Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. IPR. Onrechtmatig handelen van bestuurder vennootschap. Wordt toepasselijk recht bepaald…

Hoge Raad, 10 juni 2016

Zaakgegevens

Op 10 juni 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juni 2016
Datum publicatie
10 juni 2016
Zaaknummer
15/00704
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. J.H.M. van Swaaij
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:1165
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. IPR. Onrechtmatig handelen van bestuurder vennootschap. Wordt toepasselijk recht bepaald door art. 10:119 BW (art. 3 Wet conflictenrecht corporaties (oud)) of door art. 4 lid 3 Rome II? Devolutieve werking hoger beroep.

Procesgang

  1. Rechtbank Utrecht · 4 april 2012

    ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1752
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 2 juli 2013

    ECLI:NL:GHARL:2013:5263
  3. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 oktober 2014

    ECLI:NL:GHARL:2014:8049

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  4. Conclusie A-G · 18 maart 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:139
  5. Hoge Raad · 10 juni 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:1165

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

10 juni 2016

Eerste Kamer

15/00704

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,

t e g e n

de vennootschap naar Chileens recht CHILEAN LUMBER COMPANY S.A.,
gevestigd te San Bernardino, Chili,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en CLC.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 295743/HA ZA 10-2342 van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2011, 1 juni 2011, 7 september 2011 en 4 april 2012 en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2013;

b. de arresten in de zaak 200.123.463 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013 en 21 oktober 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 21 oktober 2014 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen CLC is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CLC begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juni 2016.