Strafrecht overig

Falende klachten afwijzing getuigenverzoek en uos. HR: art. 80a RO.

Hoge Raad, 10 oktober 2017

Zaakgegevens

Op 10 oktober 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 oktober 2017
Datum publicatie
11 oktober 2017
Zaaknummer
16/01049
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:2590
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Falende klachten afwijzing getuigenverzoek en uos. HR: art. 80a RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 september 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1042
  2. Hoge Raad · 10 oktober 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:2590

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

10 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/01049

IV/SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2016, nummer 23/003591-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.M. Kuyp, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017.