Strafrecht overig
Indienen cassatieschriftuur. De schriftuur van cassatie ingediend door de raadsman van verdachte is blijkens…
ECLI:NL:HR:2008:BC1343 · Hoge Raad · 22 januari 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bc1343
Zaakgegevens
Op 22 januari 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 januari 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 00835/07
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BC1343
Samenvatting
Indienen cassatieschriftuur. De schriftuur van cassatie ingediend door de raadsman van verdachte is blijkens 2 daarop geplaatste stempels op 1-6-2007 bij de Centrale Balie van het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage en – kennelijk na doorzending - op 6-6-2007 bij de strafgriffie van de HR ingekomen. De aanzegging a.b.i. art. 435.1 Sv is op 4-4-2007 aan verdachte in persoon betekend. Ingevolge art. 437.2 Sv is de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van n-o verplicht binnen 2 maanden nadat de aanzegging is betekend, bij de HR door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. Nu de schriftuur niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR is ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Procesgang
Hoge Raad · 22 januari 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BC1343
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 januari 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC1343
Uitspraak
22 januari 2008
Strafkamer
nr. 00835/07
SM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 juli 2006, nummer 20/009015-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 26 april 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een geldboete van € 1.250,-, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts is hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden ontzegd, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze is een schriftuur ingediend.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Tot de stukken van het geding behoort een schriftuur van cassatie, ingediend door de raadsman van de verdachte. Blijkens twee daarop geplaatste stempels is deze schriftuur op 1 juni 2007 bij de Centrale Balie van het Paleis van Justitie te 's-Gravenhage en - kennelijk na doorzending - op 6 juni 2007 bij de strafgriffie van de Hoge Raad ingekomen.
3.2. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 4 april 2007 aan de verdachte in persoon betekend. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv is de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen twee maanden nadat de aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. Nu de schriftuur niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad is ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 januari 2008.