Strafrecht overig
HR: 80a RO. Mede gelet op ECLI:NL:HR:2013:1430, betreffende de reikwijdte van een partiële vernietiging in…
Hoge Raad, 14 januari 2014
ECLI:NL:HR:2014:59 · Hoge Raad · 14 januari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2014-59
Zaakgegevens
Op 14 januari 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 januari 2014
- Datum publicatie
- 14 januari 2014
- Zaaknummer
- 12/02632
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2014:59
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
HR: 80a RO. Mede gelet op ECLI:NL:HR:2013:1430, betreffende de reikwijdte van een partiële vernietiging in cassatie, heeft het Hof na terugwijzing van de zaak terecht opnieuw beslist omtrent de vorderingen tul. ’s Hofs motivering van die beslissing moet aldus worden verstaan dat het Hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat die beslissing steunt op dezelfde - door het Hof overgenomen en tot de zijne gemaakte - gronden als vermeld in het eerste arrest. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag.
Procesgang
Rechtbank Leeuwarden · 26 augustus 2008
ECLI:NL:RBLEE:2008:BE9193Gerechtshof Leeuwarden · 3 mei 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4782(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 december 2013
ECLI:NL:PHR:2013:2392Hoge Raad · 14 januari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2014:59
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
14 januari 2014
Strafkamer
nr. S 12/02632
IV/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 mei 2012, nummer 24/001399-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal N. Jörg heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd zijn last tot tenuitvoerlegging van twee eerder voorwaardelijk opgelegde straffen op de voet van art. 14j, eerste lid, Sr met redenen te omkleden.
Bij arrest van het Hof van 8 september 2009 is de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 6 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de Rechtbank Maastricht van 20 december 2005 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden en de bij vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 3 augustus 2006 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden, zulks op de grond dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij die vonnissen gestelde proeftijd.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0050, NJ 2011/277, deze uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, met terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en heeft het beroep voor het overige verworpen.
Bij het bestreden arrest is de verdachte - met vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde - veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en twee maanden. Voorts heeft het Hof wederom de tenuitvoerlegging gelast van de bij voormelde vonnissen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen en heeft daartoe het volgende overwogen:
"Ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen tenuitvoerlegging verwijst het hof naar het eerdere gewezen arrest van dit hof d.d. 8 september 2009."
Mede gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, rov. 4, heeft overwogen en beslist omtrent de reikwijdte van een partiële cassatie, heeft het Hof na terugwijzing van de zaak terecht opnieuw beslist omtrent voormelde vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.
De hiervoor onder 2.2.3 weergegeven motivering van die beslissing moet aldus worden verstaan dat het Hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat die beslissing steunt op dezelfde - door het Hof overgenomen en tot de zijne gemaakte - gronden als vermeld in het eerdere arrest. Het middel, dat uitgaat van een andere lezing van de bestreden uitspraak, mist derhalve feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2014.