Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Vervolg op HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0774. Aanspraak op…

Hoge Raad, 27 juni 2014

Zaakgegevens

Op 27 juni 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 juni 2014
Datum publicatie
26 juni 2014
Zaaknummer
13/04553
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. K. Aantjes
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:1542
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Vervolg op HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0774. Aanspraak op aanvullende bonus. Aansprakelijkheid werkgever voor schade wegens ontneming werknemer bepaalde werkzaamheden? Goed werkgeverschap, art. 7:611 BW.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2010

    ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6065
  2. Hoge Raad · 13 januari 2012

    ECLI:NL:HR:2012:BV0774

    (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

  3. Conclusie A-G · 13 januari 2012

    ECLI:NL:PHR:2012:BV0774
  4. Gerechtshof Den Haag · 18 juni 2013

    ECLI:NL:GHDHA:2013:2065
  5. Conclusie A-G · 9 mei 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:376
  6. Hoge Raad · 27 juni 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:1542

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

27 juni 2014

Eerste Kamer

nr. 13/04553

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

THE ROYAL BANK OF SCOTLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. J.P. Heering en mr. M.A.M. Essed.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Bank.

1 Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het arrest in de zaak 10/05432 van de Hoge Raad van 13 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV0774);

b. het arrest in de zaak 200.106.378/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 23 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.