerschrift (d.d. 3 maart 2017) geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van haar verzoek om eenhoofdig gezag. Eerst op 10 december 2018 heeft [verweerster] na het verschijnen van de NIFP rapportage haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij verzoekt het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en haar te belasten met het eenhoofdige gezag over de kinderen.

De toepassing van de twee-conclusie-regel zou meebrengen dat deze wijziging van het verzoek in dit stadium van de procedure niet meer toelaatbaar is, tenzij zich een van voornoemde uitzonderingen op die regel voordoet.

7.10.3.

[appellante] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verweerster] niet moet worden toegelaten in haar verzoek tot eenhoofdig gezag nu dit te laat is ingediend. In die zin is er derhalve geen sprake van de uitzondering op de twee-conclusie-regel dat de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat het nieuwe verzoek alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken.
Het hof stelt daarentegen ook vast dat [appellante] het – subsidiair – in het belang van de kinderen acht dat er op zo snel mogelijke termijn een beslissing met betrekking tot onder meer het gezag over de kinderen wordt genomen, omdat de kinderen bij handhaving van het gezamenlijke gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders.

Bij voornoemde beschikking van 4 januari 2018 heeft het hof de beslissing op de verzoeken aangehouden in afwachting van de resultaten van het mediationtraject dat de ouders zouden gaan (ver)volgen om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Tevens heeft het hof overwogen dat er op dat moment onvoldoende duidelijkheid bestond over de opvoedingsvaardigheden van de ouders, en indien het hof alsnog moet beslissen over de verzoeken deze duidelijkheid er wel diende te komen.
In vervolg op deze beschikking heeft de GI aan het NIFP verzocht onderzoek te doen naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Het NIFP adviseert in het psychologisch onderzoeksrapport van 22 november 2018 om – als minst slechte optie – het hoofdverblijf van en het eenhoofdig gezag over de kinderen bij [verweerster] te bepalen. Het hof is van oordeel dat het uitkomen van voornoemd onderzoeksrapport een nieuw feit is dat een verandering van het verzoek door [verweerster] op een later tijdstip rechtvaardigt. Door het alsnog toelaten van het gewijzigde verzoek hoeft er geen nieuwe procedure aangespannen te worden inzake het gezag over de kinderen. Het hof is met beide ouders van oordeel dat – gelet op de jarenlange strijd die partijen inmiddels over de kinderen voeren – het in het zwaarwegende belang van de kinderen noodzakelijk is dat er een beslissing over het gezag wordt genomen. Daarbij overweegt het hof voorts dat het mediationtraject tussen de ouders inmiddels zonder resultaat is geëindigd.

Gelet op het voorgaande zal het hof het gewijzigd verzoek van [verweerster] inzake het eenhoofdige gezag over de kinderen toelaten en hierover een beslissing nemen. Dit betekent dat het hof ook het verzoek van [appellante] om haar met het eenhoofdige gezag over de kinderen te belasten, zal beoordelen. Beide partijen zijn voldoende in de gelegenheid gesteld om op de wederzijdse verzoeken te reageren. Het hof acht het ook overigens niet in strijd met de goede procesorde om thans op de – nieuwe – verzoeken te beslissen.

7.11.

Ten aanzien van de inhoud van de verzoeken omtrent het gezag overweegt het hof als volgt.

7.11.1.

Krachtens het eerste lid van artikel 1:251a BW kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

7.11.2.

Uit de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting is het hof gebleken dat de kinderen al een aantal jaren klem en verloren zitten tussen de ouders. Partijen beschuldigen en diskwalificeren elkaar over en weer en hebben geen enkel vertrouwen meer in elkaar. De ondertoezichtstelling van de kinderen heeft hierin geen verbetering kunnen brengen. Er is een voortdurende en zich intensiverende strijd tussen de ouders gaande, ook over essentiële zaken die de kinderen betreffen. Waar de ouders in het verleden getracht hebben tot overleg over de kinderen te komen, is dit uitgemond in onderlinge strijd, waarbij de ouders vele procedures tegen elkaar hebben gevoerd. De kinderen merken dat de ouders op tal van zaken niet op één lijn zitten en zij hebben veel last van hun onderlinge strijd. Het hof verwacht niet dat binnen een redelijke termijn verandering in die situatie zal komen.

In de zorgplannen van april 2017 heeft [instelling] een thuisplaatsing van de kinderen geadviseerd bij beide ouders. [instelling] achtte het wenselijk dat de kinderen bij beide ouders gaan verblijven en dat de opvoedingstaken evenredig worden verdeeld. Voorwaarde voor de thuisplaatsing was dat het mediationtraject moest zijn gestart voordat een thuisplaatsing daadwerkelijk kon doorgaan. In de beschikking van het hof van 4 januari 2018 heeft het hof overwogen dat het hof - gelet op dit advies van [instelling] en de bereidheid die de ouders bij [instelling] hadden uitgesproken om hieraan mee te werken - op grond van de toen geldende omstandigheden de GI kon volgen in haar voornemen de kinderen bij beide ouders thuis te plaatsen. Het hof heeft daarbij benadrukt dat deze thuisplaatsing zeer zorgvuldig diende plaats te vinden en dat het mediationtraject moest zijn gestart voordat de thuisplaatsing daadwerkelijk kon doorgaan. Mocht er gedurende dit traject een enorme verslechtering ontstaan in de bejegening tussen beide ouders dan zou er pas op de plaats moeten worden gemaakt en moeten worden gekeken welke stappen er dan nodig zijn.

Het hof constateert thans, zoals door de GI ter zitting is verklaard, dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat zij de voor hen noodzakelijke hulpverlening niet of onvoldoende hebben gekregen. Uit de stukken komen ernstige (medische) zorgen over de kinderen naar voren. [minderjarige 1] heeft vaak hoofdpijn en vertoont geparentificeerd gedrag, [minderjarige 3] heeft last van vermoeidheidsklachten en [minderjarige 2] heeft logopedie nodig. Alle drie de kinderen hebben speltherapie dringend nodig, maar die therapie is nog niet van de grond gekomen, omdat de ouders het er niet over eens zijn bij welke instantie de kinderen de therapie moeten volgen. Verder heeft het, doordat de ouders hierover gezamenlijk geen besluit konden nemen, lang geduurd voordat de kinderen passend speciaal onderwijs kregen. Tevens is het mediationtraject tussen de ouders zonder resultaat beëindigd.


Gelet op de hiervoor beschreven - inmiddels als bestendig te beschouwen - situatie is het hof, evenals partijen, van oordeel dat gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is en in strijd moet worden geacht met de belangen van de kinderen. Het hof betreurt het zeer dat het hof niet anders kan dan constateren dat de ouders niet in staat zijn tot het gezamenlijk uitvoeren van gelijkwaardig ouderschap. Het hof acht het dan ook niet verantwoord om het gezamenlijk gezag van de ouders te laten voortduren en is van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat één van de ouders met het gezag over hen wordt belast.


De vraag is vervolgens wie van de ouders met het gezag moet worden belast. Zowel [appellante] als [verweerster] wordt in staat geacht het gezag over de kinderen alleen uit te oefenen. Uit de stukken blijkt dat beide ouders voldoende pedagogische vaardigheden hebben om voor de kinderen te zorgen. De kinderen hebben het ook bij elk van de ouders naar hun zin. Het staat vast dat het voor de kinderen noodzakelijk is dat zij passende hulp krijgen en dat hiermee niet langer kan en moet worden gewacht. Hiervan uitgaande is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat [verweerster] wordt belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. [verweerster] werkt goed samen met de hulpverlening, de school van de kinderen en het gemeentelijke wijkteam, zo blijkt uit de brief van het [team] van 19 april 2017. Uit de stukken blijkt ook dat [verweerster] meer dan [appellante] openstaat voor de inzet van professionele hulp voor de kinderen. [verweerster] neemt de adviezen van professionals (school, arts, wijkteam) aan. Zij stelt geen voorwaarden vooraf aan de persoon of de instelling die de speltherapie voor de kinderen moet gaan verzorgen. Op grond van deze houding kan hulp voor de kinderen voortvarend worden gestart en uitgevoerd. In de houding van [appellante] daarentegen ziet het hof belemmeringen om noodzakelijke hulp voor de kinderen zonder onnodige vertraging te laten starten. Door herhaaldelijk voorwaarden aan de hulpverlening te stellen, die niet direct gerelateerd zijn aan de problematiek van de kinderen, wordt de hulpverlening aan de kinderen belemmerd of in ieder geval vertraagd waardoor niet gewerkt kan worden aan het terugbrengen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Hiermee laat [appellante] zien de belangen van de kinderen niet steeds voorop te stellen. Dit acht het hof niet in het belang van de kinderen.

Het door [appellante] gedane verzoek om op de voet van 810a lid 1 Rv in de gelegenheid te worden gesteld bij wijze van contra-expertise een rapport van een deskundige over te leggen, wordt door het hof afgewezen, nu het zwaarwegende belang van de kinderen zich daartegen verzet. Gelet op de al jaren durende strijd tussen de ouders hebben de kinderen thans (onder andere) rust en duidelijkheid nodig. Een nieuw onderzoek, dat zal leiden tot een verlenging van deze procedure, geeft dat niet. Voor de goede orde voegt het hof daar nog aan toe dat de bevindingen en de adviezen van de deskundigen [GZ-psycholoog 1] en [GZ-psycholoog 2] vanwege het door [appellante] uitgeoefende blokkaderecht, door het hof niet bij zijn besluitvorming zijn betrokken.

Het hof ziet evenmin reden voor een raadsonderzoek. Gelet op de aanwezigheid van de raad ter zitting in hoger beroep en de beschikbare informatie in het dossier, acht het hof zich voldoende voorgelicht. Daarnaast zal ook een nieuw raadsonderzoek leiden tot een verlenging van de onderhavige procedure, waartegen – zoals hiervoor reeds overwogen – de belangen van de kinderen zich verzetten.

Ten slotte ziet het hof geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen, zoals [appellante] heeft verzocht. Niet alleen is dit verzoek met onvoldoende concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, maar bovendien is niet gebleken van rechtsvragen waarop een antwoord van de Hoge Raad nodig is om op de verzoeken tot eenhoofdig gezag te beslissen.

Hoofdverblijfplaats

7.12.

De hoofdverblijfplaats van een kind is van rechtswege bij de gezaghebbende ouder. Nu aan [verweerster] het eenhoofdig gezag zal worden toegekend, zullen de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij [verweerster] hebben. Hierover behoeft niet afzonderlijk te worden beslist.

Omgangsregeling

7.13.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

7.14.

Het hof acht het essentieel dat [verweerster] , nu aan haar het eenhoofdig gezag wordt toegekend, de ruimte krijgt om op haar wijze invulling te kunnen geven aan de uitoefening van het gezag. Hierbij past niet een verdeling van de zorgtaken (hierna: omgangsregeling) zoals deze sinds januari 2018 feitelijk is geweest, te weten week op week af bij één van de ouders. Bij voortduren van deze omgangsregeling bestaat de aanmerkelijke kans dat [verweerster] haar gezag onvoldoende kan uitoefenen, gezien het feit dat de kinderen op dit moment klem zitten tussen de ouders en de ouders hebben laten zien dat zij samen niet tot overeenstemming over belangrijke zaken betreffende de kinderen (zoals schoolkeuze en therapie) kunnen komen. Een handhaven van de huidige regeling is dan ook zeker niet in hun belang. Anderzijds is het ook in het belang van de kinderen dat [appellante] en zij de gelegenheid hebben om elkaar ook op een doordeweekse dag te zien en [appellante] de kinderen ook voor en na school kan meemaken, nu zij dit vanaf januari 2018 met elkaar zijn gewend. De door [verweerster] verzochte omgangsregeling tussen [appellante] en de kinderen is dan ook te beperkt en niet in het belang van de kinderen.

Gelet op het voorstaande zal het hof een omgangsregeling tussen de kinderen en [appellante] vaststellen van eenmaal in de twee weken vanaf donderdagmiddag na school tot maandagmorgen voor school. De vakanties en de feestdagen dienen de ouders in onderling overleg bij helfte te verdelen.

Informatieregeling

7.15.

Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de met het gezag belaste ouder gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen.

7.16.

Het hof acht het in het belang van de kinderen om een uitgebreide informatieregeling vast te stellen, zoals hierna geformuleerd.

7.17.

Op grond van het voorgaande dient als volgt te worden beslist.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2016, behoudens voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij [verweerster] is bepaald, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , voortaan alleen aan [verweerster] toekomt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

stelt met ingang van heden tussen [appellante] en voornoemde minderjarigen de volgende omgangsregeling vast:

- de kinderen verblijven bij [appellante] eenmaal in de twee weken van donderdagmiddag na school tot maandagmorgen voor school;

- de vakanties en de feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;

bepaalt dat [verweerster] [appellante] iedere twee maanden dient te informeren over de volgende punten:

- het verloop van onderzoeken en behandelingen met betrekking tot de kinderen en de onderzoeks- en behandelingsresultaten;

- de gezondheid van de kinderen en eventuele medische informatie met betrekking tot de kinderen;

- rapporten, oudergesprekken en andere belangrijke aspecten met betrekking tot de schoolgang van de kinderen;

- overige belangrijke aangelegenheden in het leven van de kinderen, zoals hun hobby’s, sporten, omgang met vriendjes/vriendinnetjes etc.;

- de ontwikkeling van de kinderen in het algemeen;

- overige gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.N.M. Antens en

J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.