Strafrecht overig
Geen wetsbepaling schrijft voor dat in het arrest van het hof uitdrukkelijk wordt vermeld dat een zwaardere…
ECLI:NL:HR:2005:AS1874 · Hoge Raad · 22 februari 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-as1874
Zaakgegevens
Op 22 februari 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 februari 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 00812/04
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AS1874
Samenvatting
Geen wetsbepaling schrijft voor dat in het arrest van het hof uitdrukkelijk wordt vermeld dat een zwaardere straf is opgelegd met eenparigheid van stemmen ex art. 424.2 Sv. Evenmin kan de verplichting tot zodanige vermelding worden ontleend aan enige andere rechtsregel, meer i.h.b. niet aan art. 6 EVRM (vgl. EHRM 27 juni 2000, dec., appl. no. 40171/98 Boons tegen Nederland).
Procesgang
Hoge Raad · 22 februari 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AS1874
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 februari 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AS1874
Uitspraak
22 februari 2005
Strafkamer
nr. 00812/04
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 januari 2004, nummer 20/002493-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 31 juli 2002 - de verdachte ter zake van "diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.H.J.M. van Heugten, advocaat te Sittard, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de schriftuur
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als eerste middel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet overeenkomstig art. 424, tweede lid, Sv in het arrest tot uitdrukking heeft gebracht dat het de straf - die hoger is dan door de Rechtbank is bepaald - met eenparigheid van stemmen heeft opgelegd.
4.2. De Rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier weken. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes weken.
4.3. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat geen wetsbepaling voorschrijft dat in het arrest uitdrukkelijk wordt vermeld dat de zwaardere straf is opgelegd met eenparigheid van stemmen. Evenmin kan de verplichting tot zodanige vermelding worden ontleend aan enige andere rechtsregel meer in het bijzonder niet aan art. 6 EVRM (vgl. EHRM 27 juni 2000, dec., appl. no. 40171/98 Boons tegen Nederland).
4.4. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 22 februari 2005.