Strafrecht overig
Economische zaak, illegale handel in beschermde inheemse vogels. Verkoop door vennootschap van beschermde…
ECLI:NL:HR:2021:1100 · Hoge Raad · 13 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2021-1100
Zaakgegevens
Op 13 juli 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 juli 2021
- Datum publicatie
- 8 juli 2021
- Zaaknummer
- 19/02592
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1100
Samenvatting
Economische zaak, illegale handel in beschermde inheemse vogels. Verkoop door vennootschap van beschermde inheemse diersoort (bosfazant) (meermalen gepleegd), art. 13.1.a Flora en faunawet (oud). Beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wegens bestaan van vrijstelling a.b.i. art. 5.1 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud). Door te overwegen dat beroep op vrijstelling niet slaagt op de grond dat vereiste registratie niet heeft plaatsgevonden omdat medeverdachte heeft verklaard dat zij geen administratie hebben bijgehouden, heeft hof miskend dat in art. 8 Besluit (oud) bedoelde registratie in administratie slechts ziet op een door (destijds) Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie te houden administratie en niet op enige door verdachte te houden administratie. Gelet hierop heeft hof de verwerping van beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wegens bestaan van vrijstelling a.b.i. art. 5.1 Besluit (oud), niet toereikend gemotiveerd.
Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 19/02590 P en 19/02591 E.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 mei 2021
ECLI:NL:PHR:2021:472Hoge Raad · 13 juli 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:1100
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/02592 E
Datum 13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 17 mei 2019, nummer 21-003935-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Volgens de daarvan opgemaakte akten is het beroep niet gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Namens de verdachte heeft J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen inzake feit 1, en tot terugwijzing naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Vervolgens heeft de advocaat-generaal aanvullend geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft op de conclusie en de aanvullende conclusie schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door het hof van een beroep op vrijstelling.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 20 mei 2010 tot en met 31 augustus 2012 in Nederland meermalen, opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een bosfazant (Phasianus colchicus), heeft verkocht,
- aan [betrokkene 1] en
- aan [betrokkene 2] en
- aan [betrokkene 3] en
- aan [betrokkene 4] en
- aan [betrokkene 5] en
- aan [betrokkene 6] .”
Het hof heeft een beroep op een ontslag van alle rechtsvervolging wegens het bestaan van een vrijstelling als volgt samengevat en verworpen:
“Namens verdachte is een beroep gedaan op de vrijstelling als bedoeld in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud) luidt als volgt:
“De verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, alsmede voor eieren, nesten of producten van die vogels, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die vogels betreft, dat de betrokken producten van gefokte vogels afkomstig zijn en voorzover:
a. deze vogels zijn voorzien van een pootring als bedoeld in artikel 6;
b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie bedoeld in artikel 8 en
c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 gestelde regels.”
Artikel 8, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud) luidt als volgt:
“Door Onze Minister wordt een administratie bij gehouden waaruit blijkt aan wie, wanneer en met welke maten en registratienummers gesloten pootringen als bedoeld in artikel 6 zijn verstrekt.”
Uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de verklaringen van de vertegenwoordigers van verdachte, is vast komen te staan dat de hierboven genoemde registratie niet heeft plaatsgevonden.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft onder meer verklaard: “We hebben geen enkele keer ongeringde fazanten verkocht. Het is namelijk zo dat we anders administratie moeten bijhouden.” en “Het ringen heeft zijn voordelen, namelijk geen administratie en vrij vervoer van fazanten door het hele land.”
Derhalve kan het beroep op de vrijstelling niet slagen, is er sprake van een strafbaar feit en zal verdachte niet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
De volgende regelgeving is van belang:
- artikel 13 lid 1 onder a Flora en faunawet (oud):
“Het is verboden:
a. (...) dieren (...) behorende tot een (...) beschermde inheemse (...) diersoort (...) te verkopen (...)”
- artikel 75 lid 1 Flora en faunawet (oud):
“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.”
- artikel 5 lid 1 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: Besluit) (oud):
“De verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, alsmede voor eieren, nesten of producten van die vogels, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, of, indien het eieren, nesten of producten van die vogels betreft, dat de betrokken producten van gefokte vogels afkomstig zijn en voorzover:
a. deze vogels zijn voorzien van een pootring als bedoeld in artikel 6;
b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie bedoeld in artikel 8 en
c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 gestelde regels.”
- artikel 8 Besluit (oud):
“Door Onze Minister wordt een administratie bijgehouden waaruit blijkt aan wie, wanneer en met welke maten en registratienummers gesloten pootringen als bedoeld in artikel 6 zijn verstrekt.”
Uit de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overweging van het hof volgt dat het hof heeft miskend dat de in artikel 8 Besluit (oud) bedoelde registratie in een administratie slechts ziet op een door de - destijds - Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie te houden administratie en niet op enige door de verdachte te houden administratie. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. Gelet hierop heeft het hof de verwerping van het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wegens het bestaan van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5 lid 1 Besluit (oud), niet toereikend gemotiveerd.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het gegrond.
3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2021.