Strafrecht overig
Dagvaarding in h.b. niet rechtsgeldig betekend. HR verklaart de dagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig.
ECLI:NL:HR:2012:BV6993 · Hoge Raad · 3 april 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2012-bv6993
Zaakgegevens
Op 3 april 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 april 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/02377
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2012:BV6993
Samenvatting
Dagvaarding in h.b. niet rechtsgeldig betekend. HR verklaart de dagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig.
Procesgang
Hoge Raad · 3 april 2012deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2012:BV6993
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 april 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BV6993
Uitspraak
3 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/02377
LBS/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 mei 2010, nummer 21/003765-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. H.G. Kuipers en mr. A.C. Huisman, beiden advocaat te Deventer, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel komt op tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
2.2. Tot de stukken van het geding behoren onder meer:
(i) een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep - die inhoudt dat die dagvaarding op 16 februari 2010 op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] is uitgereikt aan [betrokkene 1], de echtgenote van de verdachte;
(ii) een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep - die inhoudt dat die dagvaarding op 24 februari 2010 is aangeboden op het adres [b-straat 1] te [woonplaats], maar dat deze niet is uitgereikt omdat op dat adres niemand werd aangetroffen en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kan worden afgehaald op het in dat bericht genoemde (post)kantoor of politiebureau; deze akte houdt voorts in dat de dagvaarding op 26 februari 2010 met de akte is teruggezonden aan de afzender en op 3 maart 2010 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, alsmede dat de dagvaarding op laatstgenoemde datum per gewone brief is verzonden naar het adres [b-straat 1] te [woonplaats];
(iii) een GBA-overzicht van 13 april 2010 en een GBA-overzicht van 29 april 2010 die inhouden dat de verdachte van 26 januari 2010 tot 23 februari 2010 in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats] stond ingeschreven op het adres "[b-straat 1] te [woonplaats]" en van 23 februari 2010 tot 13 april 2010 respectievelijk 29 april 2010 stond ingeschreven op het adres "[a-straat 1] te [woonplaats]";
(iv) het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 3 mei 2010 dat inhoudt dat de verdachte niet is verschenen, dat de aanwezige raadsvrouwe verklaart niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren, en dat het Hof verstek verleent tegen de niet verschenen verdachte.
2.3.1. Uit de hiervoor in 2.2. weergegeven stukken volgt dat de onder (i) vermelde betekening van de dagvaarding in hoger beroep:
A. niet heeft plaatsgevonden aan het adres waar de verdachte op het moment van aanbieding van de dagvaarding in hoger beroep als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en
B. heeft plaatsgevonden aan een ander adres dan waar de verdachte is ingeschreven, terwijl die betekening heeft plaatsgevonden niet aan de verdachte in persoon maar aan een ander die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. Een dergelijke bereidverklaring kan alleen rechtsgeldig worden gedaan in geval van aanbieding aan het GBA-adres van de verdachte. (Vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.11).
2.3.2. Uit de hiervoor in 2.2. weergegeven stukken volgt dat de onder (ii) vermelde uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden aan het adres waar de verdachte op het moment van aanbieding van de dagvaarding in hoger beroep als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
2.3.3. Beide uitreikingen zijn derhalve strijdig met art. 588 Sv, zodat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend onjuist is.
2.4. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 3 april 2012.