Strafrecht overig
OM-cassatie. De cassatieschriftuur houdt in dat de opgeëiste persoon “inmiddels uitgezet is uit Nederland (na…
ECLI:NL:HR:2007:BA5617 · Hoge Raad · 12 juni 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2007-ba5617
Zaakgegevens
Op 12 juni 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 juni 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 00331/07 U
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:BA5617
Samenvatting
OM-cassatie. De cassatieschriftuur houdt in dat de opgeëiste persoon “inmiddels uitgezet is uit Nederland (na ontslag uit uitleveringsdetentie en na een afgewezen asielaanvraag)”. Voorts is door de raadsman van de opgeëiste persoon bij gelegenheid van de tegenspraak van het cassatieberoep een brief overlegd van de IND van 12-12-2006 gericht aan de Rb ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, afdeling Vreemdelingenrecht, inzake de “Bewaringszitting 13 december 2006” betreffende de opgeëiste persoon. Dit schrijven houdt in dat de opgeëiste persoon op 13-12-2006 aan Fr zal worden overgedragen. Het t.b.v. de aanzegging van de behandeling van het cassatieberoep opgevraagde overzicht van 12-02-2007 inzake de adresgegevens van de opgeëiste persoon houdt in dat hier te lande geen adres van hem bekend is en dat hij hier niet is gedetineerd. O.g.v. hetgeen hiervoor is vermeld, moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon zich niet in Nld bevindt. Daarmee is aan de inleidende vordering van de OvJ tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek de grondslag komen te ontvallen. Hieruit vloeit voort dat de OvJ in die vordering alsnog niet kan worden ontvangen.
Procesgang
Hoge Raad · 12 juni 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:BA5617
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 juni 2007
ECLI:NL:PHR:2007:BA5617
Uitspraak
12 juni 2007
Strafkamer
nr. 00331/07 U
AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Maastricht van 5 december 2006, nummer 03/702012-06, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek
3.1. De bestreden uitspraak houdt in dat de opgeëiste persoon ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard dat hij geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
De cassatieschriftuur houdt in dat de opgeëiste persoon "inmiddels uitgezet is uit Nederland (na ontslag uit uitleveringsdetentie en na een afgewezen asielaanvraag)".
Voorts is door de raadsman van de opgeëiste persoon bij gelegenheid van de tegenspraak van het cassatieberoep een brief overgelegd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 12 december 2006 gericht aan de Rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, afdeling Vreemdelingenrecht, inzake de "Bewaringszitting 13 december 2006" betreffende de opgeëiste persoon.
Dit schrijven houdt in dat de opgeëiste persoon op 13 december 2006 aan Frankrijk zal worden overgedragen (Schiphol-Parijs).
Het ten behoeve van de aanzegging van de behandeling van het cassatieberoep opgevraagde overzicht van 12 februari 2007 inzake de adresgegevens van de opgeëiste persoon houdt in dat hier te lande geen adres van hem bekend is en dat hij hier niet is gedetineerd.
3.2. Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.1 is vermeld, moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon zich niet in Nederland bevindt. Daarmee is aan de inleidende vordering van de Officier van Justitie tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek de grondslag komen te ontvallen. Hieruit vloeit voort dat de Officier van Justitie in die vordering alsnog niet kan worden ontvangen.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidende vordering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 juni 2007.