Strafrecht overig
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan…
Hoge Raad, 15 maart 2016
ECLI:NL:HR:2016:289 · Hoge Raad · 15 maart 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2016-289
Zaakgegevens
Op 15 maart 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 maart 2016
- Datum publicatie
- 19 februari 2016
- Zaaknummer
- 14/05418
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:289
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager zijn teruggegeven. Ingevolge art. 134.2 Sv is het beslag daardoor beëindigd. Gelet hierop is de HR van oordeel dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Hetgeen in de schriftuur als belang bij het beroep is aangevoerd met het oog op de vergoeding van de door de klager voldane eigen bijdrage, is ontoereikend om te kunnen gelden als een rechtens te beschermen belang. De HR verklaart daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 januari 2016
ECLI:NL:PHR:2016:105Hoge Raad · 15 maart 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:289
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
15 maart 2016
Strafkamer
nr. S 14/05418 B
NA/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2014, nummer RK 14/3168, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep in cassatie.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift.
Het klaagschrift strekte tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen. De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. De bestreden beschikking van 8 oktober 2014 houdt dienaangaande het volgende in:
"De officier van justitie heeft voorafgaande aan de zitting reeds verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager. Op 9 oktober 2014, morgen, worden de voorwerpen aan klager teruggegeven.
(...)
Nu de voorwerpen aan klager worden teruggegeven dient klager niet-ontvankelijk in zijn beklag te worden verklaard."
Uit de toelichting op het middel blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager zijn teruggegeven. Ingevolge art. 134, tweede lid, Sv is het beslag daardoor beëindigd. Gelet hierop is de Hoge Raad van oordeel dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Hetgeen in de schriftuur als belang bij het beroep is aangevoerd met het oog op de vergoeding van de door de klager voldane eigen bijdrage, is ontoereikend om te kunnen gelden als een rechtens te beschermen belang. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2016.