Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Vergoeding van planschade in onteigeningsgeding (art. 40e (oud) Ow)…
Hoge Raad, 26 januari 2024
ECLI:NL:HR:2024:96 · Hoge Raad · 26 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-96
Zaakgegevens
Op 26 januari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 januari 2024
- Datum publicatie
- 25 januari 2024
- Zaaknummer
- 22/02361
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- J.P van den Berg, M.W. Scheltema
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:96
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Vergoeding van planschade in onteigeningsgeding (art. 40e (oud) Ow). Moet bij toepassing van art. 40e (oud) Ow rekening worden gehouden met (beperkende) criteria die van toepassing zijn op planschadevergoeding op grond van art. 6.1 Wro (oud)? Samenhang met zaken 22/02344 (ECLI:NL:HR:2024:85) en 22/02348 (ECLI:NL:HR:2024:95).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 oktober 2023
ECLI:NL:PHR:2023:889Hoge Raad · 26 januari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:96
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02361
Datum 26 januari 2024
ARREST
In de zaak van
[de onteigende],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [de onteigende],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJVENSCHAP HARNASCHPOLDER,
gevestigd te Schipluiden,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: het Bedrijvenschap,
advocaat: M.W. Scheltema.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/548017/ HA ZA 18-183 van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2018, 5 juni 2019, 10 juli 2019 en 4 mei 2022.
[de onteigende] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2022 beroep in cassatie ingesteld.
Het Bedrijvenschap heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de onteigende] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Vgl. HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de onteigende] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Bedrijvenschap begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de onteigende] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 26 januari 2024.