Strafrecht overig
Art. 365b.1 Sv, ondertekening arrest. De aanvulling op het verkorte arrest is bij ontstentenis van het lid…
Hoge Raad, 4 november 2008
ECLI:NL:HR:2008:BF0201 · Hoge Raad · 4 november 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bf0201
Zaakgegevens
Op 4 november 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 01780/07
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BF0201
Samenvatting
Art. 365b.1 Sv, ondertekening arrest. De aanvulling op het verkorte arrest is bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen – in strijd met art. 365b.1 Sv – niet ondertekend door de voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector. De opvatting dat door dat niet-naleven van art. art. 365b.1 Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt, is onjuist.
Procesgang
Hoge Raad · 4 november 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BF0201
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 november 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BF0201
Uitspraak
4 november 2008
Strafkamer
nr. S 01780/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 augustus 2006, nummer 23/000689-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het bestreden arrest nietig is, omdat de aanvulling op het verkorte arrest bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen - in strijd met art. 365b, eerste lid, Sv - niet is ondertekend door de Voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector.
2.2. Het middel faalt. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat door het bedoelde niet naleven van art. 365b, eerste lid, Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit de nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt. Die opvatting is onjuist.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 november 2008.