Strafrecht overig
Vernietiging ontnemingsvonnis. Voordeel dat betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2211 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2211
Zaakgegevens
Op 30 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-003322-24 (OWV)
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2211
Samenvatting
Vernietiging ontnemingsvonnis. Voordeel dat betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk aan voordeel heeft genoten. Verklaring betrokkene gevolgd.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 3 december 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:8237Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2211
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-003334-24 (OWV)
Uitspraak : 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 december 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-241319-23 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 96.000,- en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag.
Het aantal dagen gijzeling dat bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd is bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van het vastgestelde voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 3 december 2024 onder parketnummer 02-241319-23 onder meer veroordeeld ter zake van dat hij:
Feit 1:
in de periode van 29 december 2019 tot en met 17 mei 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd, ongeveer 24 kg van een materiaal bevattende cocaïne, te weten
- op of omstreeks 29 december 2019 6 blokken(chat 1) en
- op of omstreeks 1 maart 2020 7 blokken (chat 2) en
- op of omstreeks 12 mei 2020 10 blokken (chat 3) en
- op of omstreeks 17 mei 2020 1 blok (chat 4),
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1
Dit hof heeft bij arrest van heden onder parketnummer 20-003322-24 het vonnis voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 bevestigd.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Schatting van het voordeel
De advocaat-generaal heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard dat de in totaal 24 door de rechtbank bewezenverklaarde blokken cocaïne voordeel voor betrokkene hebben opgeleverd. De verdediging gaat uit van 23 blokken.
De advocaat-generaal heeft daarbij de schatting van de rechtbank gevolgd en heeft aan de hand van in een tweetal chatberichten voorkomende prijzen, de inkoopprijs per blok cocaïne op € 26.750,- gesteld en de verkoopprijs op € 30.750,- per blok en daarmee op een voordeel van € 4.000,- per blok voor betrokkene. De verdediging heef daartegenover gesteld dat de verklaring van betrokkene dient te worden gevolgd dat hij niet “de grote man” in de drugshandel was, dat hij enkel drugs en geld doorschoof en dat hij per blok een bedrag van maximaal € 500,- ontving.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De ontnemingsmaatregel strekt ertoe de betrokkene het wederrechtelijk voordeel te ontnemen dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
Betrokkene heeft verklaard dat hij niet meer dan een “tussenschakel” in de cocaïnehandel is geweest en niet een van de “grote mannen ” in die handel. Volgens betrokkene kocht en verkocht hij zelf niet de cocaïne maar was hij enkel “doorschuiver”. Volgens betrokkene stond er een opdrachtgever boven hem en kreeg hij via bepaalde mensen een contact, dit was telkens hetzelfde contact T42, en een locatie. Betrokkene regelde alles voor deze personen: hij liet de verdovende middelen testen, leverde deze af en gaf het geld terug aan de opdrachtgever. Betrokkene kocht de cocaïne niet zelf maar kreeg deze op krediet van zijn opdrachtgever mee. Na aflevering van de cocaïne gaf hij het geld aan de opdrachtgever onder inhouding van een bedrag van maximaal € 500,-.
Voor deze verklaring van betrokkene lijkt bevestiging in het dossier te kunnen worden gevonden.
Zo volgt uit een chatbericht (chatgesprek van 27 december 2019, tijdstip 13:51:12) dat betrokkene voor wat betreft de prijsstelling afhankelijk was van een ander (“Bro, I think the price is the same like last time or a little bit less. But not more like last time. I think a little bit maybe a litlle bit less. But let’s wait for it”.
Voorts volgt uit het dossier dat onder betrokkene een zogenaamde “token” is aangetroffen waarover in het dossier het navolgende is opgenomen (pagina 19 van het dossier):
“Ten aanzien van het aangetroffen deel van het eurobankbiljet zij opgemerkt dat uit eerdere opsporingsonderzoeken bleek dat binnen criminele organisaties bij overdracht van gelden en/of goederen gebruik wordt gemaakt van tussenpersonen welke zich bedienen/identificeren middels een zogenoemd ‘token’ voorzien van een uniek nummer. Daarbij wordt regelmatig gebruik gemaakt van een deel van een bankbiljet van kleine valuta waarbij het biljetnummer fungeert als uniek nummer.”
Mede bezien in het licht van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, ziet het hof onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene de winst van circa € 4.000,- per kilo in zijn geheel zelf opstreek. Voornoemde aanwijzingen wegen voor het hof zwaarder dan de meer algemene aanwijzingen in het ontnemingsrapport. Dat de in een chatgesprek genoemde inkoopprijs overeenstemt met de marktprijs van een blok cocaïne brengt nog niet met zich mee dat enkel betrokkene voordeel heeft genoten van het verschil tussen inkoop- en verkoopprijs. Zoals hiervoor gesteld gaat het er immers om te bepalen wat een betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk aan voordeel heeft behaald.
Samenvattend volgt het hof de betrokkene in zijn verklaring en stelt het door betrokkene genoten geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van (23 blokken x € 500,-=) € 11.500,-. Het hof gaat uit van 23 blokken aangezien een blok cocaïne in de kelderbox van de verdachte is aangetroffen en het wederrechtelijk voordeel van € 500,- niet lijkt te zijn genoten.
Het hof verwerpt het andersluidende standpunt van de advocaat-generaal.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gijzeling
Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 115 dagen
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 11.500,00 (elfduizendvijfhonderd euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 11.500,00 (elfduizendvijfhonderd euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 115 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 30 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C.P.J. Scheele en mr. H.A.T.G. Koning zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.