Strafrecht overig

Medeplegen gekwalificeerde diefstal, art. 311.1 onder 4 en 5 Sr. Klacht dat verzuimd is te responderen op…

Hoge Raad, 10 juli 2018

Zaakgegevens

Op 10 juli 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juli 2018
Datum publicatie
22 juni 2018
Zaaknummer
16/05596
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:983
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen gekwalificeerde diefstal, art. 311.1 onder 4 en 5 Sr. Klacht dat verzuimd is te responderen op verweer m.b.t. overschrijding redelijke termijn in h.b. Leidt verzuim aan te geven in welke mate straf is verlaagd wegens overschrijding redelijke termijn tot cassatie? HR: art. 80a RO. CAG: Hof heeft in zijn strafmotivering verwezen naar het tijdsverloop en tot uitdrukking gebracht dat het daarin (mede) aanleiding heeft gezien de straf te matigen, waarbij Hof heeft verwezen naar pleidooi verdediging. Samenhang met 16/05594 en 16/05597.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 mei 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:538
  2. Hoge Raad · 10 juli 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:983

Uitspraak

10 juli 2018

Strafkamer

nr. S 16/05596

AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 november 2016, nummer 21/003986-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018.