Strafrecht overig

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
20-003879-19
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:3015
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon tezamen en in vereniging met medeverdachte opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. In deze aangiften is ten onrechte aanspraak gemaakt op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Daardoor heeft de rechtspersoon over het leeuwendeel van de door haar in 2014 en 2015 behaalde omzet 0% belasting afgedragen, terwijl over die omzet op grond van de wet 21% omzetbelasting had moeten worden afgedragen.

Voorts is bewezen verklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon tezamen en in vereniging met medeverdachte valselijk opmaken van verkoopfacturen, zulks telkens met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

Teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, had de verdachte een schijnconstructie opgezet waarbij in strijd met de waarheid de indruk werd gewekt dat sprake was van intracommunautaire leveringen waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. Onderdeel van die schijnconstructie was het door medewerkers van de rechtspersoon opmaken van valse verkoopfacturen.

Het hof acht in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek passend en geboden. Vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003879-19

Uitspraak : 29 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 9 december 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-997602-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank:

  • de verdachte vrijgesproken van de hem onder 3 en 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde feiten;

  • de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen verklaard;

  • deze feiten gekwalificeerd als

t.a.v. feit 1: ‘feitelijke leiding geven aan medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’;

t.a.v. feit 2: ‘feitelijke leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’;

  • de verdachte strafbaar verklaard en

  • aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit tegen voornoemde vrijspraken is gericht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit van de aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van een deel van de in de tenlastelegging onder 1 en 2 opgenomen pleegperiode. Voorts heeft de raadsman, voor het geval dat het hof (wel) tot een bewezenverklaring komt, een strafmaatverweer gevoerd.

Bij appelschriftuur d.d. 24 december 2019 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte het verzoek gedaan tot het horen van [getuige 1] (contactpersoon bij [bedrijf 1] ) als getuige. Dit verzoek is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 september 2021 toegewezen. Daarbij is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris, teneinde onder meer voornoemde persoon als getuige te horen. De raadsheer-commissaris heeft vervolgens, na een telefoongesprek met de getuige en na (telefoon)gesprekken met onder andere haar bedrijfsarts, geconcludeerd dat de getuige, gelet op de medisch-psychische toestand waarin zij destijds verkeerde, niet in staat was te verklaren tijdens een gerechtelijk verhoor en dat haar gezondheid c.q. welzijn in gevaar zou worden gebracht als zij wel werd onderworpen aan een dergelijk verhoor, zodat geen uitvoering kon worden gegeven aan de opdracht van het hof van 17 september 2021 (zie het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 26 september 2022).

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 september 2026 heeft de raadsman van de verdachte gepersisteerd bij voormeld verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdediging nog altijd een belang heeft bij het horen van de getuige en voorts dat aannemelijk is dat de getuige inmiddels wel in staat is om een verklaring af te leggen tijdens een gerechtelijk verhoor. Daarnaast heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 september 2026 het hof voorwaardelijk, namelijk ingeval het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, verzocht om nader onderzoek te laten doen naar de feitelijke goederenstromen waarop de verkoopfacturen van [rechtspersoon] betrekking hebben en in dat verband een reconstructie op te laten maken per relevante transactie (i.e. factuur en goederen; tracking- en verzendgegevens; werkelijk afleverland; toepasselijke btw-regel en drempel in 2014/2015; de entiteit die tot aangifte gehouden was; verschuldigde, aangegeven en betaalde btw; het eventueel resterende belastingnadeel).

Het hof heeft vervolgens bepaald dat bij (tussen- of eind)arrest zal worden beslist op de hiervoor beschreven verzoeken van de raadsman. Deze beslissing volgt verderop in dit (eind)arrest.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Dat laat onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de inhoud van het vonnis waarvan beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:

1.

[rechtspersoon] , hierna te noemen “ de B.V. ”, op of omstreeks 27 juli 2014 en/of 1 november 2014 en/of 29 januari 2015 en/of 29 april 2015, in de gemeente(n) ‘s-Hertogenbosch en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de Omzetbelasting ten name van [rechtspersoon] over het/de aangiftetijdvak(ken)

tweede kwartaal 2014 (pagina 632) en/of derde kwartaal 2014 (pagina 633) en/of vierde kwartaal 2014 (pagina 634 tot en met 636) en/of eerste kwartaal 2015 (pagina 637 tot en met 639),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers, heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken), – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting en/of een te laag en/of onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of laten opgeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[rechtspersoon] , hierna te noemen “ de B.V. ”, op of omstreeks 6 mei 2014 en/of 24 juli 2014 en/of 3 september 2014 en/of 4 november 2014, in de gemeente(n) ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een factuur, te weten

de factuur met factuurnummer 5737 van 6 mei 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 2] (DOC-101) en/of;

de factuur met factuurnummer 6064 van 24 juli 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 3] (DOC-115) en/of

de factuur met factuurnummer 6111 van 3 september 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 4] (DOC-119) en/of;

de factuur met factuurnummer 6235 van 4 november 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 5] (DOC-105),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

immers, heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – op de factu(u)r(en) voornoemd, althans op één of meer van de factu(u)r(en) voornoemd, verkooptransacties tussen de B.V. en de geadresseerde onderneming(en) vermeld en/of doen vermelden, terwijl deze verkooptransacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en/of de op die factu(u)r(en) vermelde goederen in werkelijkheid niet aan de geadresseerde onderneming(en) zijn geleverd,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[rechtspersoon] , hierna te noemen “ de B.V. ”, op 27 juli 2014 en 1 november 2014 en 29 januari 2015 en 29 april 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de Omzetbelasting ten name van [rechtspersoon] over de aangiftetijdvakken

tweede kwartaal 2014 en derde kwartaal 2014 en vierde kwartaal 2014 en eerste kwartaal 2015,

onjuist heeft gedaan,

immers, hebben de B.V. en haar medeverdachte toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken telkens valselijk en in strijd met de waarheid een te laag en onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[rechtspersoon] , hierna te noemen “ de B.V. ”, op of omstreeks 6 mei 2014 en 24 juli 2014 en 3 september 2014 en 4 november 2014 in ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens een factuur, te weten

de factuur met factuurnummer 5737 van 6 mei 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 2] en;

de factuur met factuurnummer 6064 van 24 juli 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 3] en

de factuur met factuurnummer 6111 van 3 september 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 4] en;

de factuur met factuurnummer 6235 van 4 november 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 5] ,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers, hebben de B.V. en haar medeverdachte toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid op de facturen voornoemd verkooptransacties tussen de B.V. en de geadresseerde ondernemingen vermeld en/of doen vermelden, terwijl deze verkooptransacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en de op die facturen vermelde goederen in werkelijkheid niet aan de geadresseerde ondernemingen zijn geleverd,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

aan welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde, in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijsoverwegingen t.a.v. het onder 1 tenlastegelegde (onjuiste belastingaangifte)

Onder 1 is aan de verdachte tenlastegelegd, zakelijk weergegeven, dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon] al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk onjuist of onvolledig doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

In de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting is telkens voor grote bedragen aanspraak gemaakt op de zogenoemde verleggingsregeling en/of het nultarief voor intracommunautaire leveringen (zie hierna voor het juridisch kader). Bij de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde staat de vraag centraal of de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen al dan niet terecht zijn toegepast.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen niet toegepast hadden mogen worden, zodat de aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 onjuist zijn gedaan, aan welke verboden gedragingen de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven. De advocaat-generaal acht het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 2] en tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 5] sprake was van ‘dropshipping’, een vorm van e-commerce waarbij een ondernemer online producten verkoopt die hij zelf niet op voorraad heeft en die door een leverancier, zonder tussenkomst van de verkoper, rechtstreeks bij de klant worden afgeleverd. Dropshipping is legaal, zodat van een schijnconstructie om belasting te ontduiken geen sprake was, aldus de raadsman. Ook is aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het onjuist of onvolledig doen van de aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] .

Subsidiair heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van een deel van de tenlastegelegde pleegperiode, namelijk van dat deel van de periode waarin de btw-identificatienummers van [bedrijf 2] en [bedrijf 5] actief waren. Het btw-identificatienummer van [bedrijf 2] is op 15 juni 2014 gedeactiveerd en het btw-identificatienummer van [bedrijf 5] is op 20 oktober 2014 gedeactiveerd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [rechtspersoon] en (daarmee) de verdachte in de hiervoor bedoelde periode, zowel ten aanzien van de leveringen aan [bedrijf 2] als ten aanzien van de leveringen aan [bedrijf 5] , hebben gehandeld binnen de wettelijke kaders van respectievelijk het nultarief en de verleggingsregeling. Van het onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting was in die periode dan ook geen sprake, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Juridisch kader

Telkens wanneer in dit arrest wordt gesproken van of verwezen naar wettelijke voorschriften, wordt bedoeld de wettelijke voorschriften, zoals deze ten tijde van het tenlastegelegde rechtens golden.

Artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) bepaalt dat onder de naam omzetbelasting een belasting wordt geheven ter zake van onder meer leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer worden verricht. Artikel 7, eerste lid, van de Wet OB definieert de term ondernemer als ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De (omzet)belasting wordt berekend over de vergoeding (artikel 8, eerste lid, van de Wet OB) en bedraagt in beginsel 21% (artikel 9, eerste lid, van de Wet OB).

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Wet OB bedraagt de (omzet)belasting nihil voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen en mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden (artikel 9, tweede lid, onder b, jo. tabel II, onder a, onder 6, van de Wet OB). Deze voorwaarden zijn opgenomen in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: UBOB). Het eerste lid van voornoemd artikel bepaalt dat de aanspraak op toepassing van het nultarief voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, oftewel intracommunautaire leveringen, slechts geldt indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt. Lid 2 onder 2° van voornoemd artikel bepaalt voorts dat, voor wat betreft intracommunautaire leveringen, het nultarief slechts van toepassing is indien de ondernemer beschikt over het btw-identificatienummer van degene die de goederen afneemt en dit btw-identificatienummer is toegekend door een andere lidstaat dan die waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt.

Het recht op vrijstelling van omzetbelasting voor intracommunautaire leveringen vindt zijn oorsprong in het Europese recht. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat dit recht op vrijstelling aan een belastingplichtige kan worden geweigerd als aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige “wist of had moeten weten” dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet OB wordt de (omzet)belasting geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht. Op dit uitgangspunt kent de wet evenwel enkele uitzonderingen. Zo bepaalt artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB dat in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen, onder bij of krachtens deze maatregel te stellen regelen, de belasting wordt geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, teneinde voor de inning daarvan meer waarborgen te scheppen. Dit wordt ook wel de ‘verleggingsregeling’ genoemd. In artikel 24 ba, eerste lid, onder g, onder 1°, UBOB is bepaald dat als gevallen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB, mede worden aangewezen de gevallen waarbij mobiele telefoons worden geleverd aan een ondernemer voor een totaalbedrag van € 10.000,00 of meer per levering per soort goed, de omzetbelasting niet daaronder begrepen.

Zowel voor toepassing van de verleggingsregeling als voor toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen is vereist dat sprake is van ‘business to business’-leveringen.

Op grond van artikel 14 van de Wet OB moet de in een tijdvak verschuldigd geworden (omzet)belasting op aangifte worden voldaan. Het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, is, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, strafbaar gesteld in artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Feiten en omstandigheden en toepassing juridisch kader

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

[rechtspersoon] is op 9 oktober 2012 opgericht. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 10 september 2015 is vermeld dat [rechtspersoon] een groothandel is in overige consumentenartikelen en zich richt op het distribueren, importeren en exporteren van elektronische apparatuur. Van 9 oktober 2012 tot 17 april 2015 was [bedrijf 6] enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] . Sinds 17 april 2015 is [bedrijf 7] enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] .

[bedrijf 6] is op 16 april 2012 opgericht. Vanaf de datum van oprichting is de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 6] . [bedrijf 7] is op 16 april 2015 opgericht. Vanaf de datum van oprichting is de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 7] .

Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde was de verdachte via [bedrijf 6] indirect enig bestuurder van [rechtspersoon] .

De verdachte is een ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB en [rechtspersoon] is op grond van artikel 1 jo. artikel 12 van de Wet OB omzetbelastingplichtig.

Op 27 juli 2014 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [rechtspersoon] over het tweede kwartaal van 2014 ontvangen. Op 1 november 2014 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [rechtspersoon] over het derde kwartaal van 2014 ontvangen. Op 29 januari 2015 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [rechtspersoon] over het vierde kwartaal van 2014 ontvangen en op 29 april 2015 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [rechtspersoon] over het eerste kwartaal van 2015 ontvangen.

In de aangifte over het tweede kwartaal van 2014 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ een omzetbedrag van € 245.833,00 opgenomen, achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 164.817,00 en achter de post ‘Lev./dien. naar/in EU’ een omzetbedrag van € 996.850,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 en dat het omzetbedrag achter de post ‘Lev./dien. naar/in EU’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 2] voor leveringen van consumentenelektronica (hoofdzakelijk mobiele telefoons).

In de aangifte over het derde kwartaal van 2014 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ een omzetbedrag van € 75.076,00 opgenomen en achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 3.132.848,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ volledig gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.

In de aangifte over het vierde kwartaal van 2014 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ een omzetbedrag van € 80.652,00 opgenomen en achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 2.178.436,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 5] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.

In de aangifte over het eerste kwartaal van 2015 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ en omzetbedrag van € 7.890,00 opgenomen en achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 1.397.658,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 5] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.

Het hof is, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat [rechtspersoon] in de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting onterecht aanspraak heeft gemaakt op de verleggingsregeling (‘0%/niet belast’) en het nultarief voor intracommunautaire leveringen (‘Lev./dien. naar/in EU’), met als gevolg dat te weinig omzetbelasting is geheven. Daarmee zijn deze aangiften naar het oordeel van het hof (opzettelijk) onjuist gedaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[bedrijf 2] en [bedrijf 5]

De toepassing van het nultarief in de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014 is gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 2] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons). [bedrijf 2] is een op 24 februari 2012 naar Frans recht opgerichte vennootschap. Vanaf de datum van oprichting was de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder (zaakvoerder) van [bedrijf 2] . Op 15 juni 2014 is het btw-identificatienummer van [bedrijf 2] door de Franse autoriteiten ingetrokken/gedeactiveerd. Redenen daarvoor waren dat [bedrijf 2] in Frankrijk geen exploitatiemiddelen, zoals een pand, personeel en een bankrekening, had, dat aan [bedrijf 2] gerichte post geretourneerd werd zonder dat er aanspraak op was gemaakt en dat het de Franse autoriteiten, ook na navraag bij de verdachte, niet was gelukt om informatie te verkrijgen over de activiteiten van [bedrijf 2] , anders dan de informatie die in het uittreksel uit het handelsregister was vermeld.

De toepassing van de verleggingsregeling in de aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 is hoofdzakelijk gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 5] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00. [bedrijf 5] is op 9 oktober 2014 opgericht. Vanaf de datum van oprichting is [stichting 1] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 5] . [stichting 1] is eveneens op 9 oktober 2014 opgericht en vanaf de datum van oprichting tot 21 januari 2015 was de verdachte enig bestuurder van deze stichting. Per 21 januari 2015 volgde [betrokkene 1] , een neef van de verdachte, de verdachte op als enig bestuurder van [stichting 1] . Bij de Kamer van Koophandel was [adres 2] geregistreerd als bezoekadres van [bedrijf 5] en [website] als internetadres. Op 20 oktober 2014 is het btw-identificatienummer van [bedrijf 5] door de Belastingdienst ingetrokken/gedeactiveerd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 5] houder is geweest van de website [website] ; [bedrijf 2] van 1 april 2014 tot en met 9 oktober 2014 en [bedrijf 5] in de periode daarna. Via [website] werd hoofdzakelijk consumentenelektronica aangeboden en verkocht aan particuliere afnemers. Daarbij werd 21% btw in rekening gebracht. De opbrengsten die werden gegenereerd met verkopen via de website [website] , werden door payment serviceprovider [bedrijf 8] gestort op de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . In de periode van 28 april tot en met 14 oktober 2014 heeft [bedrijf 8] een totaalbedrag van € 4.875.579,98 aan opbrengsten gestort op de bankrekening van [bedrijf 2] . In de periode van 31 oktober 2014 tot en met 10 maart 2015 heeft [bedrijf 8] een totaalbedrag van € 2.893.488,64 aan opbrengsten gestort op de bankrekening van [bedrijf 5] . Opvallend is dat [bedrijf 8] in de periode van 15 tot en met 30 oktober 2014 een totaalbedrag van € 782.699,04 heeft gestort op de bankrekening van [rechtspersoon] . Een medewerker van [bedrijf 8] heeft verklaard dat [bedrijf 5] gedurende die periode nog geen bankrekeningnummer had en dat om die reden was overeengekomen dat de in die periode via de website [website] gegenereerde omzet werd overgemaakt naar de bankrekening van [rechtspersoon] .

[bedrijf 2] heeft noch in Frankrijk, noch in Nederland omzetbelasting afgedragen. [bedrijf 5] heeft evenmin omzetbelasting afgedragen.

Uit onderzoek van de FIOD naar de bankrekening en bankafschriften van [rechtspersoon] is gebleken dat [rechtspersoon] ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde veelvuldig hoge geldbedragen heeft ontvangen van [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , telkens onder vermelding van een factuurnummer. Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [rechtspersoon] (aan het vestigingsadres [adres 3] ) zijn in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] verkoopfacturen aangetroffen die kunnen worden gekoppeld aan deze geldtransacties. Deze facturen zijn, zonder uitzondering, gericht aan [naam 1] – dat geldt dus zowel voor de facturen aan [bedrijf 2] als voor de facturen aan [bedrijf 5] – en hebben betrekking op de levering van consumentenelektronica door [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . Het op de facturen vermelde bedrag exclusief btw is, behoudens één uitzondering, telkens gelijk aan het op de facturen vermelde bedrag inclusief btw. Door [rechtspersoon] werd dus geen btw in rekening gebracht aan [bedrijf 2] en [bedrijf 5] .

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de feitelijke gang van zaken omtrent de verkopen en leveringen van consumentenelektronica via de website [website] anders verliep dan de hiervoor genoemde facturen doen voorkomen.

In dat verband is allereerst het volgende van belang. Hoewel [bedrijf 2] en [bedrijf 5] in 2014 en 2015 achtereenvolgens houder waren van de website [website] , is deze website gemaakt door een medewerker van [rechtspersoon] , [getuige 2] , die vanaf september 2014 als programmeur in vaste dienst was aangesteld. Bovendien werd de website beheerd door medewerkers van [rechtspersoon] . Bestellingen die werden gedaan via de website [website] kwamen binnen bij [rechtspersoon] . Deze bestellingen werden door een externe leverancier, [bedrijf 1] , opgehaald bij het kantoorpand van [rechtspersoon] aan [adres 3] en vervolgens rechtstreeks geleverd aan particuliere afnemers. In voornoemd kantoorpand bevond zich een klein magazijn met kluiskasten waarin de bestelde goederen (voornamelijk consumentenelektronica) werden opgeslagen. Retourzendingen dienden te worden verstuurd naar [adres 2] . In het aldaar gevestigde bedrijfsverzamelgebouw was op naam van [bedrijf 2] en later (ook) [stichting 1] een locker gehuurd van 39 centimeter breed, 39 centimeter diep en 90 centimeter hoog. De retourzendingen werden vervolgens opgehaald door medewerkers van [rechtspersoon] , onder wie medeverdachte [medeverdachte] .

Voorts is van belang dat [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , behoudens de verdachte, geen personeel in dienst hadden en evenmin beschikten over een kantoor- en/of bedrijfsruimte. Mede hierom hebben de Franse autoriteiten het btw-identificatienummer van [bedrijf 2] per 15 juni 2014 ingetrokken/gedeactiveerd. Als gezegd, zijn de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 5] telkens gericht aan ene [naam 1] . Onder deze naam zijn ook e-mailberichten verstuurd aan payment serviceprovider [bedrijf 8] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 1] een niet-bestaand persoon betreft.

Daar komt bij dat, hoewel de vervoersovereenkomst met [bedrijf 1] was afgesloten door [bedrijf 2] en de locker in het bedrijfsverzamelgebouw [bedrijf 9] aan [adres 2] was gehuurd op naam van [bedrijf 2] en later (ook) [stichting 1] , vertegenwoordigers van deze beide partijen verklaard hebben dat zij steeds contact hadden met medeverdachte [medeverdachte] , die als zzp’er werkzaam was voor [rechtspersoon] en niet voor [bedrijf 2] of [stichting 1] . In het contact en de communicatie met voornoemde partijen werden bovendien, naast [bedrijf 2] of [stichting 1] , ook de namen [website] en [bedrijf 5] gevoerd.

Het hof stelt, gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, vast dat ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde nagenoeg alle activiteiten (inclusief de communicatie) met betrekking tot de verkoop, levering en retour van consumentenelektronica via de website [website] – welke website bovendien werd beheerd door medewerkers van [rechtspersoon] – werden verricht vanuit het kantoorpand van [rechtspersoon] en door (medewerkers van) [rechtspersoon] . Dat sluit ook aan bij hetgeen in het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 10 september 2015 is vermeld over de (bedrijfs)activiteiten van [rechtspersoon] , te weten dat [rechtspersoon] zich richt op het distribueren, importeren en exporteren van elektronische apparatuur. Weliswaar werd de omzet, gegenereerd met verkopen via de website [website] , gestort op de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , stond de vervoersovereenkomst met leverancier [bedrijf 1] op naam van [bedrijf 2] en huurde [bedrijf 2] en later (ook) [stichting 1] de locker in het bedrijfsverzamelgebouw aan [adres 2] . Echter, [bedrijf 2] en [bedrijf 5] leverden geen enkele feitelijke en/of economische bijdrage aan de verkoop, levering en retour van consumentenelektronica via de website [website] .

Dat in feite geen sprake was van drie van elkaar te onderscheiden ondernemingen met elk een eigen bijdrage aan het verkoop- en leveringsproces rondom [website] , doch slechts van één onderneming waarin alle (economische) activiteit was gecentreerd, blijkt voorts uit de verklaring die de verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, namelijk dat [bedrijf 2] en [bedrijf 5] aan [rechtspersoon] gelieerd waren en dat het niet zoveel uitmaakte waar de behaalde winst terechtkwam.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat [bedrijf 2] en [bedrijf 5] door de verdachte louter zijn op- en ingezet om bij de autoriteiten, in strijd met de waarheid, te doen voorkomen dat ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde sprake was van intracommunautaire leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 2] waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 5] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. In werkelijkheid was in het geheel geen sprake van leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . De bestellingen die via de website [website] binnenkwamen, werden rechtstreeks van het vestigingsadres van [rechtspersoon] aan [adres 3] naar de klant gezonden. Naar het oordeel van het hof was aldus sprake van een schijnconstructie, die was opgezet met het enkele doel om belasting te ontduiken, welk doel ook is verwezenlijkt. Immers, noch [rechtspersoon] , noch [bedrijf 2] en [bedrijf 5] hebben over de omzet die werd gegenereerd met verkopen via de website [website] omzetbelasting betaald, terwijl aan klanten van [website] wel 21% btw in rekening is gebracht. Omdat alle economische activiteit rondom de website [website] plaatsvond bij [rechtspersoon] , lag de plicht tot het afdragen van deze btw naar het oordeel van het hof bij [rechtspersoon] .

Het hof heeft bij zijn oordeel dat sprake was van een schijnconstructie, opgezet met het enkele doel om belasting te ontduiken, tot slot het volgende in aanmerking genomen.

In de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] zijn grote aantallen facturen aangetroffen betreffende de in- en verkoop van mobiele telefoons door [rechtspersoon] . De FIOD heeft diverse in- en verkoopfacturen die betrekking hebben op eenzelfde merk en type telefoon in eenzelfde periode met elkaar vergeleken. Daarbij is gebleken dat de prijs die [rechtspersoon] betaalde voor de inkoop van mobiele telefoons telkens nagenoeg gelijk was aan de prijs exclusief 21% btw die [rechtspersoon] vervolgens wel inclusief 21% btw bij particuliere afnemers van deze of soortgelijke mobiele telefoons in rekening bracht. Als [rechtspersoon] de door deze afnemers betaalde btw in de vorm van omzetbelasting had afgedragen aan de Belastingdienst, zoals zij bij wet verplicht was, dan zou met de verkoop van de mobiele telefoons geen winst zijn behaald en was het bedrijf vermoedelijk daardoor op enig moment failliet gegaan. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte herhaaldelijk gevraagd een verklaring te geven voor het feit dat [rechtspersoon] , ondanks het hiervoor beschreven ‘verdienmodel’, blijkens de aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 gedurende die periode zeer hoge bedragen aan omzet heeft gegenereerd. Daarop antwoordde de verdachte dat hij zich dat niet meer kon herinneren. Tot slot volgt uit de bewijsmiddelen dat bij de Belastingdienst/FIOD meerdere meldingen zijn binnengekomen van concurrentievervalsing door [rechtspersoon] / [website] , inhoudende dat op de website [website] consumentenelektronica structureel onder de marktprijs werd aangeboden.

Het verweer van de verdediging dat tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 2] en tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 5] sprake was van ‘dropshipping’ wordt verworpen. Kenmerk van dropshipping is dat iedere betrokken onderneming een rol heeft bij het verkoop- en leveringsproces en aan dat proces een feitelijke en economische bijdrage (van toegevoegde waarde) levert. Over deze bijdrage wordt veelal een marge in rekening gebracht. Gelet op al het voorgaande, stelt het hof vast dat in de onderhavige zaak van dropshipping geen sprake was. De tussen [rechtspersoon] , [bedrijf 2] en [bedrijf 5] opgezette (schijn)constructie diende immers geen legitiem doel. In dat verband acht het hof ook van belang dat uit het dossier en de bewijsmiddelen volgt dat [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] en [bedrijf 5] geen kosten in rekening bracht voor alle werkzaamheden die zij met betrekking tot de verkoop en levering van consumentenelektronica via de website [website] verrichtte, waaronder ook het voorraadbeheer en de regeling van het logistieke proces. Evenmin werden kosten in rekening gebracht voor het beheer van de website [website] . Tevens neemt het hof in aanmerking dat verdachte van alle drie bedrijven (indirect) enig bestuurder was.

Ook het partiële vrijspraakverweer van de verdediging wordt, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, verworpen.

[bedrijf 3] en [bedrijf 4]

De toepassing van de verleggingsregeling in de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2014 is volledig gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.

De toepassing van de verleggingsregeling in de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2014 is deels gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 3] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00 per levering.

Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [rechtspersoon] (aan het vestigingsadres [adres 3] ) zijn in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] ook verkoopfacturen aangetroffen die zijn gericht aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , met dagtekening in het derde kwartaal van 2014. Deze facturen hebben betrekking op leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van € 10.000,00 of meer per levering tijdens het derde kwartaal van 2014. Het op de facturen vermelde klantnummer is hetzelfde klantnummer als is vermeld op de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] – dat geldt zowel voor de facturen gericht aan [bedrijf 3] als voor de facturen gericht aan [bedrijf 4] . Op de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] wordt geen btw in rekening gebracht. Het totaalbedrag van de aan [bedrijf 3] gerichte verkoopfacturen bedraagt € 2.083.252,89. Het totaalbedrag van de aan [bedrijf 4] gerichte verkoopfacturen bedraagt € 983.073,76.

De hiervoor genoemde verkoopfacturen zijn niet aangetroffen in de bedrijfsadministraties van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Vanaf 10 september 2014 zijn de facturen aan [bedrijf 3] met enige regelmaat gericht aan [naam 2] . Deze naam komt niet voor in de gegevens met betrekking tot het bedrijf [bedrijf 3] .

Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] is voorts gebleken dat geen van beide bedrijven ooit geld heeft overgemaakt naar [rechtspersoon] . Daarentegen zijn de facturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , op één na, telkens betaald door [bedrijf 2] , terwijl [bedrijf 3] en [bedrijf 4] evenmin ooit enig geldbedrag hebben overgemaakt naar [bedrijf 2] . [bedrijf 2] is ook overigens op geen enkele wijze te linken is aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Het hof merkt in verband met het voorgaande op dat gedurende het derde kwartaal van 2014 [bedrijf 2] geen actief btw-identificatienummer had; dit was namelijk op 15 juni 2014 door de Franse autoriteiten ingetrokken.

[bedrijf 3] en [bedrijf 4] zijn allebei opgericht op 27 mei 2014. Vanaf de oprichtingsdatum tot 18 juli 2014 was [betrokkene 2] , via respectievelijk [stichting 2] en [stichting 3] , indirect enig bestuurder van zowel [bedrijf 3] als [bedrijf 4] . Per 18 juli 2014 volgde [betrokkene 3] [betrokkene 2] op als indirect bestuurder van beide bedrijven.

Op de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 3] is telkens als afleveradres vermeld [adres 4] . Dit betrof het woonadres van [betrokkene 2] , alwaar laatstgenoemde een varkenshouderij wilde starten. Op de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 4] is telkens als afleveradres vermeld [adres 5] . Op dit adres was [betrokkene 3] ingeschreven. Feitelijk woonde [betrokkene 3] evenwel in Enschede. De bankrekeningen van zowel [bedrijf 3] als [bedrijf 4] waren geregistreerd op het adres [adres 4] .

De Belastingdienst heeft [bedrijf 3] en [bedrijf 4] in verband gebracht met (omzet)belastingfraude en om die reden aan beide bedrijven naheffingsaanslagen opgelegd, voor het tijdvak 27 mei 2014 tot en met 30 september 2014.

Het hof is, op grond van het voorgaande – ook gelet op hetgeen ten aanzien van [bedrijf 2] en [bedrijf 5] reeds is overwogen – en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat, anders dan de hiervoor genoemde in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] aangetroffen verkoopfacturen doen voorkomen, geen leveringen hebben plaatsgevonden tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 3] en tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 4] . In de aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het derde en vierde kwartaal van 2014 is dan ook onterecht aanspraak gemaakt op de verleggingsregeling. Dit heeft tot gevolg gehad dat [rechtspersoon] over het derde en vierde kwartaal van 2014 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen.

Opzet

Alles overziende, is het hof van oordeel dat de door/namens [rechtspersoon] ingediende aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 onjuist zijn gedaan, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist zijn gedaan. Daarbij acht het hof allereerst en vooral van belang dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, als [rechtspersoon] de door de afnemers van consumentenelektronica via de website [website] betaalde btw in de vorm van omzetbelasting had afgedragen aan de Belastingdienst, zij met de verkoop van deze consumentenelektronica geen winst zou hebben behaald en op enig moment failliet zou zijn gegaan. Oftewel: [rechtspersoon] kon met de verkoop van consumentenelektronica via de website [website] winst maken, enkel omdat zij over die verkopen geen omzetbelasting afdroeg.

Teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, had de verdachte een schijnconstructie opgezet waardoor in strijd met de waarheid de indruk werd gewekt dat ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde sprake was van intracommunautaire leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 2] waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 5] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is, zoals hiervoor is uiteengezet en overwogen. Onderdeel van die schijnconstructie was het door medewerkers van [rechtspersoon] opmaken van valse verkoopfacturen (zie hierna voor de bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (valsheid in geschrift)). Deze valse verkoopfacturen zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] en dienden als bewijs voor de voorgewende (fictieve) intracommunautaire leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 2] , alsook voor de voorgewende (fictieve) leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 5] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering.

De aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 zijn, in opdracht van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , digitaal ingediend door [getuige 3] , een externe boekhouder. Voor het indienen van deze aangiften ontving [getuige 3] de benodigde administratieve gegevens en bescheiden van medeverdachte [medeverdachte] . Telkens voordat [getuige 3] de aangifte omzetbelasting over één van de hiervoor genoemde kwartalen indiende bij de Belastingdienst, liet hij de conceptaangifte zien aan de verdachte en/of [medeverdachte] en vroeg hij hen om hun toestemming voor het indienen van de aangiften. Pas na hun akkoord, diende [getuige 3] de aangifte in. [getuige 3] heeft verklaard dat zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte] goed op de hoogte waren van de geldende (omzet)belastingregels, waaronder de verleggingsregeling voor mobiele telefoons en de regeling van het nultarief voor intracommunautaire leveringen. De verdachte zelf heeft ook verklaard deze regels goed te kennen.

Ten tijde van het tenlastegelegde was de verdachte indirect bestuurder van zowel [rechtspersoon] als van [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . Hij wist dat over de verkopen van consumentenelektronica via de website [website] aan de afnemers 21% btw in rekening werd gebracht en hij wist ook dat noch [rechtspersoon] , noch [bedrijf 2] , noch [bedrijf 5] deze btw in de vorm van omzetbelasting afdroeg aan de Belastingdienst; de verdachte was immers bestuurder van deze bedrijven. De verdachte wist aldus dat over de omzet die werd gegenereerd met verkopen via de website [website] en die grotendeels ten goede kwam aan [rechtspersoon] geen omzetbelasting werd afgedragen, terwijl de wet daartoe wel verplicht.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat de door/namens [rechtspersoon] ingediende aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 opzettelijk onjuist zijn gedaan.

Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld, wordt, gelet op het voorgaande, verworpen.

Daderschap rechtspersoon

Het hof stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn, indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof hieromtrent de volgende feiten en omstandigheden vast .

De aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 zijn, in opdracht van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , digitaal ingediend door [getuige 3] , een externe boekhouder die werkzaamheden verrichtte voor [rechtspersoon] en daarvoor geregeld aanwezig was op het kantoor aan [adres 3] . Voor het indienen van deze aangiften ontving [getuige 3] de benodigde administratieve gegevens en bescheiden van medeverdachte [medeverdachte] , die als zzp’er werd ingehuurd door [rechtspersoon] en in die hoedanigheid een groot aantal werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf. Telkens voordat [getuige 3] de aangifte omzetbelasting over één van de hiervoor genoemde kwartalen indiende bij de Belastingdienst, liet hij de conceptaangifte zien aan de verdachte, (indirect) enig bestuurder van [rechtspersoon] , en/of [medeverdachte] en vroeg hij hen om hun toestemming voor het indienen van de aangiften. Pas na hun akkoord, diende [getuige 3] de aangifte in.

[rechtspersoon] is een Nederlandse onderneming die goederen levert aan (voornamelijk) Nederlandse consumenten en die derhalve op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 verplicht is tot het doen van aangifte omzetbelasting. [rechtspersoon] diende ieder kwartaal een aangifte omzetbelasting in bij de Belastingdienst. Het doen van omzetbelastingaangifte past dan ook binnen de normale bedrijfsvoering van [rechtspersoon] .

Door het opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, waarbij telkens onterecht aanspraak is gemaakt op de verleggingsregeling en/of het nultarief voor intracommunautaire leveringen, heeft [rechtspersoon] veel minder omzetbelasting afgedragen dan zij op grond van de wet had gemoeten. Het meermalen opzettelijk onjuist doen van de aangifte omzetbelasting is [rechtspersoon] dan ook dienstig geweest.

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat het niet afdragen van omzetbelasting het verdienmodel was van [rechtspersoon] en dat, om de omzetbelastingplicht te ontlopen, door de verdachte een schijnconstructie was opgezet. Het opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 was een noodzakelijk onderdeel van het verdienmodel van [rechtspersoon] en van de opgezette schijnconstructie. Gelet mede hierop, vermocht de rechtspersoon [rechtspersoon] er dan ook over te beschikken of de verboden gedragingen, te weten het meermalen opzettelijk onjuist doen van de aangifte omzetbelasting, al dan niet zouden plaatsvinden.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat de onder 1 tenlastegelegde gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [rechtspersoon] . Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan [rechtspersoon] worden toegerekend.

Medeplegen met medeverdachte [medeverdachte]

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer verdachten.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof hieromtrent de volgende feiten en omstandigheden vast.

Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde werd medeverdachte [medeverdachte] als zogenoemde zzp’er op vaste basis ingehuurd door [rechtspersoon] . [medeverdachte] was vanaf de oprichting bij [rechtspersoon] betrokken. Ten tijde van het tenlastegelegde fungeerde hij als manager/teamleider binnen [rechtspersoon] . Hij regelde de dagelijkse gang van zaken, stuurde personeel aan en was onder meer verantwoordelijk voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen. Ook bepaalde hij samen met de verdachte de doelstellingen voor het bedrijf en fungeerde hij als contactpersoon van externe partijen. [medeverdachte] handelde altijd in opdracht van en overleg met de verdachte.

Als overwogen, zijn de aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 digitaal ingediend door [getuige 3] , een externe boekhouder. [getuige 3] deed dit in opdracht van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Voor het indienen van deze aangiften ontving [getuige 3] de benodigde administratieve gegevens en bescheiden van medeverdachte [medeverdachte] . Telkens voordat [getuige 3] de aangifte omzetbelasting over één van de hiervoor genoemde kwartalen indiende bij de Belastingdienst, liet hij de conceptaangifte zien aan de verdachte en/of [medeverdachte] en vroeg hij hen om hun toestemming voor het indienen van de aangiften. Pas na hun akkoord, diende [getuige 3] de aangifte in. Als er een bedrag moest worden terugbetaald aan de Belastingdienst, maakte [medeverdachte] dat bedrag over.

Op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] een significante (materiële en intellectuele) bijdrage heeft geleverd aan het door [rechtspersoon] opzettelijk onjuist indienen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015. Het hof is daarnaast van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting door [rechtspersoon] opzettelijk onjuist werden ingediend. Het hof acht in dat verband de volgende feiten en omstandigheden, zoals die zijn vervat in de bewijsmiddelen, van belang.

Allereerst volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dat medeverdachte [medeverdachte] wist dat [rechtspersoon] in de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 aanspraak maakte op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Uit zijn verklaringen volgt ook dat hij dit wist. Medeverdachte [medeverdachte] wist ook dat op de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan buitenlandse zakelijke afnemers, waaronder [bedrijf 2] , het nultarief werd toegepast en dat op de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan Nederlandse zakelijke afnemers, waaronder [bedrijf 5] , die betrekking hadden op leveringen van mobiele telefoons van meer dan € 10.000,00 de verleggingsregeling werd toegepast. [getuige 3] heeft verklaard dat zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte] goed op de hoogte waren van de geldende (omzet)belastingregels, waaronder de verleggingsregeling voor mobiele telefoons en de regeling van het nultarief voor intracommunautaire leveringen. De verdachte heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte] heeft uitgelegd hoe deze regels werken.

Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde was medeverdachte [medeverdachte] binnen [rechtspersoon] verantwoordelijk voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen. Hij heeft verklaard dat de via de website [website] gedane bestellingen vanuit het kantoorpand van [rechtspersoon] aan [adres 3] rechtstreeks werden afgeleverd aan de consument, niet zijnde een zakelijke afnemer als [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , terwijl de levering van consumentenelektronica wel aan zakelijke afnemers werd gefactureerd. Medeverdachte [medeverdachte] wist bovendien dat [bedrijf 5] niet beschikte over een kantoor- of bedrijfsruimte, doch enkel over een postbus/locker in het bedrijfsverzamelgebouw aan [adres 2] . Hij was immers zelf de contactpersoon van de beheerder van het bedrijfsverzamelgebouw en ook meermaals op de locatie aan de [adres 2] geweest. [medeverdachte] wist dus ook dat aldaar geen ruimte was voor het ontvangen en opslaan van de zeer grote hoeveelheden consumentenelektronica die [rechtspersoon] aan [bedrijf 5] factureerde.

Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat medeverdachte [medeverdachte] bekend was met de ondernemingen [bedrijf 2] en [bedrijf 5] en ook handelingen verrichtte uit naam van deze ondernemingen. Zo heeft getuige [getuige 4] , legal & risk manager bij [bedrijf 1] , verklaard dat het contact tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , onder meer over het ingetrokken Franse btw-identificatienummer, vrijwel altijd via [medeverdachte] verliep. Verder blijkt uit een e-mailbericht van postservice [bedrijf 10] gericht aan [getuige 5] van bedrijfsverzamelgebouw [bedrijf 9] , alwaar [bedrijf 2] en later (ook) [stichting 1] een locker huurde, dat [medeverdachte] door [bedrijf 10] als eigenaar van onder andere [bedrijf 2] , [bedrijf 5] en [website] werd beschouwd. [medeverdachte] heeft zelf verklaard dat hij wel eens werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , doch enkel in opdracht van de verdachte, en dat hij er niet op lette of hij werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 2] of [rechtspersoon] , omdat dit voor hem slechts details waren. Ook heeft hij verklaard dat [rechtspersoon] en [bedrijf 2] in zijn ogen hetzelfde bedrijf betroffen, omdat zij dezelfde bestuurder hadden, te weten de verdachte.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [rechtspersoon] bij het indienen van de aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen.

Alles overwegende, is het hof, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [rechtspersoon] en medeverdachte [medeverdachte] bij het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, zodat het onder 1 tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feitelijke leiding geven

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon, niet uitsluitend de juridische positie, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon dient te worden betrokken, alsmede het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten. Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijke leiding geven valt, maar ook het algemene door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is, dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol van de verdachte tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leiding geven kan worden gesproken. In het bijzonder kan dat het geval zijn bij de verdachte die, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, geen maatregelen heeft getroffen om verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen.

In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Als feitelijke leidinggever moet de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de feitelijke leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Onder omstandigheden kan aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste eveneens zijn voldaan indien hij de werkzaamheden van de onderneming zo heeft georganiseerd dat hij ermee rekening heeft gehouden dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard ging met het begaan van strafbare feiten.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het hof van oordeel dat de onder 1 tenlastegelegde verboden gedragingen, te weten het meermalen opzettelijk onjuist doen van de aangifte omzetbelasting, redelijkerwijs aan [rechtspersoon] kunnen worden toegerekend.

Het hof stelt ten aanzien van het aan de verdachte tenlastegelegde feitelijke leidinggeven de volgende feiten en omstandigheden, zoals die zijn vervat in de bewijsmiddelen, vast.

Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde was de verdachte indirect enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] . Hij was in die hoedanigheid alleen en zelfstandig bevoegd te beschikken over de activiteiten van [rechtspersoon] . Alle werkzaamheden binnen [rechtspersoon] vonden plaats in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de verdachte, zo ook het indienen van de aangiften omzetbelasting. Dit heeft de verdachte ook zelf verklaard. De aangiften omzetbelasting werden bovendien pas ingediend nadat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daarvoor toestemming hadden gegeven en het was de verdachte die bij het indienen van de aangiften omzetbelasting als contactpersoon werd vermeld.

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat het niet afdragen van omzetbelasting het verdienmodel was van [rechtspersoon] en dat, teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, door de verdachte een schijnconstructie was opgezet waarbij, in strijd met de waarheid, de indruk werd gewekt dat sprake was van intracommunautaire leveringen tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 2] alsmede van leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed. Het opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 was een noodzakelijk onderdeel van het verdienmodel van [rechtspersoon] en van de door de verdachte willens en wetens opgezette schijnconstructie. Het opzet van de verdachte op deze verboden gedragingen van [rechtspersoon] is daarmee gegeven.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon] tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Conclusie

Al met al acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring.

Bewijsoverwegingen t.a.v. het onder 2 tenlastegelegde (valsheid in geschrift)

Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd, samenvattend weergegeven, dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon] al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) valselijk opmaken of vervalsen van vier verkoopfacturen, zulks telkens met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ook het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De in de tenlastelegging vermelde verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan respectievelijk [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] hebben betrekking op leveringen die nooit plaats hebben gevonden, nu in werkelijkheid het product rechtstreeks naar de particuliere klant ging. Op deze facturen is dan ook, in strijd met de waarheid, de verleggingsregeling en/of het nultarief voor intracommunautaire leveringen toegepast.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde verkoopfactuur van [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] heeft de raadsman aangevoerd dat deze factuur gedateerd is in de periode waarin het btw-identificatienummer van [bedrijf 2] nog actief was (zie ook het hiervoor beschreven verweer van de raadsman ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde). Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] heeft de raadsman aangevoerd dat deze facturen mogelijk zijn gebaseerd op een (administratieve) fout. De facturen zijn niet aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] en zijn, op één na, betaald door [bedrijf 2] . Waarschijnlijk hadden de facturen aldus gericht moeten zijn aan [bedrijf 2] in plaats van aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Feiten en omstandigheden en tussenconclusie

Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [rechtspersoon] (aan het vestigingsadres [adres 3] ) is in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] een grote hoeveelheid verkoopfacturen aangetroffen. Van deze aangetroffen verkoopfacturen zijn er vier opgenomen in de tenlastelegging (onder 2), namelijk de factuur met factuurnummer 5737 d.d. 6 mei 2014, gericht aan [bedrijf 2] , de factuur met factuurnummer 6064 d.d. 24 juli 2014, gericht aan [bedrijf 3] , de factuur met factuurnummer 6111 d.d. 3 september 2014, gericht aan [bedrijf 4] en de factuur met factuurnummer 6235 d.d. 4 november 2014, gericht aan [bedrijf 5] .

De factuur van [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] heeft betrekking op de levering van 70 mobiele telefoons voor een totaalbedrag van € 18.965,50. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde klantnummer betreft 6509 en het op de factuur vermelde afleveradres: [adres 6] . De factuur is geadresseerd aan [naam 1] .

De factuur van [rechtspersoon] aan [bedrijf 5] heeft betrekking op de levering van een (zeer) grote hoeveelheid consumentenelektronica (onder meer mobiele telefoons, laptops en tablets) voor een totaalbedrag van € 98.592,00. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde afleveradres betreft [adres 2] en de factuur is geadresseerd aan [naam 1] .

De factuur van [rechtspersoon] aan [bedrijf 3] heeft betrekking op de levering van 132 mobiele telefoons voor een totaalbedrag van € 31.011,00. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde klantnummer betreft 6509 en het op de factuur vermelde afleveradres: [adres 4] .

De factuur van [rechtspersoon] aan [bedrijf 4] heeft betrekking op de levering van 210 spelcomputers voor een totaalbedrag van € 67.010,01. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde klantnummer betreft 6509 en het op de factuur vermelde afleveradres: [adres 5] .

Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gemotiveerd overwogen dat (ten tijde van het tenlastegelegde) geen leveringen hebben plaatsgevonden tussen [rechtspersoon] en respectievelijk [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . [rechtspersoon] leverde daarentegen rechtstreeks aan particuliere klanten. Het verweer van de verdediging dat sprake was van ‘dropshipping’, is hiervoor door het hof gemotiveerd verworpen. De in de tenlastelegging onder 2 vermelde verkoopfacturen zijn dan ook vals. Deze facturen hebben immers betrekking op leveringen en verkooptransacties die nooit hebben plaatsgevonden, aangezien rechtstreeks werd geleverd aan particuliere klanten.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde facturen, gericht aan [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , geldt bovendien dat daarop als geadresseerde [naam 1] is vermeld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit een fictief persoon betreft en geen medewerker van [bedrijf 2] of [bedrijf 5] . Deze bedrijven hadden immers, behoudens de verdachte, geen personeel in dienst.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde facturen, gericht aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , geldt dat daarop hetzelfde klantnummer is vermeld als op de factuur, gericht aan [bedrijf 2] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze facturen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] ook zijn betaald door [bedrijf 2] . De facturen zijn niet teruggevonden in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Het lijkt er dan ook op dat deze facturen nooit zijn verstuurd aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] .

Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gemotiveerd overwogen dat het niet afdragen van omzetbelasting het verdienmodel was van [rechtspersoon] en dat, teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, door de verdachte een schijnconstructie was opgezet waarbij, in strijd met de waarheid, de indruk werd gewekt dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van intracommunautaire leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 2] waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van [rechtspersoon] naar respectievelijk [bedrijf 5] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. Omdat in het geheel geen sprake was van leveringen van [rechtspersoon] naar de hiervoor genoemde bedrijven, is op de verkoopfacturen aan deze bedrijven, met inbegrip van de facturen als genoemd in de tenlastelegging, ten onrechte de verleggingsregeling of het nultarief voor intracommunautaire leveringen toegepast.

Het hof stelt vast dat de onjuiste aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 mede zijn gebaseerd op de in de tenlastelegging onder 2 vermelde valse verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Deze facturen zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken en dienden als bewijs voor de voorgewende (fictieve) intracommunautaire leveringen van [rechtspersoon] naar [bedrijf 2] waarop het nultarief van toepassing is, alsook voor de voorgewende (fictieve) leveringen van [rechtspersoon] naar respectievelijk [bedrijf 5] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is.

Daderschap rechtspersoon

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde daderschap van de rechtspersoon [rechtspersoon] de volgende feiten en omstandigheden vast.

De in- en verkoopfacturen van [rechtspersoon] werden digitaal opgemaakt door medewerkers van [rechtspersoon] . Daarbij maakten zij gebruik van het factuurprogramma [softwareprogramma] . Door dit programma werd een sjabloon- of conceptfactuur opgesteld waarna alle daarop vermelde gegevens, zoals het afleveradres en het btw-percentage, door de medewerkers handmatig konden worden aangepast. In veel gevallen gebeurde dat ook.

In het uittreksel van de Kamer van Koophandel inzake [rechtspersoon] d.d. 10 september 2015 is vermeld dat [rechtspersoon] een groothandel is in overige consumentenartikelen en zich richt op het distribueren, importeren en exporteren van elektronische apparatuur. In de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] zijn grote hoeveelheden facturen aangetroffen. Het opmaken, (sturen) en administreren van facturen past dan ook binnen de normale bedrijfsvoering van [rechtspersoon] .

Het opmaken van valse verkoopfacturen, met inbegrip van de in de tenlastelegging onder 2 vermelde facturen, is [rechtspersoon] bovendien dienstig geweest; allereerst omdat op grond van deze facturen grote hoeveelheden geld is overgemaakt naar [rechtspersoon] en voorts omdat de facturen het bewijs vormden voor de ingediende aangiften omzetbelasting van [rechtspersoon] over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, in welke aangiften ten onrechte aanspraak is gemaakt op de verleggingsregeling en/of het nultarief voor intracommunautaire leveringen, met als gevolg dat [rechtspersoon] over voornoemde tijdvakken veel minder omzetbelasting heeft afgedragen dan waartoe zij wettelijk verplicht was.

Omdat, zoals reeds is overwogen, het valselijk opmaken van verkoopfacturen een noodzakelijk onderdeel was van de hiervoor beschreven schijnconstructie en daarmee van het verdienmodel van [rechtspersoon] , en ook gelet op het voorgaande, is het hof tot slot van oordeel dat de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of deze verboden gedragingen, te weten het valselijk opmaken van facturen, al dan niet zouden plaatsvinden.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat de onder 2 tenlastegelegde gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [rechtspersoon] . Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan [rechtspersoon] worden toegerekend.

Medeplegen met medeverdachte [medeverdachte]

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen door [rechtspersoon] met medeverdachte [medeverdachte] de volgende feiten en omstandigheden vast.

Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde het een en ander overwogen over de rol en werkzaamheden van medeverdachte [medeverdachte] binnen [rechtspersoon] . Mede ten tijde van het tenlastegelegde fungeerde [medeverdachte] als manager/teamleider en stuurde in die hoedanigheid de medewerkers van [rechtspersoon] aan. Ook de medewerkers die de facturen opmaakten, stuurde [medeverdachte] aan. [medeverdachte] heeft verklaard ook zelf facturen te hebben opgemaakt. Verder bepaalde [medeverdachte] samen met de verdachte de doelstellingen voor het bedrijf en fungeerde hij als contactpersoon van externe partijen.

Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte] (goed) op de hoogte was van de (omzet)belastingregels, waaronder de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat [medeverdachte] binnen [rechtspersoon] verantwoordelijk was voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen en dat hij verklaard heeft dat de via de website [website] gedane bestellingen vanuit het kantoorpand van [rechtspersoon] aan [adres 3] rechtstreeks werden afgeleverd aan de consument, niet zijnde een zakelijke afnemer als [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] wist dat [rechtspersoon] de levering van consumentenelektronica desalniettemin aan zakelijke afnemers factureerde.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] betreffende leveringen van consumentenelektronica, met inbegrip van de in de tenlastelegging onder 2 vermelde facturen, valselijk zijn opgemaakt.

In dat verband acht het hof voorts van belang dat, zoals hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde reeds is vastgesteld, [medeverdachte] meermaals werkzaamheden heeft verricht namens [bedrijf 2] , [bedrijf 5] en [stichting 1] en heeft verklaard dat [bedrijf 2] en [rechtspersoon] in zijn ogen hetzelfde bedrijf betroffen, omdat zij dezelfde bestuurder hadden, te weten de verdachte.

Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] de in de tenlastelegging onder 2 vermelde facturen zelf heeft opgemaakt, is het hof, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat de bijdrage van medeverdachte [medeverdachte] aan het valselijk opmaken van deze facturen van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Naar het oordeel van het hof is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [rechtspersoon] en medeverdachte [medeverdachte] daarmee dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feitelijke leiding geven

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde feitelijke leiding geven de volgende feiten en omstandigheden vast.

Ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde was de verdachte indirect enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] . Hij was in die hoedanigheid alleen en zelfstandig bevoegd te beschikken over de activiteiten van [rechtspersoon] . Alle werkzaamheden binnen [rechtspersoon] vonden plaats in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de verdachte, zo ook het opmaken van facturen.

Hoewel het opmaken van facturen niet viel onder de werkzaamheden van de verdachte, is het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door de verdachte willens en wetens opgezette schijnconstructie, van oordeel dat de verdachte niet alleen wist dat door medewerkers van [rechtspersoon] verkoopfacturen werden opgemaakt betreffende intracommunautaire leveringen alsmede betreffende leveringen aan zakelijke afnemers van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering, terwijl deze leveringen in werkelijkheid niet plaatsvonden, maar daartoe ook actief, al dan niet indirect via medeverdachte [medeverdachte] , opdracht had gegeven.

Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon] tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] valselijk opmaken van de in de tenlastelegging onder 2 vermelde verkoopfacturen, zulks telkens met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

Conclusie

Al met al acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring.

Afwijzing (voorwaardelijke) verzoeken verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 september 2026 heeft de raadsman van de verdachte het hof voorwaardelijk, namelijk ingeval het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, verzocht om nader onderzoek te laten doen naar de feitelijke goederenstromen waarop de verkoopfacturen van [rechtspersoon] betrekking hebben en in dat verband een reconstructie op te laten maken per relevante transactie (i.e. factuur en goederen; tracking- en verzendgegevens; werkelijk afleverland; toepasselijke btw-regel en drempel in 2014/2015; de entiteit die tot aangifte gehouden was; verschuldigde, aangegeven en betaalde btw; het eventueel resterende belastingnadeel).

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de door de verdachte/ [rechtspersoon] bewust opgezette schijnconstructie, ziet het hof geen reden om het door de verdediging verzochte nader onderzoek te laten uitvoeren. Het hof acht zich op grond van het beschikbare dossier voldoende voorgelicht om de voorliggende zaak en de tenlastelegging in het bijzonder op haar merites te beoordelen. Daar komt bij dat de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen slechts van toepassing zijn op zogenoemde ‘business-to-business’-leveringen. [rechtspersoon] leverde rechtstreeks aan particuliere consumenten. Dit wordt door de verdediging ook niet betwist. Van ‘business-to-business’-leveringen was aldus geen sprake. Evenmin was sprake van ‘dropshipping’, zoals hiervoor reeds gemotiveerd is overwogen.

Voormeld voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 september 2026 heeft de raadsman van de verdachte voorts gepersisteerd bij het door de verdediging bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige. [getuige 1] was ten tijde van het tenlastegelegde als accountmanager werkzaam bij [bedrijf 1] en de raadsman heeft aangevoerd haar te willen vragen naar de diverse goederenstromen vanuit [rechtspersoon] .

Hoewel het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige ter terechtzitting d.d. 17 september 2021 door het hof is toegewezen, is het hof, gelet op de vaststelling in dit arrest dat sprake is geweest van een bewust opgezette schijnconstructie, thans van oordeel dat de relevantie voor een dergelijk verhoor ontbreekt. Daar komt bij dat [getuige 1] ten tijde van het tenlastegelegde accountmanager was bij [bedrijf 1] en vanuit die functie geen (rechtstreekse) betrokkenheid had bij het operationele proces en de leveringen van bestellingen door [bedrijf 1] . Naar het oordeel van het hof moet dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten dat [getuige 1] iets zou kunnen verklaren over de diverse goederenstromen vanuit [rechtspersoon] , en zijn de punten waarover [getuige 1] (wel) zou kunnen verklaren, gelet op alles dat door het hof is overwogen over de feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet van belang voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing.

Het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige 1] als getuige wordt dan ook afgewezen.

Het hof heeft in dat verband ook het volgende in aanmerking genomen.

In zijn proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2022 heeft de raadsheer-commissaris geconcludeerd dat [getuige 1] , gelet op de medisch-psychische toestand waarin zij destijds verkeerde, niet in staat was te verklaren tijdens een gerechtelijk verhoor en dat haar gezondheid c.q. welzijn in gevaar zou worden gebracht als zij wel werd onderworpen aan een dergelijk verhoor, zodat geen uitvoering kon worden gegeven aan de opdracht van het hof van 17 september 2021. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat, in elk geval destijds, een goede reden bestond waarom de verdediging haar ondervragingsrecht, als bedoeld in artikel 6, derde lid onder d, van het EVRM, ten aanzien van [getuige 1] niet heeft kunnen uitoefenen.

Voorts is het hof van oordeel dat de bewijsvoering tegen de verdachte slechts in zeer beperkte mate en dus zeker niet uitsluitend of in beslissende mate is gestoeld op de verklaring van [getuige 1] , zoals die is vervat in het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 9 december 2015 (pagina’s 316 tot en met 322 van het dossier). Nagenoeg alle onderdelen van haar verklaring worden bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Gelet op al het voorgaande, is het hof van oordeel dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige niet in zijn verdediging is geschaad en dat de onderhavige procedure jegens de verdachte, in het geheel bezien, eerlijk is geweest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om, gelet onder meer op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon] tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. In deze aangiften is ten onrechte aanspraak gemaakt op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Daardoor heeft [rechtspersoon] over het leeuwendeel van de door haar in 2014 en 2015 behaalde omzet 0% belasting afgedragen, terwijl over die omzet op grond van de wet 21% omzetbelasting had moeten worden afgedragen.

Voorts is bewezen verklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon] tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] valselijk opmaken van verkoopfacturen, zulks telkens met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

Teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, had de verdachte een schijnconstructie opgezet waarbij in strijd met de waarheid de indruk werd gewekt dat sprake was van intracommunautaire leveringen waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. Onderdeel van die schijnconstructie was het door medewerkers van [rechtspersoon] opmaken van valse verkoopfacturen. Deze valse verkoopfacturen zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon] en dienden als bewijs voor de voorgewende (fictieve) intracommunautaire leveringen alsook voor de voorgewende (fictieve) leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed.

Doordat [rechtspersoon] over een groot deel van haar omzet geen belasting afdroeg, was zij in staat producten structureel (ver) onder de marktprijs aan te bieden en te verkopen. [rechtspersoon] maakte zich daarmee schuldig aan concurrentievervalsing. Andere ondernemers ondervonden hiervan nadeel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Belastingdienst/FIOD veelvuldig meldingen ontving van concurrentievervalsing door [rechtspersoon] .

Ook de Nederlandse Staat is door het handelen van [rechtspersoon] en de verdachte fors benadeeld. Door de FIOD is het totale nadeel voor de Nederlandse schatkist berekend op € 1.652.827,00.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin en in geen enkel opzicht rekening heeft gehouden met de belangen van andere ondernemers en van de Nederlandse Staat. Voorts rekent het hof de verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde strafbare feiten en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte zeer doelmatig en geraffineerd te werk is gegaan.

Alles afwegende, acht het hof in beginsel passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.

Het hof constateert evenwel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in zeer aanzienlijke mate is overschreden.

Het hof stelt in dat verband voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan die in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

In deze zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen en dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.

De verdachte is op 5 januari 2016 in verzekering gesteld. Deze datum vormt het startpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg. De rechtbank heeft op 9 december 2019 vonnis gewezen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 1 jaar en ruim 11 maanden.

Namens de verdachte is vervolgens op 12 december 2019 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst heden, 29 oktober 2026, arrest. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van 4 jaar en ruim 10 maanden.

Evident is dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in zeer aanzienlijke mate is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze aanzienlijke overschrijding rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.

Gelet op de hiervoor beschreven aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, acht het hof strafkorting op zijn plaats. Het hof zal daarom, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek, aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.

In de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 september 2026 door de verdediging naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof geen aanleiding tot (verdere) matiging van de op te leggen straf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hof heeft geconstateerd dat er onder de verdachte als beslagene meerdere documenten in beslag zijn genomen, welke zijn vermeld op de in het dossier vervatte beslaglijst. Het is het hof niet gebleken dat hieromtrent enige beslissing is genomen door het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft evenmin een beslissing genomen op het beslag, zodat het beslag thans nog op deze voorwerpen rust.

Het hof acht thans geen strafvorderlijk belang meer aanwezig bij het beslag van de documenten, als vermeld op de beslaglijst. Derhalve zal het hof beslissen dat deze voorwerpen zullen worden teruggegeven aan beslagene.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de documenten, als vermeld op de beslaglijst in het dossier.

Aldus gewezen door:

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,

en op 29 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zie artikel 138, eerste lid, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Zie o.m. HvJ EU 18 december 2014, nrs. C-131/13, C-163/13 en C-164/13, ECLI:EU:C:2014:2455 (Italmoda en Turbu).