Strafrecht overig
Antilliaanse zaak. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 10.2 Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba…
ECLI:NL:HR:2016:2267 · Hoge Raad · 11 oktober 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2016-2267
Zaakgegevens
Op 11 oktober 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 oktober 2016
- Datum publicatie
- 6 oktober 2016
- Zaaknummer
- 15/02853
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:2267
Samenvatting
Antilliaanse zaak. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 10.2 Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Verdachte is n.-o. in cassatieberoep aangezien hij in h.b bij verstek is veroordeeld en voor de verdachte ook niet het rechtsmiddel van verzet heeft opengestaan (ECLI:NL:HR:2006:AV:6128).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 september 2016
ECLI:NL:PHR:2016:958Hoge Raad · 11 oktober 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:2267
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
11 oktober 2016
Strafkamer
nr. S 15/02853 A
IF/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 8 juni 2015, nummer H 138/14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het Hof heeft - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 10 juli 2014 - de verdachte vrijgesproken van het onder 1. tenlastegelegde en ter zake van 2. "medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Landsverordening Verdovende middelen", 3. "deelneming aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 4. "medeplegen van witwassen", veroordeeld tot een gevangenisstraf vier jaren. Het vonnis van het Hof is bij verstek gewezen.
Art. 10, tweede lid, Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba luidt:
"De verdachte kan geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen."
Art. 429, eerste lid, van het te dezen toepasselijke Wetboek van Strafvordering van Aruba luidt, voor zover hier van belang:
"Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als einduitspraak gegeven, kan degene die daarbij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, verzet doen:
(...)"
Genoemd wetboek kent niet een vergelijkbare bepaling voor einduitspraken die in hoger beroep zijn gegeven.
Op grond van art. 10, tweede lid, van genoemde Rijkswet staat voor de verdachte, die in hoger beroep bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Ingevolge voormeld Wetboek heeft voor de verdachte ook niet het rechtsmiddel van verzet opengestaan zodat het beroep in cassatie niet kan worden verstaan als verzet tegen het vonnis van het Hof (vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6128, NJ 2006/420). Anders dan de schriftuur voorstaat, leidt de omstandigheid dat de raadsman van de ter terechtzitting in hoger beroep niet verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd, niet tot een ander oordeel.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016.