Strafrecht overig
OM-cassatie en cassatie verdachte. Overtreding wetgeving financieel toezicht begaan door rechtspersoon, art…
ECLI:NL:HR:2020:509 · Hoge Raad · 24 maart 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-509
Zaakgegevens
Op 24 maart 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 maart 2020
- Datum publicatie
- 23 maart 2020
- Zaaknummer
- 17/02392
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:509
Samenvatting
OM-cassatie en cassatie verdachte. Overtreding wetgeving financieel toezicht begaan door rechtspersoon, art. 3.1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) en art. 2:55.1 Wet op financieel toezicht (feit 2). 1. Verjaring. Heeft hof miskend dat wat betreft overtredingen van art. 2:55.1 Wft, v.zv. begaan tussen 1-1-2007 en 26-4-2007, recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen? 2. Overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.
Ad 1. Aan verdachte is onder 2 tlgd. (i) overtreding art. 3.1 Wte 1995 (oud) in periode 19-3-2003 tot 1-7-2005; (ii) overtreding art. 3.1 Wte 1995 (oud) in periode 1-7-2005 tot 1-1-2007; en (iii) overtreding art. 2:55.1 Wft in periode 1-1-2007 tot 12-5-2009. Hof heeft overwogen dat OM t.a.v. eerste deelfeit, v.zv. tlgd. ziet op periode van 19-3-2003 tot 26-4-2005, wegens verjaring van recht tot strafvordering n-o is in vervolging van verdachte. Hof heeft tlgd. voor overige bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke geldboete van € 200.000. Gelet op toepasselijke straf- en verbodsbepalingen in samenhang met art. 70.1 en 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn t.a.v. eerste en tweede deelfeit ten hoogste 2 maal 6 jaren en t.a.v. derde deelfeit ten hoogste 10 jaren. Wat betreft al deze feiten is dus recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging wat betreft onder 2 tlgd.
Ad 2. Gelet op beslissing HR, die tot gevolg heeft dat verdachte voor geen van tlgd. feiten wordt veroordeeld, is er geen aanleiding om aan oordeel dat redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. HR zal daarom met dat oordeel volstaan.
Samenhang met 17/03445.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 januari 2020
ECLI:NL:PHR:2020:5Hoge Raad · 24 maart 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:509
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/02392
Datum 24 maart 2020
ARREST
op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017, nummer 23/000195-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Beide schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van de advocaat-generaal en tot vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde alsmede de strafoplegging, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft miskend dat wat betreft feit 2, ten aanzien van de overtredingen van artikel 2:55 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) voor zover begaan tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, het recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen ten tijde van zijn uitspraak. Het cassatiemiddel voert voorts aan dat inmiddels meer deelfeiten zijn verjaard.
Aan de verdachte is onder 2 - kort weergegeven - tenlastegelegd:
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 19 maart 2003 tot 1 juli 2005,
en
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 Wte 1995 (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2007,
en
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:55 lid 1 Wft, begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot 12 mei 2009.
Het hof heeft overwogen dat het openbaar ministerie ten aanzien van het hiervoor vermelde eerste deelfeit, voor zover het tenlastegelegde ziet op de periode van 19 maart 2003 tot 26 april 2005, wegens verjaring van het recht tot strafvordering niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het hof heeft het tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 200.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Gelet op de in dit geval toepasselijke straf- en verbodsbepalingen, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.5 zijn weergegeven, in samenhang met artikel 70 lid 1 en artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn ten aanzien van het eerste en tweede deelfeit ten hoogste twee maal zes jaren en ten aanzien van het derde deelfeit ten hoogste tien jaren. Wat betreft al deze feiten is dus het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de uitspraak van het hof op dat punt, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde.
3. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de hierna volgende beslissing, die tot gevolg heeft dat de verdachte voor geen van de tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van deze cassatiemiddelen niet nodig.
5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie;
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep van de verdachte voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.