Strafrecht overig

Feit 1: poging tot zware mishandeling Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht Het hof…

Zaakgegevens

Op 13 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
13 juli 2026
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
20-002237-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1833
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Feit 1: poging tot zware mishandeling

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Het hof honoreert het beroep op psychische overmacht. De verdachte is ter zake van de bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-002237-25

Uitspraak : 13 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-166542-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ (feit 1 primair) en ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 2 subsidiair) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu de verdachte een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt. Wanneer het hof deze verweren strekkende tot vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging passeert, heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten opmaken van een NIFP-rapportage over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Meer subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat primair is verzocht dat het hof zal volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair is verzocht dat het hof zal volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke straf zonder daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 31 mei 2025 (eerste gedraging voordat het incident met de hamer plaatsvond) te Kerkrade, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [slachtoffer] is gereden en/of blijven rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 31 mei 2025 (eerste gedraging voordat het incident met de hamer plaatsvond) te Kerkrade, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een personenauto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [slachtoffer] te rijden;

2.
hij op of omstreeks 31 mei 2025 (tweede gedraging nadat het incident met de hamer plaatsvond) te Kerkrade, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [slachtoffer] is gereden en/of blijven rijden en/of haar achterna bleef rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij op of omstreeks 31 mei 2025 (tweede gedraging nadat het incident met de hamer plaatsvond) te Kerkrade, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een personenauto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [slachtoffer] te rijden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2 primair

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte, nadat het incident met de hamer plaatsvond, opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair
hij op 31 mei 2025 (eerste gedraging voordat het incident met de hamer plaatsvond) te Kerkrade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [slachtoffer] is gereden en blijven rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair
hij op 31 mei 2025 (tweede gedraging nadat het incident met de hamer plaatsvond) te Kerkrade, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een personenauto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [slachtoffer] te rijden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, om de aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of te bedreigen.

Het hof overweegt als volgt.

Feit 1 primair

Het hof is, met de advocaat-generaal en anders dan de verdediging, van oordeel dat, gelet op de aard van de gedragingen die aan de verdachte worden verweten en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, minst genomen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling van de aangeefster. Het met een personenauto met een hoge, althans aanzienlijke snelheid, rijden in de richting van de aangeefster en blijven rijden, terwijl de aangeefster zich op korte afstand van de auto bevindt en zij feitelijk klemstaat tussen de auto van de verdachte en geparkeerde auto’s waardoor die persoon nauwelijks tijd en gelegenheid heeft om zichzelf in veiligheid te brengen, brengt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich op zwaar lichamelijk letsel bij die persoon. Deze gedragingen van de verdachte kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte – op zijn minst – de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties die het hof nopen tot een ander oordeel is niet gebleken.

Feit 2 subsidiair

Na het incident met de hamer is de verdachte met zijn personenauto met een hoge, althans aanzienlijke snelheid, in de richting van de aangeefster gereden. Het hof is, met de advocaat-generaal en anders dan de verdediging, van oordeel dat dit handelen van de verdachte een bedreiging oplevert jegens de aangeefster en dat deze bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij door het handelen van de verdachte het leven zou verliezen. Ook heeft de verdachte – op zijn minst – de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat deze vrees zou ontstaan.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op psychische overmacht en ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de agressie die de aangeefster heeft uitgeoefend op de verdachte en zijn auto, volgend op een aanrijding die daarvoor tussen het voertuig van de aangeefster en dat van de verdachte had plaatsgehad, een psychische drang bij de verdachte teweeg heeft gebracht. Ter onderbouwing van het standpunt heeft de verdediging onder meer gewezen op de omstandigheid dat de aangeefster de verdachte in het gezicht heeft geslagen en dat zij met haar handen heeft geslagen op het dak en met een hamer op de buitenspiegel van de auto van de verdachte. Er was sprake van een dreigende en beangstigende situatie waarin de druk van buitenaf zo acuut en overweldigend was dat van de verdachte niet kon worden verwacht dat hij daartegen redelijkerwijs weerstand kon en hoefde te bieden, aldus de verdediging.

De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet, is of de verdachte een geslaagd beroep toekomt op psychische overmacht.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het navolgende vast:

  • op 31 mei 2025 heeft er op de kruising van de Caspar Sprokelstraat en de Kapellaan te Kerkrade een aanrijding plaatsgevonden tussen een rode Fiat Punto (toevoeging hof: het voertuig van de verdachte) en een grijze Ford (toevoeging hof: het voertuig van de aangeefster [slachtoffer]). De grijze Ford zou tegen de achterkant van de rode Fiat Punto aangereden zijn;

  • de verdachte is vervolgens uit de rode Fiat Punto gestapt, waarna de grijze Ford langs de verdachte is weggereden. De verdachte heeft de grijze Ford met zijn voertuig achtervolgd.

De twee incidenten die vervolgens hebben plaatsgevonden, zijn vastgelegd op camerabeelden, welke ter terechtzitting in hoger beroep zijn getoond.

Het hof neemt op de camerabeelden (toevoeging hof: het bestand ‘Gefilmde beelden 1’ in het procesdossier) het navolgende waar:

  • de grijze Ford rijdt op het parkeerterrein (toevoeging hof: uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit parkeerterrein zich bevindt bij de Orlandopassage te Kerkrade). De rode Fiat Punto rijdt achter de grijze Ford;

  • het achterportier aan de linkerzijde en de deur van de passagierszijde aan de rechterzijde van de grijze Ford worden geopend. Op het moment dat de deuren van de grijze Ford worden geopend, is het voertuig nog niet volledig tot stilstand gekomen. Een vrouw (hof: de aangeefster [slachtoffer]) verlaat de passagierszijde van het voertuig. Een man verlaat het voertuig via het achterportier aan de linkerzijde en heeft naar snel hierna blijkt op dat moment een hamer vast in zijn rechterhand. De aangeefster loopt met zwaaiende armgebaren in de richting van de rode Fiat Punto;

  • de man loopt, met de – zo nu blijkt - hamer in zijn rechterhand, naar de rechterzijde van de voorkant van de rode Fiat Punto. De man staat op korte afstand van de aangeefster;

  • de rode Fiat Punto maakt schokkende bewegingen. Tegelijkertijd houdt de aangeefster haar armen omhoog en slaat zij meermalen met haar handen op het dak van de rode Fiat Punto. Vervolgens steekt de aangeefster haar beide armen door het open raam aan de passagierszijde van de Fiat Punto;

  • de aangeefster maakt zwaaiende gebaren met haar armen. Een derde persoon verlaat de grijze Ford via de bestuurderszijde van het voertuig en loopt in de richting van de linkerzijde van de voorkant van de rode Fiat Punto;

  • de aangeefster en de man met de hamer lopen terug in de richting van de grijze Ford. De rode Fiat Punto rijdt in de richting van de aangeefster. De aangeefster komt in contact met de motorkap van de rode Fiat Punto en komt tussen de rode Fiat Punto en een geparkeerde rode auto terecht;

  • de rode Fiat Punto rijdt achteruit en komt tot stilstand. De aangeefster en de man met de hamer lopen weer naar de passagierszijde van de rode Fiat Punto. De aangeefster pakt de hamer over van de man en slaat daarmee op de buitenspiegel aan de passagierszijde, het dak en daarna opnieuw op de voornoemde spiegel van de rode Fiat Punto. Een onderdeel van de spiegel valt op de grond;

  • de aangeefster loopt met de hamer in haar hand, samen met de man, weer terug in de richting van de grijze Ford. De rode Fiat Punto maakt schokkende bewegingen. De rode Fiat Punto rijdt in de richting van de aangeefster en raakt daarbij een geparkeerde auto. De rode Fiat Punto rijdt vervolgens opnieuw in de richting van de aangeefster. De aangeefster rent in de richting van de bestuurderszijde van de grijze Ford. Tegelijkertijd maakt de rode Fiat Punto een U-bocht om de grijze Ford heen. De rode Fiat Punto rijdt vervolgens weg en uit beeld.

Juridisch kader

Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat, indien een beroep op psychische overmacht als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is gedaan, de rechter gehouden is om onderzoek te doen naar de voorwaarden die worden gesteld ter aanvaarding van psychische overmacht. Deze voorwaarden houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Deze drang moet acuut zijn en voor de dader dusdanig onweerstaanbaar, dat hij geen enkele keuzevrijheid had op het moment dat hij tot het bewezenverklaarde is overgegaan.

De onweerstaanbaarheid van de drang moet worden afgeleid uit een combinatie van objectieve, situatieve factoren en meer subjectieve, individuele factoren. In deze afweging kan de persoonlijkheid van de verdachte worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of die verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden aan de ter verweer aangevoerde drang. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van een beroep op psychische overmacht.

Oordeel van het hof

Het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat in de onderhavige zaak aannemelijk is geworden dat er sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Daartoe overweegt het hof dat de verdachte in eerste instantie intuïtief – zo maakt het hof op uit de verklaring van de verdachte – achter de grijze Ford is aangereden. Blijkens de verklaring van de verdachte werd de rode Fiat Punto kort daarvoor aan de achterzijde aangereden door de grijze Ford en wilde de verdachte de schade aan zijn voertuig verhalen op de bestuurder van de grijze Ford met een Hongaars kenteken. Toen de verdachte uit zijn auto stapte, reed de Ford weg. Uit het politieverhoor blijkt voorts dat de verdachte op dat moment geen beschikking had over een telefoon, waardoor het voor hem niet mogelijk was om telefonisch contact te leggen met de politie.

Vervolgens bevonden de twee voertuigen zich achter elkaar op het parkeerterrein bij de Orlandopassage en hebben de volgende gebeurtenissen kort na elkaar plaatsgevonden:

  • de aangeefster en de man openen de deuren van de grijze Ford, terwijl het voertuig dan nog niet volledig tot stilstand is gekomen;

  • op het moment dat de man de grijze Ford verlaat, heeft hij een hamer vast in zijn rechterhand;

  • de aangeefster loopt na het verlaten van de grijze Ford met hevige armbewegingen in de richting van het voertuig van de verdachte;

  • de aangeefster slaat met beide handen meermalen op het dak van het voertuig van de verdachte;

  • de verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat het raam aan de passagierszijde van de Fiat Punto die dag openstond vanwege de warmte. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zich over de passagiersstoel van het voertuig heeft gebogen, omdat hij wilde communiceren met de aangeefster, waarna de aangeefster hem door het open raam aan de passagierszijde ter hoogte van zijn slaap zou hebben geslagen. Daarbij zou ook de achteruitkijkspiegel zijn geraakt. Hoewel de vermeende klap waar de verdachte over heeft verklaard niet op de camerabeelden te zien is, is op de camerabeelden wel zichtbaar dat de aangeefster haar beide armen door het open raam aan de passagierszijde van het voertuig van de verdachte steekt. Derhalve acht het hof – ook gelet op de wijze waarop de aangeefster zich richting het voertuig van de verdachte beweegt zich vervolgens gedraagt – het niet onaannemelijk dat de aangeefster een slaande beweging heeft gemaakt richting de verdachte en hem heeft geraakt;

  • na het eerste incident – waarbij de verdachte in de richting van aangeefster is gereden, hetgeen het hof hiervoor heeft aangemerkt als een poging tot zware mishandeling – is aangeefster met haar medepassagier opnieuw richting de auto van de verdachte gelopen. Aangeefster heeft vervolgens met een hamer meerdere keren tegen de auto van de verdachte geslagen.

Alles afwegende acht het hof het in de onderhavige zaak aannemelijk dat de opbouw van de voornoemde omstandigheden, die elkaar in een korte tijdspanne van tientallen seconden hebben opgevolgd en die door de verdachte als zeer dreigend en beangstigend zijn ervaren, heeft geleid tot een – steeds meer toenemende – van buiten komende drang.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de door de verdediging overlegde toelichting van [psycholoog] , werkzaam als GZ-psycholoog bij Mondriaan d.d. 25 juni 2026. Uit die toelichting blijkt dat de verdachte gediagnosticeerd is met een complexe posttraumatische stressstoornis (CPTSS) en dat de problematiek samenhangt met een voorgeschiedenis die wordt gekenmerkt door meerdere traumatische ervaringen en andere ingrijpende ervaringen gedurende de jeugd. Het onderhavige incident, waarbij de verdachte onder meer fysiek geweld heeft ervaren, geconfronteerd werd met dreigend gedrag en getuige was van vernieling van zijn eigendom, heeft blijkens het schrijven van [psycholoog] gefungeerd als een sterke trigger voor reeds bestaande traumagerelateerde problematiek. Voorts blijkt dat de aard van het geweld en de ervaren dreiging associaties opriepen met eerdere traumatische ervaringen uit de jeugd, waardoor reeds aanwezige PTSS-klachten in ernst toenamen en meer op de voorgrond kwamen te staan. Het hof acht deze bevindingen in het bijzonder van belang in het kader van de beoordeling van de vraag of de verdachte redelijkerwijs weerstand kon en behoefde te bieden aan de van buiten komende drang.

Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van de van buiten komende drang een zodanige angst heeft gevoeld dat zijn gedragskeuzemogelijkheden, daarbij mede in aanmerking genomen zijn psychische gesteldheid waaromtrent de GZ-psycholoog heeft gerapporteerd, in dat verband ernstig beperkt werden. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat de verdachte geen andere mogelijkheden heeft gehad dan te handelen op de wijze waarop hij heeft gehandeld. Concluderend is het hof van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs geen weerstand aan de van buiten komende drang kon en ook niet behoefde te bieden.

Alles afwegende wordt het beroep op psychische overmacht gehonoreerd. De verdachte is derhalve ter zake van de bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Gelet daarop behoeft het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het aanhouden van de zaak teneinde het laten opmaken van een NIFP-rapportage omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, geen bespreking meer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. R.G.A. Beaujean en mr. A.E.J. Satink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier,

en op 13 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.E.J. Satink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.