Strafrecht overig

Verdachte stelde te laat appèl in. Hof behandelde de zaak in appèl zonder in te gaan op de overschrijding van…

Zaakgegevens

Op 28 maart 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 maart 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
00902/05
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AV1612
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte stelde te laat appèl in. Hof behandelde de zaak in appèl zonder in te gaan op de overschrijding van de appèltermijn. HR grijpt niet ambtshalve in.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 28 maart 2006deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2006:AV1612

  2. Conclusie A-G · 28 maart 2006

    ECLI:NL:PHR:2006:AV1612

Uitspraak

28 maart 2006

Strafkamer

nr. 00902/05

PB/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 november 2004, nummer 22/000903-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in Detentiecentrum Roermond.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 28 maart 2006.