Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Hoge Raad, 24 oktober 2000

Zaakgegevens

Op 24 oktober 2000 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 oktober 2000
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
112916
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2000:AA7787
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 24 oktober 2000deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2000:AA7787

  2. Conclusie A-G · 24 oktober 2000

    ECLI:NL:PHR:2000:AA7787

Uitspraak

24 oktober 2000

Strafkamer

nr. 112916

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

29 maart 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Argentinië) op [geboortedatum] 1947,

wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 januari 1998 - de verdachte

vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 en 6 tenlastegelegde

en hem voorts ter zake van “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met

het in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld

tot één jaar gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is

ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.R. Kant, advocaat te

Krommenie, bij schriftuur midde-len van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan

dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het

beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO,

geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van

rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikke-ling.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen

grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak ambtshalve, voorzover

aan zijn oordeel onderworpen, zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep

worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zitter, en de

raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P.

Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 oktober

2000.