Strafrecht overig
Poging doodslag te Sittard-Geleen, art. 287 jo. 45 Sr. Middelen over o.m. schending van de redelijke termijn…
Hoge Raad, 29 oktober 2019
ECLI:NL:HR:2019:1635 · Hoge Raad · 29 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-1635
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2019
- Datum publicatie
- 28 oktober 2019
- Zaaknummer
- 18/00700
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1635
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging doodslag te Sittard-Geleen, art. 287 jo. 45 Sr. Middelen over o.m. schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. CAG gaat in op de vraag of in een geval als i.c., wanneer de overige middelen zich lenen voor afdoening ex art. 80a RO en daarom het middel dat klaagt over de schending van de redelijke termijn in cassatie dat lot moet delen, en in de schriftuur wordt verzocht een prejudicieel advies te vragen aan het EHRM, de zaak nog steeds op de voet van art. 80a RO kan worden afgedaan, of dat de Hoge Raad gehouden is op dit (voorwaardelijke) verzoek inhoudelijk/gemotiveerd te reageren. De AG gaat in op adviesprocedure EHRM en stelt zich op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat in een cassatiemiddel wordt verzocht om een adviesverzoek te doen aan het EHRM, niet in de weg staat aan de toepassing van art. 80a (of art. 81.1 RO). Voorts komt de AG tot het oordeel dat i.c. geen reden is om een adviesverzoek te doen aan het EHRM. HR: art. 80a RO.
Procesgang
Rechtbank Limburg · 26 oktober 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:9245Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 februari 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:559(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 oktober 2019
ECLI:NL:PHR:2019:951Hoge Raad · 29 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1635
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/00700
Datum 29 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 februari 2018, nummer 20/003401-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste en tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en de verdachte bij het derde middel onvoldoende belang heeft.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2019.