Strafrecht overig
Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig
Hoge Raad, 21 mei 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE1287 · Hoge Raad · 21 mei 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ae1287
Zaakgegevens
Op 21 mei 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 mei 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02221/01
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AE1287
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 21 mei 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AE1287
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 mei 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AE1287
Uitspraak
21 mei 2002
Strafkamer
nr. 02221/01
KD/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juli 2001, nummer 22/000715-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te [plaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 25 februari 2000 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van moord" en 2. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J. Goudswaard en mr. M.E. de Meijer, advocaten te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwen op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet heeft beslist op het in hoger beroep gevoerde verweer dat zich vormverzuimen als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv hebben voorgedaan.
3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2001 gehechte pleit-nota (p. 7-15) zijn aldaar de verweren gevoerd die in de toelichting op het middel zijn samengevat, met dien verstande dat in de pleitnota
- aan het eerste verweer de volgende slotsom is verbonden (p. 10):
"Ik meen dat het gerechtelijk vooronderzoek op ontoereikende grondslag is gevorderd en ingesteld, daarmee onrechtmatig is en dat er bewijsuitsluiting moet volgen."
- aan het tweede verweer de volgende slotsom is verbonden (p. 14):
"Dat is geen behoorlijke manier van doen; zelfs onrechtmatig te oordelen. In dat licht verzoek ik U de verklaringen van cliënte als afgelegd in 1998 van het bewijs uit te sluiten, c.q. daaraan voor haar consequenties te verbinden overeenkomstig artikel 359a Sv."
- aan het derde verweer, dat betrekking had op bij het slachtoffer aangetroffen dagboeken, die zich aanvankelijk niet bij de processtukken bevonden hadden, de volgende slotsom is verbonden (p. 15):
"Dat is een zo grove schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat zulks in het licht van artikel 359a lid sub a Sv in Uw overwegingen betrokken dient te worden."
3.3. Het Hof heeft het eerste en het tweede verweer klaarblijkelijk opgevat - hetgeen niet onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd - als ertoe strekkende dat de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek alsmede de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd bij de verhoren door de politie, op de voet van art. 359a, eerste lid aanhef en onder b, Sv niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. In aanmerking genomen dat van het genoemde materiaal niets tot bewijs is gebruikt, was het Hof niet gehouden gemotiveerd te beslissen op bedoelde verweren.
3.4. Voorts heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat in het derde verweer niet een beroep is gedaan op een onherstelbaar verzuim van vormen tijdens het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in art. 359a Sv, zodat daaromtrent niet een met redenen omklede beslissing behoefde te worden gegeven. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 juni 1999 (a) bedoelde dagboeken kort voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg door de Officier van Justitie bij de gedingstukken zijn gevoegd, (b) de verdediging onder meer naar aanleiding daarvan heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, en (c) de Rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst tot 8 september 1999.
3.5. Het middel faalt derhalve
4. Beoordeling van het tweede, het derde en het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 21 mei 2002.